CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2020

Beethoven - The String Quartets - Live from Suntory Hall, Tokyo

Beethoven: Strijkkwartet nr. 3 in D, op. 18 nr. 3 - nr. 2 in G, op. 18 nr. 2 - nr. 1 in F, op. 18 nr. 1 - nr. 5 in A, op. 18 nr. 5 - nr.4 in c, op. 18 nr. 4 - nr. 6 in Bes, op. 18 nr. 6 - nr. 7 in F, op. 59 nr. 1 (Rasumowsky) - nr. 8 in e, op. 59 nr. 2 (Rasumowsky - nr. 9 in C, op. 59 nr. 3 (Rasumowsky) - nr. 10 in Es, op. 74 (Harp) - nr. 11 in f, op. 95 (Serioso) - nr. 12 in Es, op. 127 - nr. 15 in a, op. 132 - nr. 13 in Bes, op. 130 (met op. 133 als finale) - nr. 14 in cis, op. 131 - nr. 16 in F, op. 135

(B.) Mantovani: Strijkkwartet nr. 6 (Beethoveniana)

Kuss Quartett: Jana Kuss en Oliver Wille (viool), William Coleman (cello), Mikayel Hakhnazaryan (cello)
Rubicon RCD1045 (8 cd's)
Live-opname: juni 2019, Suntory Hall, Chamber Music Garden, Tokio; 21 oktober 2019 (Mantovani)

Inmiddels deels op Spotify

www.kussquartet.com/en/home-2/

 

Is het een aanbeveling dat de leden van het Kuss Quartett musiceren op een Stradivarius Paganini uit respectievelijk 1680, 1727, 1731 en 1736? Eerlijk gezegd maakt het mij als luisteraar niet veel uit, al zal dat ongetwijfeld niet gelden voor de musici in kwestie. Hoewel, laat ik maar niet de discussies oprakelen over het klankverschil tussen oude en moderne instrumenten, over hun voors en tegens, zowel tussen musici en instrumentbouwers onderling als tussen muziekliefhebbers. Misschien is het per saldo ook niet zo belangrijk en leggen uitvoering en opname het belangrijkste gewicht in de muzikale schaal.

Het Berlijnse Kuss Quartett draait al bijna twintig jaar mee en doet dat voortreffelijk. In juni 2018 speelde het met groot succes vrijwel alle Beethoven-kwartetten tijdens het Zomermuziekfestival van Hitzacker in de Duitse deelstaat Nedersaksen. En natuurlijk lag het voor de hand om ze alle zestien (of zeventien, met de tweede finale van op. 133 en met apart op. 133) integraal op cd vast te leggen, maar zoals zo vaak in het muziekbedrijf laat dat zich niet zo gemakkelijk realiseren. Al deed zich wel een geschikte gelegenheid voor, zij het niet naast de deur: in Tokio, in Suntory Hall, waar het Kuss Quartett voor was uitgenodigd in het kader van het kamermuziekfestival, met in juni 2019 maar liefst alle kwartetten op het programma. Maar welk label was bereid dit grote project te ondersteunen, laat staan op zich te nemen, in de wetenschap dat er al zoveel integrale opnamen van bestaan? En welke opnametechnicus van naam en faam kon bereid worden gevonden om naar de Japanse hoofdstad af te reizen en daar drie weken door te brengen? Uiteraard met de daarvoor benodigde, omvangrijke technische uitrusting?

Het belangrijkste goede nieuws kwam van twee belangrijke bronnen: crowdfunding en het Britse label Rubicon. Er was ook die ‘sound engineer' van naam en faam die de opname voor zijn rekening wilde nemen: Dirk Fischer, die zoals we weten, op onder meer zijn eigen label Solaire Records al voor menig subliem album heeft gezorgd. Maar er waren ook de logistieke bijdragen door Suntory Hall dat in die periode een groot aantal andere kamermuziekconcerten door andere ensembles op het programma had staan. Immers, een project als dit kon daarom niet anders betekenen dan vele malen de apparatuur eerst opbouwen en vervolgens weer afbreken. Zoals er voor Dirk Fische een aparte ruimte moest worden gecreëerd voor mengtafel, kabels en luidsprekers. Maar dankzij de helpende hand van het personeel van Suntory Hall werd het geen one-man-show.

Ongeveer rond die tijd, alle belangrijke beslissingen waren intussen genomen, lazen de leden van het Kuss Quartett in het magazine ‘The Strad' dat de Nippon Music Foundation vier ‘Paganini' Stradivari in bruikleen wilde verstrekken en dat daarvoor een aanvraag kon worden ingediend. Ook de leden van het Kuss Quartett meldden zich aan, maar kregen vervolgens te horen dat ze voor deze specifieke applicatie ‘te oud' waren bevonden. Echter, als sprake was van een bijzonder project, konden ze zich daarvoor alsnog aanmelden. Het aanstaande Beethoven-project in Suntory Hall bleek de juiste 'trigger' en aldus werd een droom werkelijkheid: de vier ‘Paganini's' werden ter beschikking gesteld. Men kon opgewekt en vol verwachting naar Tokio afreizen.

Het uiteindelijke resultaat van al die inspanningen, de concerten zelf, mag er zijn, laat zich zelfs vergelijken met dat van de beste ensembles zoals, om niet al te ver in het verleden af te dalen, het Takács, Artemis, Ébène, Belcea en Cremona (waar eens de werkplaats van Stradivarius was gevestigd). Om het nog duidelijker te zeggen: wie het Kuss Quartet een lagere waardering toekent is een snob, al laat dat detailkritiek wel degelijk toe.

De indeling van de kwartetten volgt in grove lijnen die van hun ontstaan, met als extra bijzonderheid dat voor de finale van op. 130 werd gekozen voor de fuga die later als ‘Grosse Fuge' op. 133 apart werd uitgegeven (door het Kuss Quartet overigens buitengewoon intens vertolkt). Het later gecomponeerde Allegro is op dit album als alternatief niet vastgelegd, wat me overigens logisch lijkt: dit zijn live-uitvoeringen en het lijkt me een uitgemaakte zaak dat na de uitvoering van de vijf delen er geen ruimte kan zijn voor beide finales: de keus is eenvoudig de ene of de andere.

Toegegeven, het is een bijna groteske overgang van dat diep bezonken vijfde deel, de beroemde Cavatina (adagio molto) naar de bijna ongebreidelde hectiek in dubbel forte van de door roeien en ruiten gaande fuga. Tijdens de eerste uitvoering door het Schuppanzigh Kwartet op 21 maart 1826 riep die kolossale fuga bij musici en toehoorders zoveel problemen op dat de muziekuitgever Matthias Artaria, die de publicatierechten inmiddels had verworven, aan Beethoven voorzichtig voorstelde om dan toch maar een andere, veel minder veeleisende finale te componeren. Een voor de hand liggende, praktische oplossing waar wonderlijk genoeg de weerbarstige Beethoven wel oren naar had. Nog tijdens zijn (tamelijkl ongelukkig verlopen) verblijf op het landgoed van zijn broer Johann in Gneixendorf bij Krems zette hij zich aan de nieuwe finale voor het kwartet, die reeds in december van datzelfde jaar door het Schuppanzigh Kwartet ten doop werd gehouden en alsnog een warm onthaal kreeg.

Interessant om ook bij het Kuss Quartett te horen hoezeer de moderne speelcultuur zich in de afgelopen drie decennia heeft weten te stabiliseren. Het heeft onder meer een eigentijdse Beethoven opgeleverd die, als we aanzienlijk dieper de discografische geschiedenis induiken, behoorlijk verschilt van die van bijvoorbeeld de jaren dertig en veertig. Een beeld overigens dat we niet alleen terugzien in het strijkkwartet, maar ook in alle andere genres. Het beeld is dat van een aangename scherpte in de profilering en ondanks de wel degelijk intense expressie een zekere mate van nuchterheid in de behandeling van frases, tempowisselingen en dynamiek. Dat verloopt bepaald anders dan bij bijvoorbeeld het Busch of het Hongaars Strijkkwartet. Een, om die term te gebruiken, (nog) zuiverder beeld wordt pas manifest met de komst van het Amadeus Quartet in de door het Berlijnse RIAS gemaakte opnamen uit de jaren vijftig en zestig. Dat was in dezelfde tijd dat Karl Ristenpart bij hetzelfde RIAS aan zijn Bach-cantateproject begon en ook daarin een ‘nieuw geluid' liet horen. Dergelijke verschuivingen helpen de muziekwereld onmiskenbaar vooruit, ontdoen haar van een museale functie, wat overigens niet betekent dat daardoor ook het hoofdonderwerp, de muziek zelf, per definitie vooruit wordt geholpen. Zo eenvoudig liggen de kaarten ook weer niet.

De eigentijdse Beethoven van het Kuss Quartett wordt gekenmerkt door grote vitaliteit en de moed om binnen die net zo eigentijdse speelcultuur een echt eigen stem te laten horen. met name met behulp van kortstondige tempoverbreding omwille van de expressie en harmonische accentuering. Maar er heerst ook een zekere mate van vrijheid, al blijft die binnen de contouren van de huidige muziekpraktijk (daardoor ook géén portamenti of overdreven vibrato!). Daardoor verloopt het discours minder streng dan we van andere toonaangevende ensembles wellicht gewend zijn. Wie hierover de wenkbrauwen fronst moet wel bedenken dat muzikale individualiteit ook binnen de ensembletechniek een belangrijk goed is en blijft. Dat het dan soms net ‘over de top uitpakt heeft zowel te maken met het feit dat het live-uitvoeringen betreft als daaraan inherente, uitgesproken spontane karakter.

Ook de gekozen tempi blijken door de bank genomen een schot in de roos, al is die keus in een ondergeschikt geval niet helemaal gelukkig: zo is in deze uitvoering de inleiding van op. 59 nr. 3 is, afgezien van een mogelijke discussie over Beethovens wel of niet kwestieuze metronoomaanduidingen, een Adagio en geen Andante con moto, waardoor de transitie naar het direct daarop volgende Allegro zich daardoor te scherp aftekent. In het zowel structureel complexe als diep gelaagde op. 131 ontbreekt het soms aan voldoende cohesie (sowieso al geen geringe opgave, met alleen al in het vierde deel maar liefst negen tempowisselingen!), maar let wel: het zijn slechts uitzonderingen en absoluut niet meer dan dat.

Het wordt weleens onderschat, maar in Beethovens kwartetten, ook in de late, huist echt de humor, al is die nooit grof of plat. Die passages hoeven er bovendien niet uitgelicht te worden: als zoals in deze vertolkingen de ritmiek wordt gerespecteerd zijn die vrolijke kwinkslagen echt niet te missen, zoals ook de instrumentale wisselwerking er menigmaal toe bijdraagt dat de humor als kunstuiting tot de meest edele vorm van het komische wordt getransformeerd.

De een ervaart het als storend, de ander als substantieel onderdeel van een live-uitvoering: het slotapplaus. In feite kan in beide gevallen worden voorzien door de bijval in een aparte track onder te brengen en de cd-speler navenant kan worden geprogrammeerd. De producer heeft echter daarvan afgezien: het slotapplaus maakt onlosmakelijk deel uit van de laatste track. Maar waarom dat niet consequent toegepast na alle slotdelen? Wel in het ene en niet in het andere geval? Merkwaardig, al doet dit uiteraard geen enkele afbreuk aan het geheel.

Een ander bijkomend aspect is de vastgelegde positionering van de musici op het podium. Dirk Fischer zal ongetwijfeld met duct tape de exacte positie van de vier leden hebben aangegeven, voorts aannemende dat dit tussentijds niet is verwijderd. Toch merkte ik af en toe iets van een positionele verschuiving (het kan ook faseverschuiving zijn). Het is niet storend en bovendien staat er tegenover dat het publiek werkelijk muisstil moet zijn geweest.

Er is nog sprake van een bonus in de vorm van het Zesde strijkkwartet ‘Beethoveniana' van Bruno Mantovani (1974), de zoon van jawel de eens in suikerzoete strijkerscantilenen grossierende Annunzio Paolo Mantovani met zijn eigen orkest. Ik neem aan dat het, gelet op de opnamedatum, een studioregistratie betreft. Het stuk is een typische lappendeken geworden doordat Mantovani als strooigoed uit alle kwartetten citeert, hoewel hij ook vooruitkijkt, naar Beethovens 'opvolger' in dit genre: Béla Bartók. Een aantrekkelijk stuk en daarmee een voortreffelijke prestatie.

Tot slot de opname die, zeker gelet de omstandigheden rond een dergelijke grootschalige live-productie, eveneens bijzonder geslaagd mag worden genoemd. Dirk Fischer heeft ervoor gewaakt dat we er als toehoorders te dicht op zitten (waardoor je bij wijze van spreken de hars van je broek kunt kloppen), zonder dat het ten koste is gegaan van de definitie. Het geldt voor ieder strijkkkwartet: dat de stemvoering tot in detail binnen de totale architectuur kan worden gevolgd. Een kwestie van balans dus en ook dat is uitstekend gelukt. Het is uiteraard primair aan de vier musici om in deze op hoog niveau staande muzikale conversatie de eigen stem afwisselend te laten prevaleren, met de andere stemmen te versmelten of juist daaraan ondergeschikt te maken. Al kan de producer met de blik op de partituur uiteraard wel enigszins bijsturen, mede afhankelijk van het aantal microfoons (opnamekanalen) dat hij voor deze klus heeft opgesteld.

Deze prestatie van het Kuss Quartett liegt er niet om en dan te bedenken dat het live-uitvoeringen betreft en van ‘patches' later in de studio geen sprake zal zijn geweest. Het zegt bovendien iets over het grote vertrouwen in het eigen kunnen: de 16 strijkkwartetten van Beethoven live laten vastleggen kan op geen enkele andere wijze worden uitgelegd.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links