CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2022

Beethoven - Gegenliebe - Lieder

Klik hier voor de inhoudsopgave

Daniel Behle (tenor), Jan Schultsz (fortepiano)
Pan Classics PC 10433 • 81' •
Opname: 31 aug.-2 sept. 2020, Radiostudio, Zürich

   

Beethoven componeerde van nature al niet gemakkelijk, zoals de vele overgeleverde schetsboeken aantonen. Maar ook het ontwerpen en afronden van de zangmelodie kostte hem de nodige moeite, zoals blijkt uit de schetsen voor de liedcyclus An die ferne Geliebte. En het gebrek aan succes van Fidelio weet Cherubini aan Beethovens onkundige behandeling van de zangstemmen. Het zal evenmin toeval zijn geweest dat veel later, toen hij werkte aan de Missa Solemnis, hij een aantal frasen uit Mozarts Don Giovanni noteerde. Maar we kennen het ook uit zijn aantekeningen en correspondentie: dat de 'boodschap' belangrijker was dan de (in dit geval vocale) uitdaging. Het blijkt niet alleen uit Fidelio, de Missa (Gloria!) en de finale van de Negende symfonie.

Dat Beethoven niet gemakkelijk voor zangstemmen schreef heeft mogelijk een aanmerkelijk dieper gelegen oorzaak: zijn voorliefde voor het motief, voor niet meer dan enige kernnoten waarmee het bouwsel werd opgetuigd. Een motief dat uitgroeide tot thema en vervolgens in de doorwerking zijn hoogste troeven mocht uitspelen, tevens bijna zelfvoorzienend bedroeg aan een organisch vormgegeven canvas waarvan de aldus gecreëerde ijzersterke logica op de toehoorder de indruk vestigt dat het 'zo moest en niet anders kón zijn'. Daarin voelde hij zich als geen ander thuis, was hij volkomen in zijn element en had hij een absolute greep op de materie. Echter, daar waar het woord van buiten uit inwerkte of in moest (gaan) werken op de melodie voelde hij zich meer gebonden. De vele probeersels die zijn schetsboeken sieren laten daarover geen misverstand bestaan.

Kortom, de 'Gesangslinie' vroeg nogal wat van deze componist, zeker als het een opdracht betrof die hem niet echt kon inspireren, maar waarin hij zich als het ware wel moest vastbijten: Die Ruinen von Athen, Christus am Ölberg, de Chorphantasie, de cantates Auf den Tod Kaiser Josephs II en Auf die Erhebung Leopold II zur Kaiserwürde, het zijn als het ware schoolvoorbeelden van tamelijk problematisch vormgegeven vocalistiek, maar daarnaast menigmaal ook de instrumentale begeleiding die niet tot de verbeelding spreekt. Natuurlijk is het geen kwestie van een gebrekkige compositietechniek, maar wel van lacunes in melodisch momentum. Dat andere koorwerken er daarentegen met kop en schouders bovenuit steken zal wellicht met het gekozen onderwerp of de tekst te maken hebben gehad, zoals Meeresstille und glückliche Fahrt en Elegischer Gesang.

Dat het uiteindelijke resultaat zoals wij het kennen relatief weinig van die moeizame arbeid openbaart, zegt het nodige over Beethovens onverzettelijkheid, zijn absolute wil om dat te bereiken wat door een Duitse criticus eens werd getypeerd als 'melodischer Gestalt von grösster Volkommenheit und Dichtigkeit des formalen Gefüges'. Dus ook (niet: zelfs!) bij Beethoven wordt het gedicht tenslotte muziek. Zo wordt de schoonheid van Adelaide geen moment in de weg gezeten door het instrumentale karakter van het vocale discours. Al zullen sommigen dit lied misschien rangschikken onder het genre van de concertaria of de solocantate, en minder die van het lied.

De zoektocht naar een passende melodie, het heeft veel hoofdbrekens gekost, zelfs voor het meest eenvoudige strofenlied. De juiste melodische karakterisering, het wel of niet uitvoeriger uitwerken van de melodische bouw of van het inleidende recitatief (An die Hoffnung, 1804, 1815), of juist complexiteit inruilen voor eenvoud (An die Geliebte, 1814)?

Beethoven componeerde ruim tachtig liederen voor 'Singstimme und Klavier', waarvan er voor dit nieuwe album tweeëntwintig werden uitgekozen. Het is een fraaie afwisseling van bekende (Adelaide, An die Hoffnung, An die ferne Geliebte) en (vrij) onbekende liederen, waaronder de kostelijke canzonetta La Tiranna (op tekst van de Engelse dichter William Wennington) en het in het Italiaans gezongen Dimmi, ben mio, che m'ami van een onbekend gebleven dichter.

De verbeeldingsvolle lyrische tenor Daniel Behle draagt, zo bleek alras bij het beluisteren, deze liederen een warm hart toe: hij is er met volle overtuiging voor gegaan. Zijn vocale vocabulaire en engagement zijn rijk genoeg om Beethovens melodische en harmonische exploraties volbloedig prozaïsch leven in te blazen. Dankzij de flexibele maatvoering en de smaakvolle fraseringen is het beeld dat van een zich soepel door deze zo afwisselende 'Stimmungsbilder' bewegende zanger die aldus ieder lied zijn eigen unieke karakter geeft. Ook de dynamische proportionaliteit is binnen dit discours goed gekozen: het pianissimo behoudt zijn kern en in het fortissimo overschreeuwt hij niet, terwijl de tussenliggende gradaties borg staan voor de voorts vereiste uitdrukkingskracht. Met slechts geringe kleurings- of dynamische accenten komen de vele stemmingswisselingen tot leven zoals die uit tekst en muziek blijken. Intiem of expansief, sober of doorleefd, gloedvol of breekbaar, terloops of nadrukkelijk: het is altijd een voorbeeldig samengaan van tekst en muziek.

Maar we spreken niet voor niets van een liedduo, want de pianist is veel meer dan alleen maar een begeleider. Hij introduceert, benadrukt, becommentarieert, kleurt instrumentaal de stem en moet ook nog van het naspel iets bijzonders maken. De Nederlandse, al jaren in Zwitserland wonende en werkende Jan Schultsz blijkt een partner waarop Behle niet alleen ten volle kon vertrouwen, maar die hem - zo blijkt overvloedig uit dit recital - ook heeft geïnspireerd (zoals ook het omgekeerde ongetwijfeld het geval moet zijn geweest). Een belangrijke rol is daarbij tevens weggelegd voor het instrument: volgens het boekje een 'Grand Piano' van Carl Strobel uit 1824/1825. Deze 'Hammerflügel' biedt, mits bespeeld zoals door Schultsz, een fascinerend en bovendien verfrissend zicht op de door Beethoven gecomponeerde pianopartij. Dat is allang geen schokeffect meer: de klank van het 'hammerklavier', maae bijzonder is en blijft het.

Samenvattend: dit recital munt uit door stijlgevoel, is qua textuur strikt helder maar tegelijkertijd warm en betrokken, met oog en oor gericht op zowel het detail als de spanningsbogen, terwijl de tenor zich verzekerd weet van de uiterst gedifferentieerde pianoklank waarmee zijn interpretatie nog eens extra cachet wordt verleend. Het werkt allemaal mee: vocalistiek, pianistiek, tekstduiding en -verbeelding, contextuele kleur en fleur. Het is kortom muzikale synergie in optima forma. De in de omroepstudio in Zürich gemaakte opname is eveneens een juweel. Het enige puntje van kritiek betreft de trackindeling van An die ferne Geliebte, dat daardoor wordt voorgesteld als 'een' lied, terwijl het een zes liederen omvattende, heuse cyclus betreft die zo'n twaalf minuten in beslag neemt. Dat had dus zo niet gemoeten.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links