CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2008


 

Beethoven: Pianosonate nr. 5 in c, op. 10 nr. 1 - nr. 6 in F, op. 10 nr. 2 - nr. 7 in D, op. 10 nr. 3 - nr. 15 in D, op. 28 (Pastorale) - nr. 19 in g, op. 49 nr. 1 - nr. 20 in G, op. 49 nr. 2 - nr. 26 in Es, op. 81a (Les Adieux) - nr. 30 in E, op. 109 - nr. 31 in As, op. 110 - nr. 32 in c, op. 111.

Paul Lewis (piano).

Harmonia Mundi HMC 901909.11 • 3.04 ' • (3 cd's)


Het is bepaald niet alledaags dat een jonge pianist (Lewis is inmiddels 34) met uitgerekend het hoogtepunt van de klassieke pianoliteratuur niet alleen de Parnassus durft te beklimmen, maar uiteindelijk ook nog op de top eindigt. Hij heeft het hem toch gelapt en oogst daarmee alom diepe bewondering.

Was Lewis dan een pianistisch wonderkind? Het lijkt er niet op, want de in Liverpool geboren Lewis groeide op in een milieu waarin bij wijze van spreken iedere noot klassieke muziek taboe was. Zijn vader was havenarbeider, zijn moeder ambtenaar en Pauls klasgenootjes en buurtvriendjes hadden er evenmin belangstelling voor. Pas in de wijkbibliotheek kwam hij in aanraking met de 'grote klassieken' en trok zijn hart al snel naar Mozart, Beethoven en Schubert. Hij nam pianolessen en vorderde daarmee dusdanig snel dat hij mocht gaan studeren bij niemand minder dan de Pools-Britse pianist en pedagoog Ryszard Bakst aan de Chetham School of Music. Bakst had een glanzende carrière als concertpianist achter zich (nadat hij in 1949 tot de prijswinnaars behoorde van het vierde internationale Chopin-concours) en stond erom bekend dat hij de soms diep verborgen talenten van zijn pupillen boven water wist te halen. Het was niet alleen aan Lewis' talent maar evenzeer aan de onbaatzuchtige Bakst te danken dat uiteindelijk voor Lewis de weg openlag naar de beroemde Guildhall School of Music in de Engelse hoofdstad, waar hij les kreeg van Joan Havill. De weg voerde vervolgens verder, naar het Londense internationale pianoconcours (prijswinnaar in 1994), zijn uitverkiezing als 'New Generation Artist' door de BBC en als 'Rising Star' door de Europese internationale concertorganisatie. In 2003 werd hij - na een zeer succesvolle toernee door heel Engeland met pianowerken van Schubert - door de Royal Philharmonic Society uitgeroepen tot instrumentalist van het jaar. In ons land sleepte hij twee Edisons in de wacht (2004-05).

In vrijwel alle biografieën wordt melding gemaakt van Alfred Brendel als van Lewis' mentors. Zeker, Lewis heeft bij hem gestudeerd en zal ongetwijfeld veel van de éminence grise hebben opgestoken, maar in de Beethoven-sonates vaart zijn voormalige pupil ondubbelzinnig zijn eigen koers. Dat is maar goed ook, want de unieke, eigen artistieke persoonlijkheid moet altijd prevaleren boven die van de docent. Wie in de gelegenheid wordt gesteld om bij een (voormalige) topmusicus te studeren, moet zonder enige uitzondering over een voldoende sterke eigen identiteit beschikken die hem in staat stelt het geleerde op de juiste manier te verwerken, om daarmee te voorkomen dat het eigen artistieke profiel plaats gaat maken voor het profiel van de leraar. Alleen degenen die sterk in de eigen muzikale schoenen kunnen dat. De anderen halen of de eindstreep niet of worden een soort kloon van hun docent.

Inmiddels is Lewis een van de vele muzikale globetrotters die waar hij ook optreedt enorme bijval geniet, zowel van het publiek als de vakpers. De superlatieven kennen daarbij geen grenzen. Wie niet beter weet zou denken dat Lewis de pianist van zijn generatie is die boven alle andere uitsteekt. Maar voor de muziekliefhebber thuis vormt het toenemend aantal cd's uiteraard de enige relevante lakmoesproef, waarbij hij het uiteraard zonder het frisson van het live-concert moet doen.

In mijn bespreking van de voorgaande delen 1 t/m 3 heb ik al het een en ander opgemerkt over de karakteristieken van Lewis' spel. Wat maakt zijn vertolking van de 32 Beethoven-sonates nu eigenlijk zo bijzonder? Waardoor onderscheidt zijn spel zich van dat van zowel zijn beroemde voorgangers als zijn generatiegenoten? Ik heb het nog nergens gelezen en misschien is het dus wel een vondst van jewelste, maar het lijkt mij toch dat wij niet alleen de muziek van de afgelopen zevenhonderd jaar kunnen overzien, maar evenzeer de uitvoering ervan, in concertzalen, kerken en opnamentudio's, en op het toneel. Wat de Beethoven-sonates betreft kunnen we putten uit een waarlijk gigantisch arsenaal dat teruggaat tot het tijdperk van de schellakplaat (met Artur Schnabels opnamen als de belangrijkste exponent). We kunnen de prestaties van al die grote pianisten van weleer en van nu naar believen aan ons voorbij laten trekken. We zitten daarbij min of meer vastgeklonken aan hun typische stijlkenmerken, onverschillig of het nu - in willekeurige volgorde - Richter, Kempff, Brendel, Barenboim, Arrau, Ashkenazy, Backhaus, Goode, Pollini, Solomon, Kovacevich, Haskil, Fischer of Gilels betreft. Daarmee is hun kunst in zekere zin onze kunst geworden, we hebben ons ermee vereenzelvigd, zij is als het ware deel van onze muzikale bagage geworden.

Dan is daar ineens Paul Lewis die ons bij wijze van spreken nieuwe oren geeft door de sonates in een ander licht te zetten, waarbij hij enerzijds de 'synergetische symbiose' totstandbrengt, maar anderzijds nog hoger reikt door deze verder te culmineren. Met andere woorden: Lewis verenigt de eigenschappen van enige toppianisten en voegt er dan vervolgens nog het een en ander aan toe. De samenhang tussen symbiose en de exploratie van de eigen identiteit levert wrijvingen op die ons de oren doen spitsen en tegelijkertijd ons bewust maken van iets nieuws dat zich hier afspeelt.

Wat Lewis en passant, maar wel consistent demonstreert is dat zijn vertolkingen de absolute tegenhanger vormen van het essayistische karakter van die door zijn leermeester Alfred Brendel. Als de recensent niet in staat is om die zwakke plek in Brendels spel bloot te leggen, doet Lewis het wel. Hoe kan dat zijn bij een pianist die wereldwijd bijna als geen ander op handen wordt gedragen en dit jaar zijn carrière afsluit? Het is overigens al vaak genoeg aangetoond dat het klimmen der jaren niet per se een verdieping met zich brengt die muzikaal ook zoden aan de dijk zet. Giulini en Klemperer gingen, naarmate ze meer en meer de leeftijd der sterken naderden, almaar langzamer dirigeren waardoor de natuurlijke eb en vloed werd ingewisseld voor een gestage stroom, terwijl Karajan in zijn uitvoeringen de scherpe kanten er vakkundig afsleep en zijn vertolkingen aldus werden begraven onder het esthetische klankideaal dat als een barrière tussen hem en de componist kwam te staan. De grote pianist Claudio Arrau overkwam min of meer hetzelfde. In zijn laatste jaren werden zijn tempi steeds trager, met desastreuze gevolgen voor de spanningsopbouw.

Waarin Lewis eigenlijk als geen ander in deze gehele cyclus excelleert is zijn ongeëvenaarde precisie in termen van frasering en dynamische nuancering. Hier is het de finesse die een wereld van verschil blijkt uit te maken. Ik heb de uitvoeringen van alle grote pianisten in dit repertoire uit de kast gehaald, maar kom er geen een tegen die een soortgelijke prestatie weet te leveren. Met Lewis vergeleken zijn ze - laat ik het ietwat overdrijven - zelfs slordig te noemen! Wat levert die tot op het bot uitgebeende nuancering bij Lewis dan wel op? Een nieuwe wereld! Zo simpel is het toch. De talloze stemmingswisselingen in Beethovens sonates, de ene keer aardser dan aards, dan weer van bijna metafysische proporties, krijgen onder Lewis' handen een extra dimensie door wat ik dan maar een geheel aparte kunst noem: eerst verdichting, dan verbreding, of - al naar gelang het parcours - juist omgekeerd. Dat lijkt niet zo bijzonder, maar dat wordt het wel als werkelijk iedere noot zijn eigen specfieke betekenis krijgt binnen zowel in het grotere als in het kleinere geheel. Lewis ziet het belang van de kiemcel in relatie tot het motief, hij verkent de weg naar het thema en behandelt de themagroepen dusdanig dat ze als het ware in het fijnzinnig uitgezette parcours worden meegezogen en met hun aldus verkregen, bijna magnetische eigenschappen in de metamorfose van de daaropvolgende ontwikkelingsfase daarvoor optimaal kunnen worden ingezet. Dat is een andere kant van Lewis' kunst: de voorbereiding. Hij heeft hiermee kristalhelder aangetoond wat hij al meerdere malen heeft gezegd: dat hij al enige jaren werkelijk letterlijk met deze sonates heeft geleefd.

Hier horen we een pianist aan het werk die ieder detail echt onder het vergrootglas heeft gelegd en tegelijkertijd geen enkele concessie heeft gedaan aan artistieke vrijheid en spontaniteit. De improvisatie gevangen in de structuur, het mysterie gekoppeld aan het drama, van zacht wiegende poëzie naar geëxalteerde akkoordopstapelingen. Zo gaat het dus, de ene verrukking volgt op de andere, de landschappen ondergaan ongekende gedaanteverwisselingen, de metamorfose is compleet. En door dit alles straalt dat innerlijke licht dat ieder deel, iedere sonate van het ene naar het andere hoogtepunt voert, met een frisheid die zijn weerga niet kent.

Wat is de werkelijke kern van deze grootse vertolkingen? Die onophoudelijke verschuiving van plaats en tijd, de ontsluiting van nieuwe panorama's die volkomen Beethoven eigen zijn, maar die ons het privilege gunnen van er daadwerkelijk bij te zijn, onder de huid van deze wonderlijke, meeslepende, grillige, dichterlijke, grenzenloze, ongeëvenaard hecht geconcipieerde muziek te kruipen om aldus Beethoven van binnenuit te leren kennen. Dat is de werkelijke culminatie van die 'synergetische symbiose', en dat is dan tevens de enorme innerlijke kracht die Lewis - alles overziende - werkelijk ook naar de oppervlakte weet te brengen.

Zeker, ik zou niet zonder Pollini's visie op de laatste vijf sonates willen zijn, of zonder Schnabel of Gilels, maar ik ben toch maar zo vrij om Lewis bovenaan mijn lijstje te zetten. Wat is de rol van de opname daarin? De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat de werkelijk fabelachtig goede pianoklank eigenlijk een eerste hindernis was om Lewis' interpretaties volledig tot me door te laten dringen. Ik werd in eerste instantie zó aangetrokken door de extreem heldere opname en die bijna betoverende pianobas dat ik - het wordt me hopelijk niet al te zeer kwalijk genomen - maar eens eerst op volle sterkte die klankerupties op mij af heb laten komen. Eindelijk, eindelijk, weer eens een pianobas die stáát. Wat een misère is dat toch jarenlang geweest, met die magere aftreksels die spotten met die in Beethoven o zo belangrijke baspartij. Hoeveel producers hebben eigenlijk ooit serieus geluisterd naar Beethovens eigen Broadwood? Kennen ze wel het specifieke karakter van die bas? Als het daarop aankomt is het bij de meeste labels gewoon kommer en kwel, het loopt dwars door alle linies door.

Samengevat: Lewis' Beethoven is wat mij betreft het opus ultimum. Nu nog de andere pianowerken!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links