CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2019

Berlioz: Messe Solennelle

Adriana Gonzalez (sopraan), Julien Behr (tenor), Andreas Wolf (bas), Le Concert Spirituel o.l.v. Hervé Niquet
Alpha 564 • 52' •
Opname: juni 2019, Chapelle Royale, Château de Versailles

   

Het lijkt wel een sprookjesverhaal, maar de waarheid is er toch niet minder om: de ontdekking in 1991 van de partituur van Berlioz' 'Messe Solennelle, tot dan weggestopt op een Antwerpse orgelzolder. Het was een afschrift van (waarschijnlijk) het originele manuscript waarvan Berlioz had beweerd dat hij het - na een aantal minder succesvolle uitvoeringen - had vernietigd (alleen het Resurrexit ontsnapte vreemd genoeg aan Berlioz' vernietigingsdrang). Een beetje halfhartig misschien, want Berlioz had eeder wel een afschrift aan een Belgische vriend gegeven, ongetwijfeld met de bedoeling het werk daar te laten uitvoeren. Zo gaat althans het verhaal.

Nadat eenmaal dat afschrift boven water was gekomen kon het vrij kort daarna, in 1992, alsnog worden opgenomen in de door de musicoloog Hugh Macdonald voortreffelijk gerunde New Berlioz Edition. Waarna John Eliot Gardiner met zijn Orchestre Révolutionnaire et Romantique en Monteverdi Choir de eerste was om de mis uit te voeren, in achtereenvolgens Bremen, Wenen, Madrid, Rome en Londen. Van de uitvoering in Westminster Cathedral verscheen later de Philips-opname als 'world premiere recording'.

Wie het werk eenmaal heeft gehoord zal zich ongetwijfeld met verbijstering afvragen waarom Berlioz door het geheel een dikke streep heeft gehaald. En waarom de componist van het Resurrexit geen afstand deed, maar het wel alsnog herschreef (in de Gardiner-opname zijn de beide versies opgenomen, op dit nieuwe Alpha-album echter alleen de herschreven versie).

Toegegeven, niet alles in deze muziek bruist en fonkelt, maar een belangrijk deel behoort wel degelijk tot het beste wat Berlioz heeft geschreven, waaronder het diep ontroerende Incarnatus en O salutaris, en het werkelijk hemelse Agnus Dei. Dat hemelse of iets soortgelijks moet Berlioz ook hebben gevoeld, want hij nam het later op in zijn groots opgezette Te Deum. Maar er is meer dat in andere vorm elders terugkeert: een deel van het Gloria treedt opnieuw aan in Benvenuto Cellini en het daarop volgende Gratias in de Symphonie fantastique (Scène aux champs). De trompetfanfares in het Resurrexit herinneren onmiskenbaar aan die in het Requiem.

Toch heeft de toen 20-jarige toondichter er - misschien met brekend hart - afstand van gedaan. Gardiner - en hij niet alleen - heeft gesuggereerd dat Berlioz een deel van het werk te 'academisch' vond, terwijl andere delen nu juist een revolutionaire springplank vormden naar zijn latere stijl. Zijn compositieleraar zal het met de vernietiging in ieder geval niet eens zijn geweest, want voor hem was de mis de belofte van een belangrijke componist.

Niquet en zijn Le Concert Spirituel (koor en orkest) hebben, hoe kan het anders, zoveel mogelijk gekozen voor een authentieke benadering van deze partituur, al moeten we het - anders dan bij Gardiner - wel zonder de ophicleïde stellen: het in die tijd gebruikelijke koperen blaasinstrument dat was uitgerust met kleppen in plaats van ventielen en dat zich in het tenor- en basregister deed gelden. Wel is er ook bij Niquet de buccin, het instrument met grosso modo de klankeigenschappen van de trombone en vooral gebruikt in de Franse militaire bands in de eerste helft van de negentiende eeuw.

Gardiner biedt met zijn 'troepen' een op sommige punten net iets snediger en (nog) scherper geprofileerde benadering van deze zo facetrijke partituur met daarnaast ietwat pittiger tempi, wat tevens een uitstekend tegengif blijkt te zijn tegen de soms inzakkende spanning. Hij had bovendien het voordeel van het uiterst gedisciplineerde, maar desondanks 'vrij' zingende Monteverdi Choir, terwijl de solistische bijdragen elkaar niet veel ontlopen. Winst is ook dat in de Philips-opname mede dankzij minder galm de stemvoering in zowel de orkest- als koorpartijen nog beter tot zijn recht komt. Maar zowel Niquet als Gardiner laten het gehele ensemble op de spreekwoordelijke punt van de stoel musiceren (het Resurrexit staat daarvoor model). In lyrisch opzicht zijn de contrasten onder Niquet net zo fijnzinnig uitgewerkt als onder Gardiner en wordt voldoende ruimte gecreëerd voor contemplatieve bespiegeling en ontroering. Op o.a. Spotify kunt u beide uitvoeringen prima naast elkaar zetten (de uitvoering op het Koch-label, geleid door J. Reilly Lewis, viel al direct af).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links