CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2010

 

 

Beethoven: Symfonie nr. 4 in Bes, op. 60 - nr. 6 in F, op. 68 (Pastorale).

The Netherlands Symphony Orchestra
o.l.v. Jan Willem de Vriend.

Challenge Classics CC72161 • 75' • (sacd)

www.challenge.nl

 


Het siert Jan Willem de Vriend dat hij niet op zoek is gegaan naar de extremen in deze partituren en zich al evenmin heeft ingelaten met de buitenissigheden die van Beethovens symfonieën zoiets 'spannends' kunnen maken dat het er warempel op lijkt dat op dit o zo vertrouwde oeuvre een 'nieuw licht' wordt geworpen. Alsof op de keper beschouwd de Beethoven-symfonieën zónder die buitensporigheden al niet spannend genoeg zijn! Maar ik geef toe dat de verleiding soms best groot kan zijn om het toch vooral anders te doen en niet te vervallen in het herhalingscircus dat al meerdere decennia de cd-markt domineert. En naarmate de ingeblikte voorraad Beethoven-vertolkingen toeneemt wordt het alleen maar lastiger om de lat voortdurend hoger te leggen. Dat probleem raakt niet alleen de musici en het publiek, maar ook de recensenten die - de recensiekaternen bewijzen het - van het ene naar het andere superlatief wandelen of bij gebrek daaraan minutieuze schakeringen op de voorgrond plaatsen alsof ze daarmee willen bewijzen dat er weer eens echt wat nieuws aan de horizon is verschenen. Ik herinner me nog levendig talloze vaderlandse en internationale recensenten die Beethovens Vijfde onder Carlos Kleiber uitriepen tot de echt aller-, aller- en nog eens dubbel en dwars allerbeste uitvoering ooit, maar inmiddels is er toch nog een groot aantal bijgekomen...

De Hongaarse dirigent Iván Fischer, die momenteel met het Budapest Festival Orchestra werkt aan een Beethoven-cyclus voor Channel Classics, vatte zijn project concies samen: iedere generatie zijn eigen Beethoven. Helemáál waar is dat niet, want binnen die generatie zijn er meerdere opvattingen mogelijk. Wie dat aan de prakijk wil toetsen: Gardiner versus Norrington, Brüggen versus Abbado en, jawel, Fischer versus Rattle, Harnoncourt versus Vänskä of Immerseel versus De Vriend. We leggen onze vooroordelen op de grote hoop en dalen van de aldus gecreëerde berg af naar beneden, waar we dan vervolgens zo onbevangen mogelijk naar Beethoven luisteren. Zouden we daar echt in slagen? Ik denk het niet. We blijven nu eenmaal met een door de jaren heen verzamelde, enorme hoeveelheid bagage zitten die ons die frisse kijk op Beethoven ontneemt. En als we achterom kijken zien we toch allereerst die rugzak.

Voor de dirigent is er slechts één uitgangspunt: de partituur. Dat lijkt op het intrappen van een open deur, maar toch is het de enige realiteit die daadwerkelijk telt. Dat is dan niet 'een' partituur, maar 'de' partituur, de 'Urtext' dus, het notenbeeld dat is ontdaan van de door de eeuwen heen ingeslopen onnauwkeurigheden, variërende van goed bedoelde, maar foute correcties (ze bestaan echt: correcties die op zich fout blijken te zijn!) tot nooit herstelde omissies. Waarbij ik dan maar in het midden laat in hoeverre de componist zelf ertoe heeft bijgedragen dat we met een althans deels vals notenbeeld zijn opgescheept. Met dan ook nog eens de kanttekening dat de meeste dirigenten geen musicoloog zijn en de meeste musicologen geen dirigent. Je zou wensen dat beide categorieën elkander eens wat beter verstaan of meer respect voor elkaars werk hebben.

Wie weleens heeft geproefd van de spontane toelichtingen van Jan Willem de Vriend weet als geen ander hoezeer hij zich verdiept in niet alleen de muziek, maar ook in het leven van de componist en het daarbij horende tijdsbeeld. Dat levert inzichten op die de interpretatie van die muziek ten goede kunnen komen. Muziek die in een breder perspectief wordt gezet dan alleen uit het notenbeeld naar voren komt. Voor Jan Willem betekende dit onder meer dat hij op zoek ging naar Beethovens wortels, hoe het leven in Bonn er toen uitzag, hoe Beethoven daar opgroeide en welke invloed leraren als Albrechtsberger en Neefe op hem hebben gehad. Zoals het eveneens van belang is om de muziek van Beethovens leerlingen Ries en Moscheles te bestuderen. In het boekje wordt vermeld dat Beethovens grootvader een wijnhandelaar was, wat ons misschien leidt naar zijn voorkeur voor wijn. We weten dat Beethoven zich door zijn muziekuitgever soms graag in (goede) wijn liet uitbetalen. Nog kort voor zijn dood kreeg hij een zending Riesling toegestuurd, die de stervende deed verzuchten: te laat!

Toen de opname van Beethovens Egmont onder Jan Willem verscheen (klik hier), was ik enthousiast over de manier waarop spanning en expressie waren ingevuld. Er was duidelijk sprake van een zinderend, avontuurlijk evenement, waarbij klankschoonheid waar nodig terecht naar de achtergrond was geschoven. Dat krijgen we in dit eerste deel van wat een complete cyclus gaat worden, in ruime mate voorgezet. Het belangrijkste winstpunt is misschien wel dat De Vriend weliswaar met een 'traditioneel' orkest aan de slag is gegaan, maar ver weg is gebleven van dat schier eindeloos gelikte dat zoveel Beethoven-cycli hebben gekenmerkt. Super-de-super opgepoetst, heel mooi glanzend, met alles precies op de juiste plek, ontdaan van iedere inspanning, met een bijna vanzelfsprekend orkestraal machtsvertoon. Uitvoeringen waarvan klankcosmetisering het kernpunt vormt en waarbij de verveling onverbiddelijk toeslaat. De vorm van geliktheid waarin Karajan zo grossierde en waarvan het alle schijn heeft dat Rattle dat superieur glanzende, maar o zo saaie stokje heeft overgenomen.

Hoezeer opvattingen uiteen kunnen lopen bewijst deze nieuwe uitgave weer eens uitdrukkelijk. Ik neem alleen al het begin van de Vierde, Adagio. Bij Furtwängler klinkt die dreigend, alsof er een catastrofe op handen is. Bij De Vriend verloopt het bijna nuchter objectief, de lengte van de notenwaarden precies, de langzaam afdalende bas niet als in een donkere spelonk, maar verre van oppervlakkig en niet minder fascinerend. Verrassingen zijn er trouwens ook genoeg. Een willekeurig voorbeeld: het korte crescendo bij 4:05. Het staat exact in de partituur, maar er wordt vrijwel nooit iets van gemaakt. Het middendeel, Adagio, is een van de moeilijkste Beethoven-stukken, waarin De Vriend de poëtische intentie zoekt en vindt, in een vrij vlot tempo dat eerder tegen een Andante con moto aanleunt. Hiermee vergeleken is Bruno Walter (CBS Masterworks, later Sony) zelfs behaagziek! Ik vermoed dat De Vriend met zijn vertolking dichter bij de waarheid zit. Het Scherzo verloopt als een echt Allegro molto e vivace, zeer levendig en spiritueel, ritmisch vlekkeloos gearticuleerd en vrij van agogische accenten. Het Trio is een welkom rustpunt in de met pittige accenten aangezette turbulentie. De finale is meer Allegro dan Allegro non troppo, maar het metronoomcijfer lijkt goed getroffen. Hoe vaak verzandt de haast in broddelwerk, met slecht uitgewerkte fraseringen en een onvoldoende pregnant ritmisch profiel, waardoor ook de syncopen hun effect deels verliezen. Bij De Vriend is daarvan geen enkele sprake. Bovendien bewaart hij voor de doorwerking nog enige temporeserve, wat de structuur van deze finale alleen maar ten goede komt.

Een belangrijke vraag is hoe we eigenlijk de Zesde symfonie moeten 'plaatsen'. Beethoven schreef zelf op de eerste pagina van het manuscript: 'mehr Ausdruck der Empfindung als Malerei'. We hebben het over de vele indrukken die Beethoven opdeed tijdens zijn vele wandelingen door delen van het Wiener Wald. Indrukken die hem nog waren gegund toen hij op die lange dagelijkse middagtochten vanuit zijn zomerwoning in Heiligenstadt, een van de vele wijndorpjes rond Wenen, de natuur niet alleen kon proeven en ruiken, maar toen ook nog kon hóren. Zo bezien is Beethovens Pastorale (de titel is niet van hem) een indrukwekkend uitgewerkt in memoriam, waarin met uiterst fijnzinnige penseelstreken die o zo persoonlijke 'Ausdruck der Empfindung' wordt geschilderd.. De triller van de nachtegaal, de typische intervallen van de kwartel, de roep van de koekoek, het meanderende beekje, het vrolijke feest van de landlieden, het fel realistische onweer met zijn door het zwerk schietende bliksemschichten en dan tot slot de opluchting als de natuur weer tot rust is gekomen en God wordt gedankt voor Zijn weldaden. Een staaltje 'Hirtengesang' met een ongekende kleurenrijkdom. De vele stemmingen waaraan de mens tijdens zijn verblijf op het land onderhevig is heeft Beethoven als geen ander voor hem weten te verklanken. Dan is er die Szene am Bach, waarvan alleen al de frases een aparte studie waard zijn. Hierin heerst de merkwaardige paradox van de muziek die niet echt stopt, maar evenmin mechanisch zomaar doorloopt. Het getuigt zowel van originaliteit als van volmaakte waarneming en de trefzekere vertaling ervan in de muziek.

De kunst is om al die stemmingsbeelden op een contemplatieve manier gestalte te geven, de indruk te vestigen dat er eigenlijk niets is dat de wandelaar voort doet spoeden. Of het zou het lonkende dorpsfeest moeten zijn met die herhaaldelijk fout inzettende fagottist. Of het dreigende onweer dat een schuilplaats nodig maakt. Het is de rijkdom van Beethovens 'Ausdruck der Empfindung' die in termen van concrete muzikale uitwerking de wezenlijke inhoud van iedere vertolking van de Pastorale bepaalt. Wie zeurt over kleinigheden mist allicht de pointe van dit grootse werk. Jan Willem de Vriend en de zijnen halen de rijkdom zonder meer boven water (hier is deze term wel heel toepasselijk!) en geven ons een van de mooiste Pastorales na Karl Böhm met de Wiener Philharmoniker (DG), Bruno Walter met het Columbia Symphony Orchestra (Sony) en Frans Brüggen met zijn Orkest van de Achttiende Eeuw (Philips). De geweldige opname (Muziekcentrum Enschede, juni 2008 en juni/juli 2009) telt ook mee: zonder een spoortje scherpte, maar wel helder, diep en sonoor, met bovendien heel mooie contrabassen en imposante pauken. Met dank aan Bert van der Wolf: het staat er allemaal magnifiek op. Ondanks het overvolle veld een uitgave die fors boven het maaiveld uitsteekt en naar meer doet verlangen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links