CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2020

RESOUND BEETHOVEN (8)

Beethoven: Symfonie nr. 5 in c, op. 67 - nr. 6 in F, op. 68 (Pastorale)

Orchester Wiener Akademie o.l.v. Martin Haselböck
Alpha 479 • 80' •
Opname: november 2018 en juli 2019, Palais Niederösterreich, Wenen

   

In de serie ‘Resound Beethoven' zijn we met dit nieuwe album aan het einde gekomen van een lange reis die ons langs alle symfonieën en pianoconcerten voert. De Vijfde en Zesde symfonie vormen het waardige sluitstuk van wat best een avontuurlijke onderneming mag worden genoemd: uitvoeringen op Weense locaties waar de werken of voor het eerst klonken en met gebruikmaking van de originele instrumenten (meestal replica's). Dat eerste lukte overigens niet in alle gevallen, want van de zes premièrelocaties zijn er nog slechts vier voorhanden, afgezien van de acht zalen en theaters waar Beethovens orkestwerken in die tijd werden uitgevoerd.

Dit project heeft iets van het creëren van een illusie, al is de praktische uitwerking ervan wel degelijk lovenswaardig. Al is het alleen maar omdat Haselböck (1954) de dirigent bij uitstek blijkt om het oude met het heden te verbinden. Maar het zegt natuurlijk ook wel het nodige over de onvergankelijkheid van deze door en door geniale muziek die ook vandaag de dag wereldwijd nog steeds miljoenen aantrekt. En kan er bovendien niets op tegen zijn om dit grootse werk vanuit verschillende invalshoeken te belichten of op basis van nieuwe, verfrissende inzichten tegen het licht te houden.

Het op dit album samenbrengen van de Vijfde en Zesde symfonie is een logisch voortvloeisel van dat gedenkwaardige concert dat op 22 december 1808 plaatsvond in het Theater an der Wien. Dat moet een hele zit zijn geweest in een bovendien onverwarmde zaal, want Beethoven had voor de gelegenheid een programma samengesteld dat maar liefst vier uur in beslag nam. Behalve de Vijfde en de Zesde symfonie stonden het Vierde pianoconcert, de Koorfantasie, een piano-improvisatie (later door de componist uitgewerkt als de Fantasie in g, op. 77), het Gloria en Sanctus uit de Mis in C (op. 86) en de concertaria ‘Ah! Perfido'.

Haselböck koos evenwel voor een andere locatie: het Palais Niederösterreich dat vanaf 1813 de belangrijkste concertzaal in Wenen was, een positie die het vanaf 1818 moest delen met het Kärtnertortheater en de Redoutenzalen. Waarom niet voor de premièrelocatie? In het boekje wordt het niet verklaard, maar mogelijk vond men het Theater an der Wien om welke reden(en) ook niet aantrekkelijk genoeg. Met bovendien de kanttekening dat het oorspronkelijke theater in de loop der tijd aan meerdere ingrijpende verbouwingen en restauratiewerkzaamheden onderhevig is geweest en alleen al daardoor de oorspronkelijke akoestiek niet kon worden geconserveerd.

Het orkest dat Beethoven tijdens de première ter beschikking stond was ad hoc samengesteld en volgens tijdgenoten een allegaartje. Dat kan tweehonderd jaar later bepaald niet worden gezegd van het door Haselböck (hij is tevens een gerenommeerd organist) in 2004 opgerichte Orchester Wiener Akademie dat zich als een topensemble laat gelden dat de dirigent op zijn kleinste wenken heeft bediend. Ook bezien vanuit de historiserende uitvoeringspraktijk hebben we hier te maken met modeluitvoeringen die een en al sfeer uitstralen. Het ‘authentieke' instrumentarium klinkt uitgesproken rijk en gloedvol, de vele soli vormen eveneens een lust voor het oor en iedere noot staat als een huis. Wat eveneens opvalt is Haselböcks aandacht voor het detail en incidenteel een net iets andere opvatting omtrent zo'n belangrijke kwestie als de balans tussen de verschillende instrumentengroepen maar ook onderling (hout- en koperblazers, strijkers). Vanuit die knap gerealiseerde gelaagdheid levert dat menigmaal extra boeiende vergezichten op. Wat ook treft zijn de vlotte, maar nooit overhaaste tempi. Er wordt perfect gearticuleerd en van enige jachtigheid is geen sprake. Afgezien van Beethovens eigen metronoomcijfers (het zal ongetwijfeld een discussiepunt blijven) neemt Haselböck het derde deel van het ‘lustige Zusammensein der Landleute' in een heus Allegro-tempo (zo staat het ook in de partituur), nog iets versneld in de recapitulatie en daardoor eerder te karakteriseren als een flitsend scherzo. Andere dirigenten kiezen liever voor een Allegro ma non troppo, waardoor dit deel meer weg heeft van een typisch Oostenrijkse ländler. De voorbereiding van de transitie naar 'Gewitter, Sturm' is net zo geslaagd als de spectaculaire lichtflitsen en donderslagen die erop volgen.

Mooi opgenomen (o.a. de hoorns klinken echt glorieus, al had ik de eerste en tweede violen liever respectievelijk links en rechts van de dirigent gehoord) is dit kort en goed een album dat er absoluut zijn mag. Wel of geen Beethoven-jaar...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links