CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2020

Brahms - The Final Piano Pieces

Brahms: Fantasien op. 116 - Intermezzi op. 117 - Klavierstücke op. 118 en 119

Stephen Hough (piano)
Hyperion CDA68116 • 69' •
Opname: mei 2014 (op. 116); december 2018 (St Silas the Martyr, Kentish Town, Londen (op. 116); St George's, Brandon Hill, Boston (VK)

 

Brahms overleed in 1897. Zijn laatste pianowerken, de Fantasien, Intermezzi en Klaverstücke dateren uit respectievelijk 1892 en 1893. Het jaar daarop, in september 1894, schreef hij aan zijn muziekuitgever Fritz Simrock: ‘Ist Ihnen übrigens aufgefallen, dass ich als Komponist deutlich Adieu gesagt habe? Das letzte der Volkslieder und dasselbe in meinem op. 1 stellen die Schlange vor, die sich in der Schwanz beisst, sagen also hübsch symbolisch dass die Geschichte aus ist'.

De slang die zichzelf in de eigen staart bijt… De cirkel die daarmee gesloten lijkt, de erkenning of bevestiging ook dat het levenswerk is beëindigd. Zo voelde Brahms dat in 1894. Al eerder, in 1890, vertrouwde hij zijn goede vriend Eusebius Mandyczewski (hij zou later de integrale uitgave van Brahms' werken bezorgen) toe dat hij na het Strijkkwintet op. 111 geen lust meer voelde om nog een groot werk te componeren, hij misschien daarvoor waarschijnlijk te oud was. In die stemming schreef hij in de zomer van 1891 op zijn vakantieadres in Bad Ischl zijn testament. Toch zouden er nog een aantal belangrijke werken uit zijn pen vloeien. Zo had zijn ontmoeting met de zeer begaafde klarinettist Richard Mühlfeld zelfs muzikaal verstrekkende gevolgen: we danken er zowel het Klarinettrio op. 114 en het Klarinetkwintet op. 115 als de beide Klarinetsonates op. 120 aan. Ook in Bad Ischl begon Brahms aan zijn laatste twintig pianowerken: op. 116, 117, 118 en 119. Eerst drie jaar later, in 1896, zou het laatste opus volgen: de elf koraalvoorspelen (‘O Welt, ich muss dich lassen') met als treurige aanleiding de dood van zijn vriendin Clara Schumann.

Natuurlijks is het maar wat men erin horen wil. Dat geldt niet alleen voor de late Brahms, maar ook voor bijvoorbeeld de late Mozart, Beethoven, Schubert en Liszt. Wat die laatste pennenvruchten, doorgaans op de top van de Parnassus, o zo duidelijk maken is dat ze hun culminatie te danken hebben aan een leven lang componeren. Dat Mozart en Schubert jong stierven doet daaraan niets af.

 
 

Brahms in 1894

Energie en inventie hoeven niet per se in elkaars verlengde te liggen (in de zin dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs voor is), maar logisch bekeken lijkt het wel zo. Wie ziek is of (levens)moe of gebukt gaat onder weinig florissante omstandigheden zal toch moeilijk de inspiratie vinden voor een werk waar de inventiviteit vanaf straalt. Misschien is dat het wel dat Bachs onvoltooid gebleven laatste werk, de fenomenaal geconstrueerde ‘Kunst der Fuge', met zich meedraagt. Niet in de zin dat het een minder geslaagd werk is geworden, integendeel zelfs, maar wel dat de in de kern mathematisch zeer streng vormgegeven melodische en harmonische architectuur Bachs laatste levensstadium heeft begeleid. Ik zie de zieke, inmiddels zeer bijziende componist diep voorovergebogen over zijn schrijftafel, de noten moeizaam neerpennend. Een verre van romantisch beeld.

Veelkleurige herfstbladeren die zich gestaag van de aloude eik losmaken, dat lijkt de verschijningsvorm te zijn van Brahms' laatste pianowerken. Ze zijn niet de laatste uitingen van een klassiek gevormde geest, maar ze kondigen wel het einde van een tijdperk aan waarin Brahms zich geschraagd wist door een grote schare bewonderaars en hem welgezinde critici (waaronder de beruchte Eduard Hanslick). Een tijdperk waarin Brahms eerder als eclecticus dan als vernieuwer (hij deelde dit artistieke profiel met Bach en Reger) een groot aantal zeer hoog gekwalificeerde werken afleverde. Pure schoonheid en dan ook nog in de meest uiteenlopende vormen (solorepertoire, kamermuziek, orkestwerken, oratorium). Brahms was een grootheid, een muzikale reus en de door de Britse pianist Stephen Hough op deze cd vastgelegde miniaturen bewijzen het nog eens ten overvloede.

Brahms verzuchtte weleens dat hij de melodische inspiratie van zijn tijdgenoot Antonín Dvorák miste. En hij sprak op een visitekaartje zijn bewondering uit voor de walsen van Johann Strauss: ‘Leider nicht von Johannes Brahms'. Maar de werkelijkheid is – gelukkig! – een andere: Brahms was wel degelijk een groot melodicus en ook in dit geval ligt het bewijs bij wijze van spreken voor het oprapen. Maar zijn muziek heeft ook een weerbarstige kant, wat weliswaar niet ten koste hoeft te gaan van haar toegankelijkheid, maar waarin wel lagen worden aangeboord die van een bijna kameleontische grilligheid getuigen. Wat per slot van rekening die muziek alleen maar interessanter maakt. Ook daarvan vinden we in deze miniaturen voorbeelden genoeg.

Het is uiteraard aan de musicus, in dit geval de pianist, om de vele fascinerende facetten van Brahms' laatste pianowerken te belichten. Dat is geen sinecure. Zowel in technisch (menig stuk is aanmerkelijk lastiger te realiseren dan op het eerste gezicht lijkt) als interpretatief opzicht. Muziek van deze aard, afwisselend sober en somber, maar ook nog vol vuur en compositorisch vernuft, wordt pas echt groot als de interpreet zelf groot is. Denk in dit verband aan Julius Katchen, Emil Gilels of Svjatoslav Richter, of recent Grigor Sokolov. Nicholas Angelich, Piet Kuijken (op een Streicher uit 1868) of Arcadi Volodos. Grote namen die ons in Brahms' vele pianowerken fascinerende vergezichten hebben geboden.

Is het altijd te benoemen, die grootheid? Misschien is dat wel een van de meest betoverende kenmerken van zowel de muziek als de vertolking ervan: dat de analyse die betovering niet weet te doorbreken, laat staan verklaren. Gelukkig maar…

Hough is een pianist van groot formaat. Dat heeft hij ettelijke keren bewezen, zowel op het concertpodium als in de studio. Ik zou hem in een adem willen noemen met twee andere bekende landgenoten: Howard Shelley en Imogen Cooper. Pianisten op wier spel op de keper beschouwd feitelijk niets valt af te dingen. Het lijkt er allemaal te zijn, maar toch ontbreekt er bij Hough dat onnavolgbare, dat onaanraakbare en dat onbegrijpelijke: kort samengevat de betovering. Niet dat sprake is van een zekere mate van rechtlijnigheid, maar qua expressie biedt dit discours niet de magie die andere pianisten er wel in wisten te leggen. Dat onuitsprekelijke, bijna visionaire. Waarbij ik gelijk moest denken aan de in mijn ogen in dit repertoire onovertroffen Emil Gilels (de pianist ook die - niet toevallig - de Lyrische Stukken van Grieg naar ongekende hoogten wist te brengen). En omdat dit niets anders kan zijn dan een subjectieve vaststelling laat ik het graag aan u over om er geheel anders over te denken. Aan de opname ligt het in ieder geval niet.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links