CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2008


 

Brahms: Begräbnisgesang op. 13 - Schicksalslied op. 54 - Symfonie nr. 1 in c, op. 68.

Mendelssohn: Mitten wir im Leben sind op. 23 nr. 3.

Monteverdi Choir, Orchestre Révolutionnaire et Romantique o.l.v. John Eliot Gardiner.

Live-opnamen (Royal Festival Hall, Londen en
Salle Pleyel, Parijs - oktober/november 2007).

Soli Deo Gloria SDG 702 • 76' •


Het was een uitstekend idee om dit Brahms-project in de context van enige van Brahms' tijdgenoten te plaatsen (in dit geval Mendelssohns a cappella 'Mitten wir im Leben sind', gecomponeerd in 1830), maar ook om de symfonieën van Brahms met zijn koorwerken te combineren. Vanuit het historische perspectief bezien levert dit de kenmerken van een soort allogamie op die een groter effect sorteren dan bijvoorbeeld de al zo vaak beproefde, zo niet traditionele koppeling (bijvoorbeeld de Eerste symfonie met de beide ouvertures, de Tweede met de Haydn-variaties, enz.).

Het gebruik van authentieke instrumenten (replica's welteverstaan) is een extra pre omdat deze muziek daardoor duidelijk aan spanning wint. Dat valt weliswaar minder op bij de met darmsnaren bespannen strijkinstrumenten, maar des te meer bij bijvoorbeeld de natuurhoorns en de pregnante houtblazers. Niet minder belangrijk is de doorzichtige klank die Gardiner met zijn ensemble heeft weten te realiseren. Wie ooit heeft gedacht dat Brahms' textuur 'dik' of 'overladen' is, kan daarvan nu hopelijk voorgoed worden genezen. Een ander sterk punt van deze uitvoeringen is het vermijden van overexpressiviteit, een eigenschap van zovele Brahms-interpretaties. Niet dat Gardiner als een boekhouder te werk is gegaan, maar hij heeft doelbewust gekozen voor een model waarin enerzijds strikte ritmische en dynamische discipline voorop staat, maar anderzijds de fraseringen en de tempi bijna 'vloeibaar' zijn gemaakt. Dat beeld vinden we overigens ook terug in de Beethoven-symfonieën die het ensemble in 1990/91 voor het Archiv-label vastlegde (klik hier voor de recensie). Gardiner was toen 48, nu 65, maar zijn opvattingen zijn minder ingrijpend gewijzigd dan hij zelf in interviews doet voorkomen. We kunnen eigenlijk op grond van Gardiners fundamentele visie de sterke verbondenheid tussen de finale van Beethovens Negende en die van Brahms' Eerste gewoon niet missen: alsof Brahms (en dus daarmee Gardiner!) wilde bewijzen dat hij geen koor nodig had om een opzienbarend effect te bereiken (een soortgelijk fenomeen vinden we overigens in de coda van het openingsdeel van deze Eerste). Er zijn wel meer dirigenten geweest die dit wel of niet bewust hebben gedemonstreerd (met name Furtwängler, Klemperer en Karajan), maar bij Gardiner komt het klip en klaar onversneden naar voren, wat zeker ook samenhangt met zowel het 'authentieke' orkestkoloriet als de ritmische en dynamische precisie. Dat maakt het trouwens extra interessant om het 'Schicksalslied' als puur koorwerk af te zetten tegen de Eerste symfonie. Het is zelfs fascinerend als we - zoals hier op de cd - de confrontatie aangaan tussen de esthetische coda in C-groot van het 'Schicksalslied' (1871) en de dreigende orkesttutti met zijn beukende pauken in c-klein van de symfonie (1876).

Brahms in 1892

Ook Brahms' verbondenheid met Robert Schumann lijkt de Eerste symfonie niet onberoerd te hebben gelaten. We horen immers niet alleen duidelijk het tweede thema uit de 'Manfred'-ouverture (1848) voorbij komen (openingsdeel, maten 130-134), maar herkennen in de gehele broeierige, gespannen atmosfeer van dat Allegro een aantal typische schumanneske stijlkenmerken. Die parallel vinden we misschien nog wel sterker terug in de opening van Brahms' Eerste pianoconcert, waaraan hij op zijn eenentwintigste begon, kort nadat Schumann een zelfmoordpoging had ondernomen en feitelijk (mede) bedoeld was als een hommage aan zowel Robert als Clara. Wie op zoek gaat naar vele dwarsverbanden zal dus zeker niet worden teleurgesteld.

Gardiner ziet binnen de gelaagde contouren van de 'symfonische' Brahms de hiërarchische scherpte die in zijn visie ondergeschikt is aan de klankesthetica. Hij schrijft of zegt het nergens, maar het blijkt overduidelijk uit zijn aanpak. Dat horen we al aan het begin van de symfonie, als de hoorns zich snerpend een weg baant langs schrille houtblazers en verbeten strijkers, de harmonische fundamenten stevig verankerd in de bassen en de pauken die hun diepe c's er als het ware uit rámmen. Het expansieve discours wordt extra luister bijgezet door de herhaling van de expositie, waardoor we tevens de maten 187-188 er als het ware bijgeleverd krijgen. Die herhaling is, in termen van werkstructuur en muzikale impact, net zo cruciaal als in bijvoorbeeld de openingsdelen van Beethovens Eroica en Schuberts Negende (maar desondanks wordt die in de meeste uitvoeringen genegeerd). De enorme climax, die bij maat 474 (13:56) wordt bereikt, zet wat mij betreft de kroon op Gardiners dramatische aanpak. Met Gardiners tempokeus voor het derde deel, met het tempovoorschrift Un poco allegretto e grazioso, ben ik het principieel oneens. De vraag is natuurlijk wat 'un poco' ('een beetje') hier precies inhoudt. Het kan immers twee richtingen op, maar ik vind dat Gardiner hier een te snel tempo koos, wat afbreuk doet aan het lieflijke, tedere karakter ervan. Het contrast met het trio wordt er wel door versterkt, maar dat is van ondergeschikt belang. De inzet van de finale had iets mysterieuzer, meer opkomend vanuit de diepte, in plaats van deze nogal nuchtere aanpak. De 'drive' is echter enorm, de spankracht van grote allure, wat nog eens door de herhaling van de expositie in het openingsdeel (een zeldzaamheid) uitdrukkelijk wordt bevestigd. Dat het klankbeeld af en toe naar het hoekige neigt vind ik eerder een voor- dan een nadeel: hier wordt met volle overgave 'ongelikt' gemusiceerd, wat Brahms' gepassioneerde concept alleen maar ten goede komt. Dit wordt trouwens in de hand gewerkt door het bewust gedoseerde vibrato (een wezenskenmerk van Gardiners opvatting en passend bij de stijl uit die periode) en de scherp gearticuleerde frasering.

De drie koorstukken zijn bepaald geen 'opvullers' en worden zonder uitzondering glanzend vertolkt. Het Schicksalslied krijgt hier zelfs de dimensie van 'Ein deutsches Requiem'. Het Monteverdi Choir is magnifiek en mengt zich optimaal met de donkere orkestklank.

Dat de opname is gemaakt op twee verschillende lokaties die in akoestisch opzicht sterk verschillen is door de opnametechnici overtuigend opgelost. De doorzichtige en heldere opname laat bovenal duidelijk horen dat Brahms een meester was in de behandeling van de hoofd- en nevenstemmen, wat tevens zoveel wil zeggen dat ook de meer ondergeschikte partijen (altviolen bijvoorbeeld) een ware lust voor het oor vormen.

Noot: Op 13 oktober 2008 zijn het Monteverdi Choir en het Orchestre Révolutionnaire et Romantique te horen in het Concertgebouw te Amsterdam. Van Johannes Brahms worden de Vierde symfonie in e, opus 98 én de Fest- und Gedenksprüche, opus 109 uitgevoerd.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links