CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2017

 

Bloch: Suites nr. 1-3 voor cello solo

Dallapiccola: Ciaccona, Intermezzo e Adagio

Ligeti: Sonate voor cello solo

Natalie Clein (cello)

Hyperion CDA68155 • 65' •

Opname: oktober 2015, Parish Church of St John the Baptist, Loughton, Essex (VK)

 

Muziek met een joodse tongval, zo klinkt een groot aantal composities van de in Genève in 1880 geboren en in het Amerikaanse Portland (Oregon) in 1959 overleden Ernest Bloch. Maar er is meer dan dat, zoals de in zijn muziek ook doorklinkende Duits georiënteerde laatromantiek, vermengd met de Tweede Weense School en het neoclassicisme. Maar het zijn toch de van zijn voorouders geërfde joods-synagogale stijlelementen die in zijn werk de boventoon voeren en die hij later aan de generatie joodse componisten na hem heeft doorgegeven. Toegegeven, de naar muziek 'vertaalde' joodse wortels maakte hem niet tot een nieuwlichter en al evenmin tot een in een oorspronkelijke stijl schrijvende componist, maar emotioneel treft het emotionele evocatieve en daardoor sterk beeldende karakter van zijn muziek wel het hart. In die muziek ligt de ziel van de de joodse gezangen en de sjofar ingebed. Soms is het niet meer dan een vluchtige weerspiegeling van het jiddische karakter, van het typisch Hebreeuwse melos. Wat dan overheerst is dat diep gewortelde bewustzijn van het joods zijn dat uiterlijke vorm en inhoud oversteeg. Dat geldt dan met name voor de drie cellosuites die aan het einde van leven ontstonden, nadat Bloch zjjn docentschap aan de Universiteit van Californië in Berkeley had beëindigd en hij zich thuis in Agate Beach in Oregon volledig aan het componeren kon wijden. Het is prachtige muziek die ook bij zijn overtuiging past dat puur nationalisme geen essentieel bestanddeel van de muziek hoefde uit te maken, maar raciaal (als positieve connotatie) bewustzijn juist wel. Voor Bloch waren dat twee volkomen verschillende zaken: ‘I am a Jew and I aspire to write Jewish music, not for the sake of self-advertisement, but because I am sure that this is the only way in which I can produce music of vitality and significance – if I can do such a thing at all! The racial quality is not only in folk-themes, it is in myself', zo schreef Bloch in 1927. Het betekende voor hem niet uitsluitend denken in het Hebreeuws gekleurde idioom of in joods gezang. Bovendien, wat in zijn ogen en oren oud en vertrouwd was behoefde niet per se joods te zijn; al zijn de scheidslijnen ook op dit vlak niet zo gemakkelijk te trekken. Muziekstijlen laten zich trouwens niet zo keurig begrenzen als zijn het piketpaaltjes in de grond. Niemand hoeft er dus verbaasd over te zijn dat de afstand tussen Schelomo (1916) en deze cellosuites (1957) bijna provocerend groot is. Stijlontwikkeling schrijdt voort met de tijd en dan kunnen twee decennia veelbetekenend zijn. Componeren komt niet alleen voort uit de compacte massa die ‘inspiratie' wordt genoemd, maar ook uit een samenstel van theoretische en empirische kennis, ervaring en opgebouwde levenswijsheid.

De drie cellosuites van Bloch vormen de hoofdader van deze cd, maar er zijn ook nog twee boeiende zijkanalen die wat de stroomrichting betreft daarmee niet eens zo uit de pas lopen. Dallapiccola's Ciaccona, Intermezzo en Adagio uit 1945 kan evenmin joodse invloeden worden ontzegd, hoewel hij niet en zijn vrouw wel joods was. Of het een eerbetoon aan haar was? Misschien de Ciaccona. Het weerbarstige karakter van het Intermezzo (‘Allegro, con espressione drastica') heeft veel weg van een instrumentaal vormgegeven protest, het Adagio beweegt zich in dezelfde serene stratosfeer als het slot van Bergs Vioolconcert. Alsof Dallapiccola een bijzondere stem wilde geven aan al die naamlozen die slachtoffer werden van het fascisme. Hij was al vanaf de late jaren dertig een felle antifascist, wat onder meer sterk tot uitdrukking komt in de ‘Canti di prigonia' (‘Liederen van gevangenschap'), die ten doop werden gehouden in Rome op 11 december 1941, uitgerekend op de dag dat de Italiaanse ‘duce' Mussolini de Verenigde Staten de oorlog verklaarde, vier dagen na de Japanse aanval op Pearl Harbor.

Ligeti's Sonate voor cello solo ontstond in 1948 en werd in 1953 voltooid, drie jaar voordat de Hongaarse opstand zou losbreken. Hoewel Ligeti met zijn landgenoten zat opgesloten in een land achter het IJzeren Gordijn is het stuk niet politiek gekleurd. Ligeti was tijdens zijn laatste studiejaar op het conservatorium hevig verliefd geraakt op een medestudente. En wat doe je dan? Precies. ‘Dialogo', is niets anders dan een in muziek verwoord liefdesgedicht. Helaas, zijn gevoelens werden niet beantwoord: ze bedankte hem vriendelijk voor de geste, maar zou het stuk nooit in zijn bijzijn uitvoeren. Vijf jaar later was het de Hongaarse celliste Vera Dénes die hem om een compositie voor cello solo vroeg. Ligeti besloot om ‘Dialogo' uit te breiden met een dartelend ‘Capriccio'. Zo ontstond deze Sonate voor cello solo. Hoewel niet specifiek geënt op de typisch Hongaarse muzikale folklore zijn er wel degelijk invloeden van Hongaarse volksmuziek in het kleurrijke opus te ontdekken. De Frygische modus waarvan de componist zich in ‘Dialogo' bedient lijkt op een hommage aan zijn vroegere leermeester Kodály. In ‘Capriccio' slaat Ligeti duidelijk een brug tussen Paganini's en Bartóks moto perpetuo.

Het spel van de Engelse celliste Nathalie Clein (1975, Poole, Dorset) is in een woord verbijsterend. Ze demonstreert een onwaarschijnlijk stevige greep op deze zeker wat de muziek van Dallapicola en Ligeti betreft zeer weerbarstige materie die gepaard gaat met een intense muzikaliteit die ook de drie suites van Bloch naar een voor mij ongekende hoogte stuwt. Het is die bijzondere combinatie van perfect gedoseerd temperament en stralende expressiviteit die mij al gelijk na een paar minuten deed zwichten voor dit wonderbaarlijke spel. Wat een attaque, hoe idiomatisch! In de trant van zo moet het, het kan, nee het mag niet anders. Ik weet het, het is een illusie die wordt opgeroepen maar het getuigt van groots cellospel, van onweerstaanbare vertolkingen, waarbij ik het over de techniek niet eens hoef te hebben. Clein brengt de intimiteit van die eenzame cello naar een muzikaal veel grotere gevoelswereld. Het is haar rijk geschakeerde spel waarmee zij moeiteloos de deur opent naar steeds weer nieuwe perspectieven waarvan het bestaan ervan pas achteraf goed doordringt. De opname laat moeiteloos horen dat de akoestiek van het kerkje van Johannes de Doper in Loughton voor Clein de ideale partner moet zijn geweest.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links