CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2018

 

Berlioz: Grande Messe des Morts (Requiem) op. 5

Solo: Bror Magnus Tødenes (tenor)
Koren: Collegiûm Mûsicum, Edvard Grieg Kor, Royal Northern College of Music, Bergen Philharmonic Choir
Orkesten: Eikanger-Bjørsvik Musikklag, Bergen Philharmonic Youth Orchestra, Crescendo, Bergen Philharmonic Orchestra
Dirigent: Edward Gardner
Chandos CHSA 5219 • 81' • (sacd)
Live-opname: mei 2018, Bergen International Festival, Bergen (Noorwegen)

   

Hector Berlioz voltooide zijn ‘Grande Messe des Morts', de ‘Grote Mis van de Doden', in 1837. Het opdrachtwerk (de minister van binnenlandse zaken was de opdrachtgever) werd op 5 november van dat jaar voor het eerst uitgevoerd, op 5 november, in de Franse hoofdstad, met François Habeneck als de dirigent die het grote ensemble in een ferme greep moest zien te houden. De aanleiding: de door de staat georganiseerde herdenking van de soldaten die sneuvelden tijdens de bloedige revolutie van juli 1830.

Er gaat het verhaal, door de componist zelf in het leven geroepen, dat Habeneck tijdens het Tuba mirum zijn dirigeerstok weglegde om een snuifje uit zijn tabaksdoos te kunnen nemen. Berlioz zag het gebeuren, rende naar het podium en nam kordaat de leiding over. Na afloop klonk minutenlang een daverend applaus.

Berlioz' Requiem heeft allesbehalve het devote karakter van een dodenmis. Het magnum opus kan eerder worden gedefinieerd als een theatraal meesterwerk (en niet alleen in de zéér luide passages), waarin de componist voor de schildering van ‘De Dag des Oordeels' werkelijk alle mogelijke middelen uit de kast heeft gehaald om die zo afschrikwekkend mogelijk te schilderen, met in het Tuba mirum de fameuze koperfanfares in de vier hoeken van de zaal (zeker in 'surround' een grootse belevenis), en dan ook nog aangevuld met het schrikbarende tumult van veel paukengeweld. Daar staat in dit werk echter slechts één solist tegenover: de tenor die alleen in het Sanctus van zich laat horen. Maar hoe theatraal ook opgezet, het beschouwende, zelfs lyrische karakter ervan is net zo evident. Berlioz heeft wel degelijk een indrukwekkend evenwicht weten te bereiken tussen het massale en het intieme, tussen een door pracht en praal omgeven klankarchitectuur en fijnzinnig vormgegeven, beschouwende momenten.

Deze uitvoering op het Chandos-label (in de tweede en tevens laatste door Berlioz gereviseerde versie uit 1867) kwam tot stand in het kader van het Noorse Bergen Muziekfestival ( de Noorse pianist Leif Ove Andsnes heeft er al jarenlang een belangrijk aandeel in). Het is live opgenomen, bepaald geen sinecure met het oog op deze grote bezetting. U hebt het ongetwijfeld in de kop van deze recensie al gezien: het festival heeft veel uit de kast getrokken om deze uitvoering mogelijk te maken, met maar liefst vier koren en vier als het ware in elkaar geschoven orkesten. Het resultaat is niet alleen qua klank, maar ook wat de vertolking betreft overweldigend. Gardner treedt interpretatief hiermee duidelijk in de toch al kolossale voetsporen van Colin Davis, maar profiteert bovenal van een nog betere opname. De tenor Bror Magnus Tødenes lijkt er wat bleekjes bij af te steken, maar die rol past wel bij het ingehouden Sanctus, terwijl de opnamestaf bovendien bewust lijkt te hebben gekozen voor een ietwat diffuse opstelling. Het meest verbazingwekkend is misschien wel dat uit zoveel verschillende vocale en instrumentale ensembles zo'n hechte uitvoering kon worden gesmeed. Petje af, niet alleen voor Edward Gardner (hij is chefdirigent van de Bergen Philharmonic), maar ook voor koorrepetitor Hakon Matti Skrede en ‘leader' David Stewart.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links