CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2024

Beethoven Trilogy 3 - UnHEARD

Klik hier voor het inhoudsoverzicht

See Siang Wong (piano), Camerata Schweiz o.l.v. Howard Griffiths
RCA 19439943162 • 71' •
Opname: 21-22 nov. 2020, SRF Radiostudio, Zürich & 18 okt. 2021, Kirche Oberstrasse, Zürich (concerten)

 

In het cd-boekje lezen we dat de pianist in zijn uitstekend verzorgde toelichting met dit derde deel in de serie, dat de titel UnHEARD meekreeg, zijn tocht door Beethovens overwegend minder bekende werken afsluit. In dit laatste deel van de trilogie maken we kennis met een aantal onvoltooid gebleven werken, met schetsboeken van de gevierde componist als vertrekpunt:

Many works by Beethoven have never been heard, since the master left us many more unfinished works than completed ones. A rich source is his sketch books, which are now in libraries and private collections all over the world. Some sketches or fragments are only attempts or briefly noted ideas. But there are also more complete ones, which make it possible to form the overall picture of a composition. Unheard brings together a few reconstructions and rarities based on such sketches. They reveal Beethoven's incredible wealth of ideas and his creative power.

Artaria in Krakow
De voorgeschiedenis van deze 'reconstructies' is fascinerend genoeg: de Zwitserse componist Jürg Wyttenbach die in de welbekende muziekbibliotheek van de Jagiellonische Universiteit in Krakow meer dan slechts een vluchtige blik werd gegund in een van de vele daar gearchiveerde, uiterst kostbare verzamelingen: die van Artaria (in de negentiende eeuw een van de belangrijkste Weense muziekuitgevers), een ware schat aan eerste drukken, brieven en manuscripten, waaronder ook meerdere schetsboeken van Ludwig van Beethoven (1770-1827).

Wyttenbach licht wat betreft de door hem gevolgde werkwijze al een tipje van de sluier op:

Since I was allowed to study the sketches unsupervised, I had the childish urge only in my mind, of course!) to correct Beethoven with a pencil and eraser or to expand his sketches, to distort them. With the elaboration of the sketches for Op. 109. I was able to live out the desire!

Hij vond er geen schetsen voor het openingsdeel (Vivace, ma non troppo, sempre legato) van op. 109 (1820), maar wel een groot aantal voor het tweede (Prestissimo) en derde deel (Gesangvoll, mit innigster Empfindung). Van dat tweede deel zijn zelfs maar liefst zestien schetsbladen overgeleverd, waaronder ook schetsen die oorspronkelijk bedoeld waren voor een (trio?)middendeel, als transitie tussen de kort gehouden doorwerkingsepisode en de reprise. De niet van Beethovens hand zijnde en door Wong geïntroduceerde, sterk gesyncopeerde basstem, is vanaf maat 102 feilloos geïntegreerd in dat Prestissimo (wie op basis van dit schetsmateriaal aldus een onderscheid weet te maken tussen Beethoven en Wong verdient een tien met een griffel).

Interessant zijn ook de vele schetsen die Beethoven voor de derde variatie noteerde: het wemelt er van ideeënrijke aanzetten, motieven en thema's die de uiteindelijke versie evenwel niet hebben gehaald. Wyttenbach heeft uit dit materiaal zes zelf geconcipieerde variaties samengesteld die op deze opname te horen zijn. En zo verder, met opnieuw de vraag: wát is van Beethoven en wát niet?

Ein Skizzenbuch...
Zelf vind ik het doorgaans prettiger en waardevoller om schetsboeken uitsluitend lezend te doorgronden. Een representatief voorbeeld daarvan is de (goedkope) facsimile-uitgave Ein Skizzenbuch von Beethoven aus dem Jahre 1803, met schetsmateriaal dat afkomstig is uit de bekende Gustav Nottebohm-collectie en - in de Duitse editie van Hanse - voor rond US$ 30,-- op het internet te koop is. Uitsluitend lezen betekent in dit geval niet 'gestoord' worden door allerlei auditieve toevoegingen van vreemde hand. Al past hier wel een waarschuwing, want zo gemakkelijk laten Beethovens schetsen zich - zeker niet voor de leek - ontcijferen. Ze waren er ook niet voor bedoeld, deze vaak lukraak over de bladzijden verdeeld en snel neergeschreven geheugensteuntjes en probeersels.

Lastig
Dat brengt me tevens op het probleem van de 'omzetting' van het geschrevene in het gehoorde omdat iedere toevoeging of alteratie (bijvoorbeeld uit puur cosmetische overwegingen) door vreemde hand het voor de luisteraar uitermate lastig zo niet onmogelijk maakt om te bepalen waar het origineel ophoudt en de 'vreemde hand' begint. Men zou dan de betreffende schetsen paraat moeten hebben om het onderscheid nog te kunnen maken. Maar dan nog is dat lastig op grond van het veelal niet coherent genoteerde schetsmateriaal. Bovendien: menige ingelaste noot in linker- of rechterhand ontsnapt al snel aan de aandacht van zelfs de geconcentreerde luisteraar.

Van fragment naar (re)constructie
Maar om alleen maar verbatim die fragmenten te spelen? Ik herinner me de workshop van Nikolaus Harnoncourt en de Wiener Philharmoniker tijdens de Salzburger Festspiele in 2002, met op het programma de fragmenten uit de onvoltooid gebleven finale van Bruckners Negende symfonie. Fragmenten die werden gespeeld zoals ze genoteerd stonden, hetgeen - hoe kon het anders - een verbrokkelde indruk maakten; en dit ondanks de gedetailleerde toelichting van de dirigent, met alle muzikale onderbrekingen die erbij hoorden. Hier ontstond duidelijk het probleem van muziek die klonk als 'zonder kop of staart'. Leonard Bernstein daarentegen presenteerde eens het openingsdeel van van Beethovens Vijfde symfonie zoals de componist het in eerste aanleg had geschetst. Menigeen zal daarbij - en dan in positieve zin - de schellen van de ogen zijn gevallen, want het gehoorde bleek heel wat meer dan een 'ear-opener' omdat het tevens een kristalhelder inzicht gaf in zowel Beethovens werkwijze als diens langdurig vijlen aan het concept. Waarbij het allengs zonneklaar werd dat wat het werkelijk was geworden (zoals we het stuk kennen), mijlenver afstond van wat het oorspronkelijk was. Het eindresultaat bleek vele malen overtuigender dan de door het New York Philharmonic gespeelde schetsmateriaal.

Rendering
Kortom, voor een doorgaand betoog zijn veelal 'vreemde' ingrepen nodig, maar het levert tegelijkertijd het nodige dualisme op tussen wat de componist oorspronkelijk heeft genoteerd en hetgeen van vreemde handen afkomstig is. Een alternatief is er evenwel niet, want het uitsluitend weergeven van het schetsmateriaal levert zelden of nooit een echt bevredigende luisterervaring op. De Italiaanse componist Luciano Berio (1925-2003) kwam op het idee om Schuberts onvoltooid gebleven Symfonie in D, D 936A aan een daarvan afgeleid maar wel degelijk nieuw model te onderwerpen: Rendering (1988/90), opgedragen aan de dirigent Riccardo Chailly. Een model dat uit de aard der zaak niet of nauwelijks tot een discussie leidde.

Van vreemde hand
Eenvoudig samengevat hebben schetsen in gereconstrueerde vorm als grootste bezwaar dat ze het werk zijn van meer handen dan uitsluitend die van de componist. Dat zien we terug bij Wyttenbach, die er niet voor terugdeinsde om uit het door Beethoven nagelaten schetsmateriaal voor op. 109 zelf maar liefst zes aanvullende variaties samen te stellen. Hieronder twee voorbeelden uit Wyttenbachs toelichting:

Variation 1 (after Artaria 195, p. 53): "The first sketched beginning of a variation (Andante con moto) is barely two bars long (.) Inspired by the romantic expression of the well-known first variation, which already foreshadows Chopin's style in gesture and sound, I sought to compose this sketch out like a kind of 'nocturne'."

Variation 2 (after Ataria 195, p. 61): "(.) could very well be a preliminary stage of the published third variation in tempo, texture and character. I have strengthened this reference by strongly accentuated rhythms and by opposing two-part harmony. In the second part I tried to establish a reference to the first movement of the sonata."

Twee kenners, twee meningen
Een vergelijkbaar probleem doet zich voor in de (een titel ontbreekt) Composition in D (in d-klein zou overigens ook prima kunnen), door de Italiaanse muziekwetenschapper Giovanni Biamonti onder nr. 213 in zijn in 1968 gepubliceerde Beethoven-werkencatalogus ondergebracht. Hij kwalificeerde het stuk als een fragment van een sonate. In 1970 publiceerde de Amerikaanse Beethoven-kenner Joseph Kerman, een transcriptie van hetzelfde stuk na het eerst grondig te hebben geanalyseerd. Hij schreef het zonder enige reserve aan de jonge Beethoven toe en bepaalde de datering ervan rond 1794/95, en daarmee tussen het onstaan van de drie Kurfürstensonaten WoO 47 (1782/83) en de drie Sonates op. 2 (1796). Het door de componist gebruikte papier kon door Kerman worden herleid naar Beethovens laatste periode in Bonn, hetgeen de gegeven datering daarmee leek te bevestigen. Het overgeleverde schetsmateriaal toont vrijwel ononderbroken melodielijnen. Het openings-Allegro is vrijwel geheel genoteerd, het Andante echter aanmerkelijk minder. Het slotdeel, een stormachtig Allegro, is dusdanig fragmentarisch uitgewerkt dat het op dit album om die reden buiten beschouwing moest blijven.

Of die 'Compositie' nu wel of geen voorbode was van een echte sonate blijft ongewis. Biamonti en Kerman bleken daarover van mening te verschillen: de eerste gaf er de titel 'sonate' aan, de tweede koos voor 'fantasie'. Wie er op deze opname naar luistert zal overigens eerder Kerman dan Biamonti gelijk moeten geven. Ik ga evenwel niet zo ver als Wong die van mening is dat het stuk al vooruitloopt op de Pianosonates op. 27 nr. 1 (de Sonate quasi una fantasia) en op. 90, waarvan de laatste niet - anders dan Wong in het boekje stelt - van de subtitel Pastorale is voorzien (want die bijnaam draaft, zoals we allemaal weten, nr. 15 in D, op. 28). Het klopt in beide gevallen sowieso niet: op. 28 noch op. 90 kan als 'fantasie' worden aangemerkt.

Ook de 'Compositie' komt er niet zonder ingrepen van vreemde hand vanaf, in dit geval die van Wong, die de in het openingsdeel ontbrekende linkerhandpartij zelf heeft 'aangevuld', naast een aantal overgangen en de daarmee verbonden modulaties. En gelet op de magere oogst heeft Wong zelf ook maar een aantal individuele stemmen ingevuld ('filled in chordally').

Joseph Bezecny
Van het Pianoconcert in D (waarvan slechts het openingsdeel is overgeleverd) is het maar de vraag of het door Beethoven überhaupt is gecomponeerd. De ontdekkingsgeschiedenis gaat terug naar 1888, toen de Oostenrijkse musicoloog Guido Adler op het spoor kwam van een onvoltooid gebleven pianoconcert. Het oorspronkelijke manuscript was verloren gegaan, maar er was wel een afschrift bewaard gebleven, in 1830 vervaardigd door de Praagse musicus Joseph Bezecny die het de titel Concert D-dur für Pianoforte mit Orchester von Ludwig van Beethoven had meegegeven. Obscuur, dat wel: het zegt immer niets over wie het stuk werkelijk heeft gecomponeerd. Dat het Beethoven was, was niet meer dan een aanname van de Tsjechische musicus. Adler kwam tot de conclusie dat het echt een vroeg Beethoven-concert was, daterend tussen 1788 en 1793. De muziekuitgeverij van Breitkopf & Härtel zal er ongetwijfeld brood in hebben gezien, want al kort na Adlers bevindingen werd het op de markt gebracht als 'onvoltooid vroeg werk van Beethoven'. Als zodanig werd het al in 1890 opgenomen in de complete Beethoven Edition.

Johann Joseph Rösler?
Waarmee dit verhaal nog verre van af was, want in 1925 was het de Duitse musicoloog Hans Engel die in zijn artikel Der Angeblich Beethovensche Klavierkonzertsatz de strijd met Adler aanbond nadat hij vijftien gedrukte orkestpartijen had ingezien van een pianoconcert van ene Johann Joseph Rösler (1771-1812), een Boheemse componist die het stuk het opusnummer 15 had meegegeven. Een 'ontdekking' was het eigenlijk niet, want al in 1809 was het door de muziekuitgever André in Offenbach am Main gepubliceerd. Voor Engel stond daarmee vast dat van een Beethoven-concert geen enkele sprake kon zijn, maar dat integendeel Rösler de ware auteur was. Rösler, tijdgenoot van Beethoven, was als pianist en componist actief in zowel Praag als Wenen en bracht als toondichter een respectabel oeuvre op zijn naam: ruim 200 werken binnen een relatief korte periode. Beethoven zal hem ongetwijfeld - mogelijk slechts zijdelings - gekend hebben, want Rösler stond in Wenen ook bekend als pianovirtuoos en was hij in Praag als 'Musikdirektor' in dienst van prins Lobkowitz, een van Beethovens belangrijkste mecenassen en steunpilaren. Rösler had grote bewondering voor niet alleen Beethoven, maar ook Mozart, aan wie hij zijn begrafeniscantate uit 1798 opdroeg (Mozart was in 1791 gestorven). Dat in Röslers werken gemakkelijk invloeden van Beethoven en Mozart zijn terug te vinden is net zo onmiskenbaar als voor de hand liggend.

Deskundigen - het doet aan het expertisecircus denken rond de wel of niet echte Rembrandt-schilderijen - verschilden toen echter al van mening of Rösler het stuk daadwerkelijk had gecomponeerd, verwijzend naar de vele 'stilistische discrepanties' tussen op. 15 en andere concerten van dezelfde componist. En dat het even stilistisch eerder wees op een vroeg werk van de toen ongeveer twintigjarige Beethoven in Bonn, die kort daarvoor uitvoerig kennis had gemaakt met het werk van Haydn en Mozart. Over twee aspecten van dat op. 15 kan iedereen het evenwel eens zijn: dat See Siang Wong voor een voortreffelijke cadens heeft gezorgd en dat het een heuse 'world premiere recording' betreft.

Geen twijfel
Nóg een Pianoconcert in D, zij het daarvan eveneens alleen het openingsdeel. Aan Beethovens auteurschap hoeft niet te worden getwijfeld. De schetsen ontstonden in de winter van 1814/15, bijna drie jaar na de première van het Vijfde pianoconcert op 12 februari 1812. Het is helaas bij die schetsen gebleven, want van een zesde pianoconcert is het uiteindelijk nooit gekomen (het officieel gepubliceerde Pianoconcert in D dat als zesde pianoconcert bekend staat is niets anders dan een omwerking door de componist van zijn Vioolconcert in D).

De schetsen uit 1814/15 beslaan maar liefst 70 pagina's, waarvan 30 (256 maten) georkestreerd op 14 notenbalken. Het materiaal bevindt zich in het muziekarchief van de Berlijnse Staatsbibliotheek. Wat ontbreekt (en dat is toch relatief veel) is in 1986 gereconstrueerd door de Britse musicoloog Nicholas Cook, samen met zijn Chinese studente Kelina Kwan. In 2015 vond alsnog nog een revisie plaats, waarbij samen met de Duitse dirigent en muziekwetenschapper Herman Dechant de coda opnieuw onder handen werd genomen. Hoewel Wong zich in het boekje behoorlijk enthousiast erover uitlaat kan ik er toch niet omheen dat het overgeleverde schetsmateriaal en de verdere aanvullingen niet meer dan een schaduw zijn van het reeds genoemde, fabuleuze 'Keizersconcert' (op. 73). Waarbij het tevens zonneklaar lijkt dat Beethoven - ondanks de toch al door hem aangebrachte talloze correcties - nog voor de uiteindelijke versie een lange weg te gaan had (die hij zeker zou hebben afgelegd, als hij daartoe althans voldoende aanleiding zou hebben gezien). Opnieuw hier een compliment voor Wong, die voor een bijzonder fraai gestileerde, eigen cadens heeft gezorgd.

Cadeautje
Tot slot dan het korte Albumblatt, dat Beethoven oorspronkelijk had bestemd als openingsdeel van op. 109, maar nu als bijdrage mocht fungeren aan de Weense pianoschool van de muziekuitgever Friedrich Starke. Later besloot Beethoven alsnog om in plaats daarvan vijf stukken uit diens Bagatellen op. 109 aan te bieden, als presentje op de grens van Oud en Nieuw 1821. Wyttenbach heeft het onvoltooid gebleven Albumblatt in de geest van die pianoschool voltooid, met daarin tevens opgenomen een reminiscentie aan Robert Schumanns Kinderszenen. Alleraardigst gevonden, dat wel, maar met Beethoven heeft dit niets van doen.

Stand van zaken
Zoals al uit de eerdere twee uitgaven van deze Beethoven-trilogie (u vindt de bespreking daarvan elders op onze site) is gebleken, is Wong een uitmuntende pianist die veel affiniteit met het Beethoven-idioom aan de dag legt. Zijn speelstijl mag zeker virtuoos fonkelend, maar ook lyrisch-expressief en uiterst muzikantesk worden genoemd, met tevens veel aandacht voor structuur en detail (beide aspecten bijten elkander niet). Kortom, dit is Beethoven-spel van de hoogste orde, waarin Wong enthousiast wordt bijgestaan door Camerata Schweiz onder leiding van de in dit repertoire gepokte en gemazelde Britse dirigent Howard Griffiths.

Voor de niet musicologisch geschoolde luisteraar zal gelden dat het hem of haar niet mee zal vallen om onderscheid te maken tussen hetgeen van Beethovens en van vreemde hand is. Maar wie wel musicologisch is geschoold zal de partituur te hulp moeten roepen; en dan nog met daarin in afwijkende kleur(en) wat niet van Beethoven stamt. Wie echter vooral geïnteresseerd is in mooie muziek in even fraaie uitvoeringen zal dit album zeker weten te waarderen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links