CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2010

 

 

Beethoven: Fidelio op. 72.

Martha Mödl (Leonore), Anton Dermota (Florestan), Ludwig Weber (Rocco), Irmgard Seefried (Marzelline), Waldemar Kmentt (Jacquino), Paul Schöffler (Don Pizarro), Karl Kamann (Don Fernando), Karl Terkal (Eerste gevangene), Alfred Jerger (Tweede gevangene), Chor und Orchester der Wiener Staatsoper
o.l.v. Karl Böhm.

Live-opname, mono, Wiener Staatsoper, 5-11-1955, (heropeningsvoorstelling).

Orfeo d'Or C 813 1021 • 2.28' • (2 cd's)

YouTube (originele beeldfragmenten)


Op 30 juni 1944 dirigeerde Hans Knappertbusch in de Weense Staatsopera Wagners Götterdämmerung. Het zou de laatste voorstelling zijn in het oude toen nog ongehavende gebouw vóór de intrede van de zomerpauze. In het licht van de latere gebeurtenissen is het treffend om in deze opera Wagners laatste regieaanwijzing te lezen: 'Helle Flammen scheinen in dem Saal der Götter aufzuschlagen. Als die Götter von den Flammen gänzlich verhüllt sind, fällt der Vorhang'.

Nazi-cultuur- en propagandaminister Joseph Goebbels had in het kader van de 'totale oorlog' per 1 september de sluiting van alle theaters in het Derde Rijk bevolen. Dit verbod trof uiteraard ook de Weense Staatsopera, op de kop af 75 jaar na de opening op 25 mei 1869, met Mozarts Don Giovanni.
Op 12 maart 1945, tijdens een Amerikaans bombardement, werd het imposante gebouw getroffen door een voltreffer, waardoor het vrijwel geheel uitbrandde. Kort na de oorlog werd daarom naar het niet ver van de binnenstad gelegen Theater an der Wien uitgeweken. Dit door de tekstdichter Emanuel Schikaneder (onder andere bekend van Mozarts Die Zauberflöte) gestichte theater kende eveneens een rijke geschiedenis: hier had in 1805 voor het eerst Beethovens Fidelio geklonken en vele operettes van Franz Léhar beleefden er hun première.

De brandende Weense Staatsopera op 12 maart 1945

Het duurde tien jaar alvorens het operagebouw aan de Ringstraße weer in de oude luister hersteld was. De heropening was dubbel feest, want het betekende tevens het einde van de Russische bezettingsmacht. Oostenrijk had kort daarvoor zijn soevereiniteit weer teruggekregen en er was een begin gemaakt met de terugtrekking van de in de hoofdstad gelegerde Russische troepen. Toen de Staatsoper op 5 november voor het eerst sinds het bombardement zijn deuren feestelijk opende was de laatste soldaat net vertrokken. Het feest werd niet alleen in Wenen, maar ook in het gehele land gevierd. Zelfs niet-operaliefhebbers hadden oog voor de symboolfunctie van de Weense Staatsopera, radio en televisie (de laatste toen nog in een experimenteel stadium - klik hier voor fragmenten op YouTube) besteedden er volop aandacht aan en van heinde en verre waren de gasten gekomen, met name uit politieke, kunst- en journalistieke kringen. Wie ook maar iets betekende (of dat dacht), wilde erbij zijn, dat grootse moment meebeleven. Door Fidelio te kiezen trok Böhm - zonder het met zoveel woorden te zeggen - duidelijk de lijn van het oorlogstrauma en de Russische bezetting naar de vrijheid. De heropening van het gebouw dat de Oostenrijkers mede hun identiteit gaf, gevoegd bij de gevierde Böhm en de niet minder populaire Fidelio bracht duizenden op de been. In ieder café en restaurant waar een tv-toestel stond opgesteld, puilden de bezoekers bijna naar buiten, terwijl vele anderen zich achter de dranghekken vergaapten aan de talloze af- en aanrijdende limousines met daarin hoogwaardigheidsbekleders, die door bedienden in livrei uit hun voertuig werden geholpen. Het had alles iets van een sprookje, de in een zee van licht badende Staatsoper, de glanzend limousines en de ruisende avondkleding.

Op het toneel, tussen een ware bloemenzee, nam Karl Böhm onder de klanken van plechtige muziek de grote gouden sleutel van het gebouw in ontvangst. Met de woorden 'O Gott! Welch ein Augenblick!" uit de tweede akte van Fidelio deelde Böhm de gevoelens van het publiek in de zaal en al diegenen die buiten stonden.

Het is hier niet de plaats om uitvoerig stil te staan bij wat eens de Oostenrijkse identiteit moet zijn geweest, de tijd van die reusachtige Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie met, als een van de vele prestigieuze afgeleiden daarvan, de k.k. Hofoper, die na de ineenstorting van het keizerrijk werd omgedoopt in Staatsoper. Naarmate Oostenrijk 'kleiner' werd, won het operagebouw nog verder aan belang. Zoveel hadden de door de internationale gemeenschap gekleineerde Oostenrijkers (zo voelden ze dat) na de val immers niet meer om op terug te vallen. Het was de Anschluß in 1938 die nieuw voedsel bood aan het nationalisme. Hitler werd op de Heldenplatz als een held onthaald, waarbij honderdduizenden luidkeels brullende Oostenrijkers de rechterarm in dezelfde richting uitstrekten.

De k.k. Hofoper rond 1900

Böhms carrière als directeur van de Wiener Staatsoper begon op 1 januari 1943 en eindigde noodgedwongen voortijdig op 30 juni 1945, toen de bezettingsmacht hem het dirigeren verbood. Hij werd, zoals zovele kunstenaars, politici en hoge ambtenaren, verdacht van collaboratie met het nazi-regime. Dientengevolge moesten ze hun taken neerleggen. Zoals overal in het bevrijde Europa leefde de gedachte dat eerst maar eens goed schoon schip moest worden gemaakt, alvorens de wederopbouw en de herinrichting van het bestuurlijke en culturele apparaat met succes ter hand kon worden genomen. Menigeen sneuvelde door het vaak bepaald niet zachtzinnige oordeel van de verschillende denazificatie-commissies, maar anderen werden al betrekkelijk snel in ere hersteld. Zo ook Böhm, die in 1947 alweer mocht aantreden.

Het kan niet worden ontkend dat menige musicus in die donkere oorlogsjaren zich artistiek (of nog erger) uitleverde aan de nazi's en - terwijl miljoenen mensen de weg naar de kampen gingen of door ander oorlogsgeweld werden getroffen - zijn werk gewoon voortzette. Dat kwam de nazi's uitstekend van pas, want die optredens verschaften het regime een zekere mate van legitimiteit. Sterker nog, de betrokkenheid van de nazi's bij de cultuur deed op zijn minst vermoeden dat 'het allemaal toch zo erg nog niet was'. Vele coryfeeën deden aan die schijnvertoningen mee, van Richard Strauss tot Wilhelm Furtwängler, van Willem Mengelberg tot Cor de Groot, maar bijvoorbeeld ook de pianisten Wilhelm Kempff en Elly Ney, en de tenor Julius Patzak die al in 1940 in Krakow concerteerden voor Hans Frank, de 'beul van Polen'. In Bayreuth, tijdens de Festspiele, bereidde de Wagner-clan Hitler en zijn trawanten steevast een groots welkom. Wagners muzilkale erfenis en Das Reich, ze waren onafscheidelijk. Ach, en hoevelen keken toen niet liever een andere kant op!

 
  Anton Dermota als Florestan (Wenen, 5-11-1955)

Nadat Böhm was 'gedenazificeerd' bleef zijn opvolger, Franz Salmhofer, toch nog geruime tijd in functie, maar op 1 september 1954 nam hij toch weer het leidersstokje over. Op 5 november 1955 volgde dan die zo gedenkwaardige Fidelio in de als 'herboren' Staatsoper. Wat hadden de gefortuneerde operavrienden er pal na de oorlog niet voor over gehad om dit grootse moment te mogen beleven! Ondanks de zowel economisch en financieel als maatschappelijk barre omstandigheden hadden de vele collectes onder vooraanstaande Weners maar ook onder de 'gewone' mensen enorme bedragen opgeleverd waarvan het herstel mede kon worden betaald. Toen het eenmaal zover was stond stond het operahuis maar liefst vijf aaneengesloten weken in het blikveld van de nationale en internationale belangstelling. Op zaterdag ging Fidelio, op zondag Don Giovanni en op woensdag Die Frau ohne Schatten (uiteraard met de in die tijd gebruikelijke coupures), stuk voor stuk in nieuwe ensceneringen en onder Böhms leiding, met een vocale bezetting om de vingers bij af te likken. Daarna kwam Rafael Kubelík met Aida (nog in de Duitse taal, want pas Karajan zou de oorspronkelijke taal in ere herstellen), Hans Knappersbusch, ook weer terug op de bok, met Der Rosenkavalier, Fritz Reiner met Die Meistersinger en wederom Böhm met ... Wozzeck. Zeven nieuwe insceneringen in krap drie weken, dat kan alleen nog bij een hecht ensembletheater. 'Hochglanz am Wiener Staatsoper'! De vocale bezetting van Fidelio vertegenwoordigde in ieder geval het allerbeste dat toen voorhanden was.

Het gevangenenkoor in Fidelio (Wenen, 5-11-1955)

Martha Mödl had eerder al furore gemaakt als Isolde en Kundry in Wieland Wagners Bayreuther Festspiele ensemble. In de befaamde studio-opname van Fidelio uit 1953 op het Naxos-l abel zong ze de partij van Leonore onder Furtwängler (niet te verwarren met Furtwänglers nog betere live-opname op EMI van de Salzburger Festspiele 1950, toen met Kirsten Flagstad in de titelrol) Mödl maakte vanaf 1953 deel uit van de vaste cast van de Weense Staatsopera. De alom gevierde Mozart-tenor Anton Dermota kwam uit Slovenië en was al sinds 1936 verbonden aan de Staatsoper. Nergens wordt het typische ensembletheater duidelijker als uit zijn rol als Jacquino in Fidelio: hij zong die tussen oktober 1945 en december 1958 maar liefst 36 keer op het toneel van de Staatsoper; en vanaf de heropeningsvoorstelling op 5 november 1955 tot oktober 1969 nog eens 46 keer de rol van Florestan. Een soortgelijk beeld zien we bij de sopraan Irmgard Seefried, die al sinds 1943 in haar glansrol als de Marschallin in Der Rosenkavalier de Weense operaliefhebbers om haar vinger wond. Waldemar Kmentt werd in 1951 geëngageerd, toen pas 22 jaar oud, waarna hij in het daarop volgende anderhalve decennium 78 verschillende partijen in de meest uiteenlopende opera's aan de Staatsoper zong. Alfred Jerger was in dit nog vrij jonge gezelschap een ware oude rot in het vak. Toen hij de rol van de Tweede gevangene in de feestelijke Fidelio onder Böhm zong, was hij 65 jaar oud, en kon hij zich er nog op beroemen door Richard Strauss te zijn aangesteld. De toen 58-jarige bas-bariton Paul Schöffler had eveneens zijn sporen ruimschoots verdiend. Hij kwam in 1937 van de Semperoper in Dresden naar Wenen, waar hij de grote bas-baritonrollen zong, naast zijn verplichtingen bij onder andere de Salzburger en Bayreuther Festspiele, La Scala, de MET en het Teatro Colón. Hij zong onder meer Don Giovanni, Figaro, Amfortas, Wotan, Scarpia, Orest, Hans Sachs, Kurwenal, Wolfram, Pizarro, Holländer, maar ook in Gottfried von Einems Dantons Tod (1947).

 
  Karl Böhm (1955)

En dan was daar Karl Böhm, toen 61, de 'kapelmeester' die door en door vertrouwd was met Fidelio, en nog midden in de oorlog een groot aantal uitvoeringen van het werk op zijn naam had gebracht. Er bestaat zelfs een radio-opname van een uitvoering in februari 1944 (het cd-boekje vermeldt ten onrechte herfst 1944, toen de Staatsoper bovendien noodgedwongen was gesloten), met o.a. Hilde Konetzni, Torsten Ralf, Paul Schöffler en Hebert Alsen. Die opname werd door Cantus Classics op cd heruitgebracht. Böhm koos - niet toevallig - ook Fidelio als het eerste werk, toen hij in 1947 na zijn 'zuivering' weer aan het Theater an der Wien mocht dirigeren.

Die uitvoering van 5 november 1955 is terecht legendarisch geworden. Zeker, de nervositeit die deze zo bijzondere gala-avond met zich bracht straalt ook van de zangers af, maar dit is 'Charakterbildung' van de allerbovenste plank, in een zinderende voorstelling uit een stuk, vanaf de kort gehouden ouverture tot het triomferende slotkoor waarin een tot in zijn diepste vezels geïnspireerde Böhm bijna letterlijk de onderste steen boven weet te halen, met het donderende applaus (wat mij betreft helaas te kort meegesneden) als de slotapotheose van deze in alle opzichten grootse en meeslepende voorstelling, waarin ook de Derde Leonore-ouverture op. 72a - uiteraard dan na het duet 'O namenlose Freude!' tussen Florestan en Leonore - een plaatsje heeft gekregen. Wie Böhm zo hoort dirigeren kan zich misschien nauwelijks voorstellen dat nog geen jaar later Herbert von Karajan de leiding overnam, na de zoveelste ronde van kuiperijen, achterklap, rondzingende roddels en in de media voortdurend circulerende beschuldigingen aan Böhms adres. Hier kon de inmiddels hevig gefrustreerde Böhm niet tegenop. Hij trad af.

Koor, orkest en solisten demonstreren in deze Fidelio een bijna ongekende dramatische spanning en levendigheid, in dit geval nog versterkt door de opname, die nog niet eerder zo helder en gedefinieerd uit de luidsprekers kwam, met bovendien een laagfundament dat er zijn mag. Ook de toneelgeluiden en het duidelijk aanwezige, maar nergens storende, incidenteel applaudiserende publiek blijken zo helder als glas te zijn geregistreerd, wat de levendigheid en het realisme van deze unieke gebeurtenis nog verder verhoogt. Dankzij die uitstekende verstaanbaarheid is de handeling uitstekend te volgen en is het ontbreken van het libretto in het cd-boekje -althans voor degenen die de Duits gesproken en gezongen tekst kunnen volgen - daarom geen al te groot gemis. Of anders het libretto van een andere cd-uitgave erbij nemen. Wel grote waardering voor de uitstekend verzorgde documentatie die op de historische achtergronden van deze voorstelling ingaat. De restauratie en digitalisering van de originele omroepbanden heeft duidelijk zijn vruchten afgeworpen. Een geweldige uitgave die naast een belangwekkend 'document humain' ook nog van een formidabel niveau is!

Paul Schöffler (l.) als Pizarro en Ludwig Weber als Rocco (Wenen, 5-11-1955)
Waldemar Kmentt als Jacquino en Irmgard Seefried als Marzelline (Wenen, 5-11-1955)
Anton Dermota als Florestan en Martha Mödl als Leonore (Wenen, 5-11-1955)

index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links