CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2020

The Songs of Johannes Brahms (9)

Mondnacht WoO 21 - In der Fremde op. 3 nr. 5 - Lied op. 3 nr. 6 - Der Frühling op. 6 nr. 2 - Nachtigallen schwingen op. 6 nr. 6 - Vom verwundeten Knaben op. 14 nr. 2 - Gang zur Liebsten op. 14 nr. 6 - Sonntag op. 47 nr. 3 - An ein Veilchen op. 49 nr. 2 - Die Spröde op. 58 nr. 3 - In der Gasse op. 58 nr. 6 - Tambourliedchen op. 69 nr. 5 - Vergebliches Ständchen op. 84 nr. 4 - Spannung op. 84 nr. 5 - Ade! op. 85 nr. 4 - In Waldeinsamkeit op. 85 nr. 6 - Feldeinsamkeit op. 86 nr. 2 - Bei dir sind meine Gedanken op. 95 nr. 2 - Schön war, das ich dir weihte op. 97 nr. 3 - Entführung op. 97 nr. 3 - Maienkätzchen op. 107 nr. 4 - uit Deutsche Volkslieder WoO 33: nr. 1: Sagt mir, o schönste Schäf'rin mein; nr. 3: Gar lieblich hat sich gesellet; nr. 10: Es ritt ein Ritter; nr. 13: Wach auf, mein Hort; nr. 25: Mein Mädel hat einen Rosenmund; nr. 26: Auch könnt ich diesen Abend; nr. 38: Des Abends kann ich nicht schlafen gehn; nr. 40: Ich weiss mir'n Maidlein hübsch und fein; nr. 30: All mein Gedanken '

Robin Tritschler (tenor), Harriet Burns (sopraan), Graham Johnson (piano)
Hyperion CDJ33129 • 75' •
Opname: oktober 2018, All Saints' Church, East Finchley, Londen

 

Talloze componisten hebben de muzikale folklore van hun land in hun muziek een respectabele plaats gegeven, hetzij als citaat, hetzij in de meest uiteenlopende varianten. Zo ook Brahms met onder meer zijn 49 ‘Deutsche Volkslieder' in strofevorm die om de een of andere onnaspeurbare reden geen officieel opusnummer hebben meegekregen en het dientengevolge moeten doen met WoO 33. ‘Werke ohne Opuszahl', voor menigeen misschien geen aanbeveling, maar door deze vooringenomenheid tevens een duidelijk gemiste kans (wat trouwens niet alleen voor de werken van Brahms geldt).

Maar ook in de overige, deels doorgecomponeerde liederen (die Brahms bij voorkeur met ‘Gesänge' aanduidde), zelfs in de qua tekst en toonzetting meer ernstige, is het onderscheid tussen kunst- en volkslied niet altijd gemakkelijk te maken. Een goed voorbeeld daarvan is ‘Die Trauernde', een lied dat ondanks zijn droefgeestige karakter wel degelijk de ingrediënten van een volksliedje in zich heeft. Het was deze ‘receptuur' die na Brahms door Gustav Mahler naar nieuwe hoogten werd gevoerd.

Sfeertekening, dat is wat het kunst- maar ook volkslied vraagt. En die was bij componisten van het kaliber Schubert, Schumann, Brahms en Mahler naast zoveel andere in de best denkbare handen. Een kunst op zich die op haar beurt weer om een geheel aparte kunst vraagt: die van de interpretatie, het moment waarop vocale en pianistieke techniek en tekstverbeelding samenkomen en waar van compromissen geen enkele sprake kan zijn. De liedzanger(es) weet zich weliswaar gesteund door zijn of haar begeleider (al doet dit begrip volstrekt geen recht aan wat daarvoor is vereist!), maar in feite staat hij of zij ‘naakt' op het podium. Want als het op pure zangkunst in al haar facetten aankomt is er geen vocaal genre te bedenken dat hogere eisen stelt. De liedvertolk(st)er kan zich nergens achter verbergen en al helemaal niet achter de tekst.

Zijdelings zij opgemerkt dat het een echt probleem van de hedendaagse liedkunst: de vaak uitermate slechte verstaanbaarheid van de tekst. Alsof daarop onvoldoende is gestudeerd, dictie veel te weinig aandacht krijgt en het toch vooral moet gaan om ‘mooi zingen', een begrip overigens dat aan rekbaarheid nauwelijks grenzen stelt. Terwijl het in het lied nu juist moet gaan om niet alleen volmaakte vocalistiek, maar ook om de tekst, met uiteraard de uitbeelding ervan en de daarmee samenhangende fantasie. Het moet er alles aan gelegen zijn om de voordracht zo in te kleden dat de tekst echt gaat léven onder het gesternte van de muziek. Pas dan kan een twee-eenheid ontstaat die – om het eufemistisch te zeggen - de toehoorder niet onberoerd laat. Grote liedkunst kan diepe gevoelens oproepen en vergezichten openen dat nog lang naijlen. Het gevoel ook zich in een andere wereld te bevinden, hoe ver en hoe diep die ook achter ons mag liggen.

In de coulissen van het jaarlijkse en bijzonder succesvolle Internationaal Liedfestival in Zeist, de dagen gevuld met liedrecitals, masterclasses en lezingen, was het de Britse pianist Graham Johnson die benadrukte dat de rol van de pianist in een liedrecital nog steeds behoorlijk wordt onderschat, laat staan dat in voldoende mate wordt beseft dat de interpretatie van ieder lied van begin tot eind door zowel de vocalist als de pianist zorgvuldig dient te worden opgebouwd. Pas dan komt de weg vrij naar de zo essentiële expressieve energie en daarmee de interpretatieve synergie. Niets meer, maar ook niets minder. En dat het niet alleen aan de vocalist, maar ook aan de pianist is om muziek én tekst naar een zo hoog mogelijke dimensie te stuwen.

De ene of de andere pianist: het maakt een wereld van verschil. Zo was ik getuige van een zeker niet onverdienstelijk liedduo tijdens een masterclass-optreden. Johnson zat op het podium, geconcentreerd luisterend. Na afloop van dat ene lied nam hij zelf plaats achter de vleugel en vroeg hij de zangeres om het lied opnieuw, maar nu met hem aan de vleugel, te zingen. Er leek zich een wonder te voltrekken: het was diezelfde zangstem, maar nu zoveel vrijer, gloedvoller, dieper gekleurd, de noten niet meer in beton gegoten. Wat eerst uitmondde in een keurige interpretatie, werd nu een openbaring. In slechts luttele minuten was een heel bijzonder fluïdum ontstaan, met een aanmerkelijk grotere expressieve reikwijdte. Dit zal op menigeen in de zaal feitelijk op slag duidelijk hebben gemaakt dat zelfs zangtechniek alleen nog geen pakkende interpretatie oplevert. Bovendien werd hierdoor het grote belang van de pianist in dit discours dubbel en dwars onderstreept.

Dergelijke overwegingen komen tevens terug in dit bijzonder fraaie recital dat deel uitmaakt van Hyperions integrale release van de Brahms-liederen en aldus herinneringen oproept aan eerdere grote releases op dit vlak: die van de liederen van Schubert, Schumann, Fauré en Richard Strauss. Niet de exacte chronologie van hun ontstaan is gevolgd, wat overigens wat deze Brahms-liederen betreft ook niet gemakkelijk zou zijn geweest aangezien vroege(re) liederen een later opusnummer meekregen, maar zoveel mogelijk die van de eerste publicatie. Het levert in ieder geval een uiterst afwisselende ‘reis' op door niet alleen dit repertoire, maar ook Brahms' aardse bestaan.

Dat brengt me tevens op het beluisteren van deze liederen binnen de omraming van de tijd. Natuurlijk kan met deze cd ononderbroken beluisteren, maar het kan een aanslag op de concentratie betekenen. Niets ten nadele van deze liederen, maar een feit is wel dat Brahms zelf drie of vier van zijn liederen achter elkaar vertolkt ruim voldoende vond. We kunnen het teruglezen in ‘Brahms in the Home and the Concert Hall. Between Private and Public Performance' (klik hier voor de gegevens). Brahms hoorde zijn liederen het liefst in een huiselijke, informele omgeving, puur als ‘Hausmusik'. Dat doet dan tevens herinneren aan de Schubertiades die zich rond Schuberts kring afspeelden, terwijl het ons bovendien bewust maakt van het feit dat deze liederen niet bedoeld zijn voor de concertzaal.

Zowel de tenor Robin Tritschler als de sopraan Harriet Burns toont grote affiniteit met de vele idiomatische aspecten van deze liederen, het is ontroerend en karakteristiek tegelijkertijd. Kortom een facetrijk en stralend recital vol sfeer, laverend tussen luchtigheid, naïeve vrolijkheid, weemoed, melancholie en gusto, met Graham Johnson als de 'begeleider' uit duizenden. De liedteksen zijn van o.a. Eichendorff, Rousseau, Hölty, Hebbel, Candidus, Lemcke, Allmers, Halm, Daumer en Alexis. En ja, Hyperion is nog een van de weinig labels die weinig op lijkt te hebben met muziekstreamingdiensten als Spotify, Tidal en Qobuz. U zult het daarom met de cover-afbeelding moeten doen...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links