CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2017

 

Tobias Borsboom - Wanderer

(Ter) Veldhuis: Saudade (2012)

Liebermann: Pianosonate nr. 3 op. 82 (2002)

Vigh: Perpetuum mobile (2014) (opgedragen aan Tobias Borsboom)

Sciarrino: Perduto in una citta d'acque (1991)

Chopin: Nocturne nr. 4 in F, op. 15 nr. 1 - nr. 12 in G, op. 37 nr. 2 - nr. 13 in c, op. 48 nr. 1

Schubert: Fantasie in C, D 760 (Wanderer)

Tobias Borsboom (piano)

7 Mountain Records 7 MNTN-007 • 78' •

Opname: mei, september en oktober 2016, MCO Studio 1, Hilversum

 

Tobias Borsboom (1988), een intelligent musicus die bereid is om risico's te nemen. Zo luidde het oordeel van de jury van Dutch Classical Talent Tour & Award. Het is een oneliner die op zich niet zoveel zegt. Bovendien, klassieke muziek (hoe beperkt dit begrip op zich ook is) is niet bepaald bij uitstek het medium dat risico's gemakkelijk verdraagt. Waarbij bovendien een helder onderscheid dient te worden gemaakt tussen het nemen van risico's op het podium ('once-in-a-life-time') en in de studio (de opname moet tegen herhaald beluisteren bestand zijn). Het is en blijft een lastig onderwerp: enerzijds is daar het voortdurende streven naar oorspronkelijkheid en anderzijds de beperking van het notenbeeld. In de jazz heeft men daar geen last van en kan vrij worden geïmproviseerd, zo wordt gezegd. Tot men tot de ontdekking komt dat het wemelt van de sjablones. Ik bedoel maar...
Wat musicus en componist in ieder geval met elkaar gemeen hebben is dat er altijd een geschiedenis is die als vertrekpunt geldt. Voor wie en voor wat dan ook. Het mag nog zo miniem zijn, er is altijd dat ‘iets' dat het verleden verbindt met het heden. Een feit is ook dat het instuderen van nieuwe of onbekende composities de interpreet in letterlijke zin nieuwe wegen opent. Dat betekent al op voorhand een niet geringe voorsprong. Zij het dat die kleiner wordt naarmate meer vertolkers zich er vervolgens aan wagen. Een 'unique selling point' gaat - net als een wereldrecord - meestal niet zo lang mee.

Synergie
Het is zeker voor een jonge musicus verstandig (als het al niet koel berekenend is!) om de muziek die uit een verleden stamt en waarvan talloze geweldige interpretaties bestaan, te combineren met nieuw of onbekend werk. Het is net als bij goed programmeren: het doet op beide een nieuw licht schijnen, al is het dan alleen binnen de context van dat uitgebalanceerde programma. Dat levert, mits de interpretatie daartoe aanleiding geeft (uiteindelijk valt of staat daar alles mee), de nodige synergie op. Dat is wat op deze nieuwe cd gebeurt.

Twee eeuwen
Wanderer
, de titel van deze nieuwe cd, laat aan duidelijk niets en aan de verbeelding alles over. De titel houdt rechtstreeks verband met het afsluitende kroonjuweel, Schuberts ‘Wanderer-Fantasie' uit 1822. Het ‘jongste' stuk is van Ter Veldhuis, ‘Saudade' uit 2012. Er huizen maar liefst bijna twee eeuwen tussen. Het gehele programma lijkt te worden beheerst door het idee dat oude en nieuwe muziek bij elkaar horen, geen aparte woningen behoren te zijn, laat staan met een hermetisch gesloten toegangsdeur. Dat men als luisteraar, door nieuwsgierigheid gedreven, vrij in en uit kan lopen, nieuwe indrukken kan opdoen en oude kan vernieuwen.

Retrospectief
Het ‘wandermotief' stamt uit de Romantiek. Daarbij gaat het niet zozeer om de handeling zelf, om het ‘gehen', maar om de expressie van persoonlijke gevoelens van heimwee en verlangen, een retrospectief dat door het beeld van een nogal onherbergzame natuur nog eens uitdrukkelijk wordt versterkt (wie kent niet het schilderij 'Der Wanderer über dem Nebelmeer' van Caspar David Friedrich). Dat er een wandelaar in het spel is die zich verlaten voelt en op weg is naar onbestemde verten heeft in puur muzikaal opzicht geen andere functie dan die van de allegorie. Het was wel een uitermate belangrijke functie. Schubert was er een grootmeester in.

Ich komme vom Gebirge her
Het programma van Borsbooms nieuwe cd is deels op dat 'wandermotief' gestoeld. Het kan gelden voor ‘Saudade' (nostalgie) en ‘Perduto in una città d'acque (naar mijn gevoel toch meer als titel dan naar inhoud) en in overtreffende trap – ik zou haast zeggen natuurlijk – in Schuberts onvolprezen Wanderer-Fantasie, het zelfstandige pianowerk dat zijn kiemcel ontleend aan het door hem op muziek gezette gedicht van Georg Philipp Schmidt von Lübeck, het lied ‘Der Wanderer' D 493:

Ich komme vom Gebirge her,
Es dampft das Tal, es braust das Meer,
Ich wandle still, bin wenig froh,
Und immer fragt der Seufzer, wo?

Die Sonne dünkt mich hier so kalt,
Die Blüte welk, das Leben alt,
Und was sie reden, leerer Schall,
Ich bin ein Fremdling überall.

Wo bist du, mein geliebtes Land,
Gesucht, geahnt, und nie gekannt?
Das Land, das Land so hoffnungsgrün,
Das Land, wo meine Rosen blühn;

Wo meine Freunde wandelnd gehen,
Wo meine Toten auferstehen,
Das Land, das meine Sprache spricht,
Das teure Land, hier ist es nicht.

Ich wandle still, bin wenig froh,
Und immer fragt der Seufzer, wo?
Im Geisterhauch tönt's mir zurück,
Dort, wo du nicht bist, ist das Glück.

Geen enkel misverstand daarover: dit is de ‘wanderer' ten voeten uit. Een treffender gedicht zal men niet gemakkelijk vinden. Alle ‘romantische' elementen zijn erin verweven. Het bijna orkestrale gewaad van de Wanderer-Fantasie (de titel is niet van hem) inspireerde Liszt zelfs tot een bewerking als ‘miniconcert' voor piano en orkest. Merkwaardig is dat Schubert het stuk in vier delen opbouwde en dat het desondanks een rechtstreekse aanval lijkt op die oude, zo vertrouwde sonatevorm. Zoals veel later Ravel korte metten maakte met de ‘Wiener Walzer'. Het resultaat: distortie, disruptie en uiteindelijk ontreddering.

Metamorfose
Disruptie is naast distortie ook in veel moderne annex eigentijdse muziek een factor van belang geworden. Muziek die onschuldig kan beginnen, maar in het discours een veel minder onschuldige metamorfose ondergaat. Dat niets meer is wat het ogenschijnlijk leek, licht en schemering onontwarbaar worden, vaste vormen hebben plaatsgemaakt voor wanorde, de structuur zich zelfs niet meer op het gehoor alleen laat onderscheiden en het aan de vertolker is om de complexiteit van al die verschillende draden toch een herkenbaar gezicht te geven. Of dat nu juist niet moet doen... Het cliché gaat met de collage ten onder, expressionisme, impressionisme en symbolisme lopen dwars door elkaar. Muziek die niet meer vertrouwd is maar in een nieuwe, veelal verwarrende connotatie, buiten de eigen betekenis treedt. Het beeld zwiept voortdurend heen en weer, de contrasten zijn ondanks of juist door de wanorde ongekend groot. Dat kan binnen één werk het doel zijn, maar dat kan ook binnen één programma. Met de daartoe ingezette middelen maken we wel of niet opgetogen kennis. Dat kan in de concertzaal, geheel onvoorbereid, een hele opgave zijn. Via de cd verloopt dit proces meer gestroomlijnd. We zijn dan immers meester van plaats en tijd. Het is iets om over na te denken: een programma op het podium of een programma in de studio. Dat raakt zowel musicus als toehoorder. In de volmaakte rust van de studio kan de denkbeeldige luisteraar thuis werkelijk de stuipen op het lijf worden gejaagd... Wat de vertolker in hoofd en handen heeft, waarmee hij na veel exploratie-arbeid volkomen vertrouwd, zo niet vergroeid is geraakt, kan elders inslaan als een bom. Hoe kunstzinnig dat projectiel ook mag zijn...

Fascinerende stemmingsbeelden
Ook in dit door Tobia Borsboom samengestelde programma lijkt ontwrichting een wezenlijke component. En als het dat niet is, dan is het sterke contrast een belangrijke factor in het spel. Zo is de overgang van het in halftinten gestoken ‘Saudade' naar de tussen pianistisch monolith en bartókiaanse syncopen laverende Derde sonate van Liebermann net zo groot als die tussen Vighs ‘Perpetuum mobile' en Sciarrino's ‘Verloren in een stad van water'. Tobias Borsboom (1988) zal hebben begrepen, nee doorzien, dat het uitsluitend aan hem was om deze fascinerende stemmingsbeelden ieder hun eigen plaats in het geheel te geven en toch te suggereren dat ze gezamenlijk in dezelfde kamer thuishoren. Hij kan dat, alsof die zo verschillende composities toch onwrikbaar zijn vastgeklonken aan een grootste gemene deler die verder niemand kent, maar die wel de luisteraar in zijn macht krijgt; en niet omgekeerd. In ruim 78 minuten de wereld rond is misschien wat overdreven gezegd, maar we bevinden ons wel in een fantasierijke en zeer afwisselende wereld die de grote pianistische kwaliteiten van Borsboom tot in de finesse recht doet. En even belangrijk: hij voelt deze acht stukken werkelijk onder de interpretatieve huid, hij doet ermee wat hij wil, hij tovert associaties en connecties uit een imaginaire hoge hoed. Is dat niet synoniem aan tovenarij? Klankkleuren, dynamische accenten, fraseringen, de ritmische profilering, het pedaal, hij speelt er mee, schept de illusie van een groot improvisator en laat het nieuwe klassiek en het klassieke nieuw klinken. Borsbooms interpretatie van Schuberts Wanderer-Fantasie vormt een blauwdruk voor het gehele recital: technisch volkomen trefzeker, de dramatiek en lyriek fraai uitgelicht, de expressie tot aan de uiterste grenzen maar altijd beheersbaar, de virtuositeit uitsluitend ten dienste van de expressie en het geheel omrand door een feilloos structuurbesef.
Tobias Borsboom, een groot pianist. Nee, een groot vertolker. De door Frerik de Jong gemaakte opname van de Steinway D is weer een juweel.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links