CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2018

 

Beethoven - Symphonies & Overtures

Beethoven: Symfonie nr. 1 in C, op. 21 - nr. 2 in D, op. 36 - nr. 3 in Es, op. 55 (Eroica) - nr. 4 in Bes, op. 60 - nr. 5 in c, op. 67 - nr. 6 in F, op. 68 (Pastorale) - nr. 7 in A, op. 92 - nr. 8 in F, op. 93 - nr. 9 in d, op. 125 - Ouverture Die Geschöpfe des Promotheus op. 43 - Coriolan op. 62 - Egmont op. 84 - Die Ruinen von Athen op. 113 - Die Weihe des Hauses op. 124

Anna-Kristiina Kaappola (sopraan), Marianne Beate Kieland (alt), Markus Schäfer (tenor), Thomas Bauer (bas), Koor en Anima Eterna Brugge o.l.v. Jos van Immerseel
Alpha 380 (6 cd's)
Opname: december 2005, mei en november 2006, april en december 2007, Concertgebouw, Brugge (B)

   

Van deze Beethoven-set met het ‘authentieke' Anima Eterna Brugge onder leiding van Jos van Immerseel had ik niet meer verwacht. En dat mag als een aanbeveling worden gelezen, al zijn er naast de vele plussen ook enige minnen. Natuurlijk, vergelijkingen liggen voor de hand, en dan met name met aanverwante ensembles als de Hanover Band, The English Concert, het Orchestre Révolutionnaire et Romantique, en natuurlijk – zelfs tweemaal! - het Orkest van de Achttiende Eeuw, toen geleid door Frans Brüggen.

Als er bij de Bruggenaren al iets nieuws te bespeuren valt, dan geldt dat vooral voor de door Van Immerseel ingezette typisch Weense blaasinstrumenten op basis van de stemming A=440Hz. Dat Van Immerseel in praktische zin bovendien een sterk pleidooi houdt voor Beethovens metronoomaanduidingen zal evenmin een verrassing opleveren. Je bent wat dit betreft streng in de leer, of niet. Wat niet wegneemt dat de discussie hierover al decennialang door alle gelederen van het muziekbedrijf loopt. Een feit is wel dat Van Immerseel cum suis met deze spatgelijke vertolkingen aantonen dat Beethovens aanduidingen wel degelijk een uitstekend speelbaar geheel opleveren. Mit de articulatie er niet hoorbaar onder lijdt, want dan krijgt jachtigheid al gauw de kans om het discours te bederven. Dat 'lesje' moest in het prille begin van het 'authentieke' tijdperk wel eerst geleerd worden.
Dat er in zowel dit negental als in de ouvertures pittige dynamische accenten worden gezet en de vele syncopen het volle pond krijgen, ligt net zo in de natuur der dingen. Zoals ook niets wordt verdoezeld of gecosmetiseerd. Het leidt tot een met veel spanning geladen ‘hautnah' musiceren, wat met een bescheiden gehouden bezetting* gemakkelijker te realiseren is dan met een tot de tanden gewapend symfonieorkest. Musiceren op het scherp van de snede, met heel veel drive, kwistig rondgestrooide kruidige accenten en zo virtuoos gespeeld dat het adembenemend is. Wat niet wil zeggen dat we een bijtende Beethoven krijgen voorgeschoteld. Integendeel, Van Immerseel weet ook de vele bekoorlijke en betoverende kanten van deze muziek het juiste gewicht te geven, waarbij ook de soms smeltende lyriek alle kansen krijgt om fraai op te bloeien (met als schoolvoorbeeld het adagio van de Vierde). Zoals ook het fraai gedimensioneerde koper volop jolijt uitstralen (finale van de Zevende) en wie zoekt naar een proeve van ritmische bekwaamheid verwijs ik graag naar het fenomenaal geaccentueerde Scherzo van de Negende.

Veel hosanna dus, al zijn er - zoals meestal in een dergelijke cyclus - ook enige tegenvallers te registreren, te beginnen bij een merendeels van dramatiek gespeende Egmont-ouverture, een weinig spirituele en vlammende Achtste en in de Negende het van expressief momentum beroofde Adagio dat in vlakheid excelleert. Waar dan wel weer een fraai gewelfde koorfinale tegenoverstaat, met vier uitstekende solisten en een van groot enthousiasme getuigend, eveneens voortreffelijk presterend koor.

Pluspunten zijn er legio, zoals een van spanning zinderende Eroica, een bijna uit zijn dansante voegen barstende, euforische Zevende, een uiterst bondig geformuleerde, maar wel uiterst krachtige en daardoor volkomen overtuigende Vijfde, de ‘Pastorale' waarin de landelijke sfeer met meesterhand wordt getroffen (al had de onweerscène wat mij betreft wel wat heviger aangezet mogen worden) en de bijzonder verfrissende vertolkingen van de beide eerstelingen. Ook Van Immerseel levert trouwens het klinkende bewijs van die bekende uitspraak van Karl Böhm: dat het juiste tempo al de helft van een goede vertolking uitmaakt.

De Egmont-ouverture mag dan spanningsloos zijn, dat geldt zeker niet voor de overige vier ouvertures, met als hoogtepunt een barse en zelfs onverzettelijke, maar gelukkig vlot genomen Coriolan-ouverture waarin spanning en drama te snijden zijn. De overige drie ouvertures (Prometheus, Die Ruinen von Athen en Die Weihe des Hauses) behoren niet tot Beethovens beste prestaties op dit gebied, maar Van Immerseel maakt er wel degelijk het beste van.

Tot slot nog een apart compliment aan het adres van opnametechnicus Bert van der Wolf, die voor ware juweeltjes heeft gezorgd. Goed om deze uit de periode 2005-07 stammende opnamen weer eens onder de aandacht te brengen (ze verschenen al eerder, in verschillende gedaante) . Het is meer dan een geste dat in het boekje de volledige orkestbezetting per symfonie en ouverture staat afgedrukt, aangevuld met de vier solisten en alle individuele koorleden in de Negende. Van Immerseel zorgde zelf voor een uitgebreide toelichting onder de veelzeggende titel ‘In search of lost time: Beethoven and his orchestra'; en die is om van te smullen. Afbeeldingen van de gebruikte instrumenten completeren de boeiende en zeer verhelderende uiteenzetting.

_______________
*Als sprekend voorbeeld de bezetting voor de 'Eroica': viool I = 6, viool II = 6, viola = 6, cello = 4, contrabas = 3, fluit = 2, hobo = 2, klarinet = 2, fagot = 2, hoorn = 3, trompet = 2, pauken = 1, totaal = 39.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links