CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2022

Beethoven: Ouverture König Stephan op. 117 - Pianoconcert nr. 3 in c, op. 37

Sjtsjedrin: Carmen-suite

Mikhail Pletnev (piano), Orchestre de Chambre de Genève o.l.v. Gábor Takács-Nagy
Claves 50-3039/40 • 44' + 43' • (2 cd's)
Live-opname: 2 maart 2021, Victoria Hall, Genève

   

Het moet begin maart van het vorig jaar in Genève een heel gedoe zijn geweest, want op de valreep van het door de Zwitserse tv uit te zenden live- concert werd bij de concertmeester of all people corona vastgesteld. Dat had bovendien nog een anderem mogelijk zwaarwegende implicatie: dat andere musici inmiddels ook met het virus besmet zouden kunnen zijn geraakt.

De voortekenen kwamen – het staat keurig in het boekje vermeld - om 9.20 uur in de ochtend, precies veertig minuten voor aanvang van de (laatste) repetitie: “De concertmeester voelt zich niet goed,” aldus het telefoontje van productiemanager Frédéric Steinbrüchel. De enige optie op dat moment: onmiddellijk testen. Om 9.57 uur, toen het orkest nog driftig aan het stemmen was, kwam de bepaald niet verlossende mededeling: “Positief getest.” De hel brak los. De general manager verscheen op het podium: “We kunnen niet langer beschikken over de concertmeester, maar we moeten ook degenen nu isoleren die een risico vormen omdat ze met hem op de een of andere manier in contact zijn geweest. Zij die geen masker hebben gedragen en langer dan vijftien minuten in zijn directe omgeving, d.w.z. binnen een afstand van minder dan anderhalve meter hebben verkeerd, moeten nu noodgedwongen in quarantaine.” Wie, o wie? Er gingen vijf handen omhoog. Het bleek dus mee te vallen, met uiteindelijk slechts zes ontbrekende musici en bovendien keurig verdeeld over de verschillende orkestsecties. Nog een geluk bij een ongeluk: de concertmeester kon in een oogwenk worden vervangen, dankzij de hulpvaardige Svetlin Roussev, de concertmeester van het Orchestre de la Suisse Romande, die zich spontaan aanbood om in te springen. Nog meer geluk: hij kende het uit te voeren repertoire goed. De filmproducer, en hij niet alleen, kon zich in de handen knijpen: eind goed, al goed. Het concert kon, zoals gepland, gewoon doorgaan zonder noemenswaardige obstakels. Dat het publiek slechts mondjesmaat werd toegelaten, had uiteraard eveneens alles te maken met Covid-19.

Of de solist zich door deze op zich toch niet alledaagse gebeurtenis van zijn stuk heeft laten brengen? Ik heb er niets van gemerkt, zij het dat ik niet met al te groot enthousiasme aan het Derde pianoconcert begon, want eerdere ervaringen met Mikhail Pletnevs Beethoven hebben mij wat dit betreft toch wel behoorlijk kopschuw gemaakt. Een geweldige pianist, dat wel, maar menigmaal opterend voor een nogal grillige koers. Ditmaal viel het evenwel reuze mee, vielen er niet al te veel buitenissigheden te registreren, hield de pianist zich aan het strak-klassieke lijnenspel met voldoende ruimte voor aan humor grenzende spiritualiteit en energieke gedrevenheid. Wel waren er weer de nogal eigengereide accenten in met name de linkerhand (je zou het een van Pletnevs ‘handelsmerken' kunnen noemen, naar ik vermoed mede ingegeven door zijn verbluffende techniek), maar dit valt wat mij betreft toch nog wel uit te leggen als deel uitmakend van zijn persoonlijke visie op Beethoven. Dat geldt ook voor de vele versnellingen vertragingen, met name in het slotrondo. Pletnev ziet Beethovens contrapunt ook duidelijk als een hem prima passend vehikel voor de dramatische ontwikkeling, wat overdrijving evenwel gemakkelijk in de hand werkt. Dat je met minder juist meer kunt bereiken heeft in de jaren zestig Annie Fischer al bewezen, toen met het Beiers Staatsorkest onder leiding van Ferenc Fricsay, op Deutsche Grammophon. Maar anders dan bijvoorbeeld Fischer is Pletnev wel de man met een sterk ontwikkeld gevoel voor wat ik gemakshalve maar 'klankresonantie' noem, de kunst (want dat is het) om alle klankmogelijkheden dat het instrument hem biedt volledig te benutten, er álles uit te halen, er zelfs een orkestraal cachet aan te geven.

Rodion Sjtsjedrins uit dertien deeltjes bestaande Carmen-ballet is verbeeldingsvol gecomponeerd, met veel percussie, misschien wel het voornaamste kenmerk ervan. Al zeg ik er gelijk bij dat dit voor menigeen tevens een nadeel kan zijn, want we horen Carmen niet gesitueerd in een sigarettenfabriek, maar in een soort plaatwerkerij, dankzij Sjtsjedrins wapenschouw van allerhande slagwerk waarbij het ijzer wordt gesmeed als het heet is. Zoiets. Het is menigmaal schrikken geblazen, met de percussie in alle denkbare soorten en maten, waarbij het een kunst op zich is om in relatie tot het strijkerskorps een goede balans te realiseren. Dat lukt trouwens beter – het klinkt paradoxaal – als het aantal strijkers redelijk binnen de perken blijft, zoals dat in Genève gelukkig het geval was.

Waaruit bestaat het voor in totaal vier bespelers voorgeschreven slagwerk? Uit marimba, vibrafoon, xylofoon, koeienbellen, bongo's, buisklokken, snaardrum, guiro, tamboerijn, houtblokken, houten plankjes, klokkenspel, basdrum, cabasa, tempelblokken, tamtam, bekkens, hi-Hat, tom-tom, en dan ook nog van de meeste instrumenten meerdere exemplaren en bovendien in verschillende toonhoogten. Dat het niet is uitgepakt als een voortdurende heksenketel en kakofonie is vermeden is alleen maar winst, want Sjtsjedrin kon wel degelijk ook fijnbesnaard componeren.

Rodion Sjtsjedrin en Maja Plisetskaja

Het was zijn vrouw Maja Plisetskaja, prima ballerina aan het Bolsjoj, die samen met de choreograaf Alberto Alonso Sjtsjedrin voor deze eenakter wist te strikken. Ze had er al zo lang van gedroomd om Carmen te kunnen dansen... Haar man was echter wel zo slim om er geen typische Carmen-pastiche van te maken: hij gebruikte weliswaar fragmenten uit de gelijknamige opera van Bizet, maar ‘jongleerde' ook net zo kleurrijk met deeltjes uit L'Arlesienne en La Jolie Fille de Perth. De première, met uiteraard Plisetskaja in de hoofdrol, vond plaats op 20 april 1967 in het Bolsjoj-theater in Moskou.

Maar terug naar Genève, waar Gábor Takács-Nagy zich als een fijnzinnig musicus ontpopt die in deze drie werken eerder het kamermuzikale karakter benadrukt dan dat hij de grote orkestrale vorm heeft gezocht. Doorzichtigheid is dus troef, evenals een strikt heldere betoogtrant, zonder franje. Het kan bijna niet anders dan dat zijn achtergrond daarbij een rol gespeeld. Immers, Takács-Nagy verdiende zijn sporen eerst in het kamermuzikale domein: hij was in 1992 een van de oprichters van het fameuze Takács-kwartet, en in 1996 van het eveneens naar hem genoemde Pianotrio. Op Wikipedia is zijn muzikale levensloop vrij nauwkeurig in kaart gebracht.

Repetitie in Victoria Hall, Genève

Victoria Hall in Genève is een akoestisch kruidje-roer-mij-niet dat het qua opname eigenlijk niet zonder elektronische hulpmiddelen kan stellen. Met name het 'droge' karakter van de zaal blijkt steeds weer een behoorlijke handicap. Dat valt al direct op bij de (overigens artistiek eveneens uitstekend geslaagde) opmaat: Beethovens ouverture König Stephan. De technici van Polyhymnia, die vaak genoeg in die zaal aan het werk zijn geweest hebben er in de lop der tijd (ervaring maakt wijs) het nodige op weten te vinden, maar zo te horen was Jean-Claude Gaberei (nog) niet zo ver, wat overigens niet wil zeggen dat het slechts een matige opname is geworden. Het had alleen (nog) beter gekund. Wel heb ik het voortdurende zuchten en steunen van (waarschijnlijk) de dirigent als storend ervaren. Takács-Nagy had wat mij betreft eerst wel eens even bestraffend toegesproken mogen worden... Het applaus (het complete live-concert is over de twee cd's verdeeld) werd niet meegesneden. Waarom eigenlijk niet? Het is juist sfeerverhogend.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links