CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2019


Sir Richard Rodney Bennett - Orchestral Works Volume 4

Bennett: Troubadour Music (2006) - Pianoconcert (1968) - Aubade (1964) - Country Dances (2001) - Anniversaries (1982)

Michael McHale (piano), BBC Scottish Symphony Orchestra o.l.v. Jon Wilson
Chandos CHSA 5244 • 66' • (sacd)
Opname: juli 2019, City Halls, Glasgow (VK)

   

De Amerikaanse muziekjournalist Bruce Duffie durfde het aan om in maart 1988 in een interview met de componist een nogal impertinente vraag te stellen: of diens muziek wel zo geweldig was? Bennett toonde zich niet in zijn wiek geschoten, maar reageerde onverwacht met een bulderende lach: “Ik denk dat een deel ervan mooi en veel ervan nuttig is; en dat is alles wat ik ervan wil zeggen.”

Of hij het daarmee bij het rechte eind had? Zijn bekendheid als met name filmcomponist doet op zijn minst vermoeden dat hij op dit punt wel gelijk had. Filmproducers wisten hem te vinden, zoals blijkt uit onder andere 'Far from the madding crowd' (1967), 'Murder on the Orient Express' (1974), 'Enchanted April' (1992) en 'Four weddings and a funeral' (1994). En hij had een schare bewonderaars in de jazzscene: de sessies in het op een steenworp afstand van Broadway gelegen Algonquin Hotel met Bennett als de pianist hadden zelfs een legendarische status. New York was de stad waar hij zich het beste thuis voelde en die mede tot inspiratiebron heeft gediend.

Wat zijn composities in het algemeen betreft is het laatste woord uiteraard aan de luisteraar, nadat de musici het voorwoord hebben uitgesproken. Zo werkt dat nu eenmaal. Dat wist Bennett natuurlijk ook, getuige zijn uitspraak in datzelfde interview: “I don't want to write for me-me-me. I want to write for concert audiences in the world.” Dus – het klinkt bijna als een vanzelfsprekendheid – is hij nooit een echt overtuigd aanhanger van het serialisme geworden, ondanks een korte leerperiode bij Pierre Boulez.

Over het serialisme had hij zo zijn eigen opvatting: “I'm very anxious that people should not be conscious of it [...] and, in fact, the more I use serial technique, the less I'm inhibited about making sounds which relate directly to tonality." Het klinkt halfslachtig, dat wel. Hans Werner Henze was niet direct zijn grote voorbeeld, maar wel had hij de partituur van diens Vijfde symfonie (1962) diepgaand bestudeerd.

Of en zo ja in welke mate het filmdoek een rol heeft gespeeld in zijn uiterst kleurrijke orkestraties laat zich lastig achterhalen, maar voor de hand ligt het wel. Niet dat hij voortdurend zal hebben gedacht ‘vanuit de film', maar wel dat het fenomeen film hem ook in zijn overige werk een sterk creatieve impuls kan hebben gegeven. En misschien heeft zijn knappe instrumentatie ook wel te maken met de doorgebrachte zomers in het schilderachtige Barga, in het zonovergoten Toscane.

Het is de mix van melodische en harmonische inventie, knappe instrumentatie en orkestratie die hem vooral in Amerika en Engeland een grote reputatie hebben bezorgd, aangevuld met nog een belangrijke component waar niet iedereen een groot liefhebber van is: de typisch Amerikaanse symfonische glitter en het bijbehorende spektakel. We vinden het door zijn gehele werk heen, al vanaf de jaren zestig. Het is in ieder geval een belangrijk baken gebleken in een caleidoscopische zee waarvan de diepte op Bennett weinig aantrekkingskracht uitoefende maar de branding des te meer.

Wat schuilt er achter de noten? We kunnen er hoogstens naar gissen, ondanks het feit dat Bennett zich er met een lichte toets over heeft uitgesproken: "When I'm writing programme notes for my concert music, I like to write briefly about the circumstances of the composition, but then to let the music speak for itself."

Dat de muziek van Bennett niet op ieders netvlies staat heeft niets te maken met wel kwaliteitscriterium ook. Veel populaire muziek blijkt bij nader inzien niet meer te bestaan dan uit veelkoppige leegheid terwijl goed geschreven stukken zich daarentegen ‘ergens' in de periferie ophouden.

John Wilson en zijn Schotse ‘band' hebben zich Bennetts gevarieerde en ontegenzeglijk zeer kleurrijke oeuvre goed eigen gemaakt en Michael McHale laat zich in het aan de pianist Stephen Kovacevich (in vroegere tijden nog Stephen Bishop) opgedragen Pianoconcert (1968) op zijn fraai klinkende Bechstein van zijn beste kant houden. Het is een echt concert, piano en orkest binden echt met elkaar de strijd aan in een werk vol bravoure dat – het moet maar weer gezegd – werkelijk fantastisch is georkestreerd. De structuur hoeft niet geraden te worden, want de motieven aan het begin van ieder deel krijgen een goed getimed vervolg in een discours dat uitmunt in helderheid en panache.

Kovacevich presteerde het om het kakelverse werk tijdens de première uit het hoofd te spelen. Bennett schrok zich een hoedje toen hij de pianist zonder bladmuziek op het podium zag verschijnen, maar die had zijn antwoord paraat: “A little reckless, but then you can't really look at the score in such a hard piece.” De BBC zond de première rechtstreeks uit, op 19 september 1968 vanuit de Birmingham Town Hall.

Bijna een jaar later, tijdens de BBC London Proms op 30 juli 1969, wachtte Kovacevich een nieuwe uitdaging in hetzelfde stuk. De wielen onder de vleugelpoten waren niet goed vastgezet en het instrument ging bijgevolg tijdens de uitvoering aan de wandel, zo het podium af…

Bennetts muziek verdient, hoewel niet echt uitdagend, meer dan een oppervlakkige beschouwing en het is daarom goed dat het Britse Chandos niet zonder enige financiële durf de moeite heeft willen nemen om de orkestwerken op cd vast te leggen. Het is tot nu toe een in zowel artistiek als opnametechnisch opzicht een zeer succesvolle serie gebleken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links