CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2017

 

Bartók: Pianosonate Sz 80 - Drie Hongaarse volksliedjes uit het Csík District Sz 35a - Sonatine Sz 55 - Drie rondo's op Slovaakse volksliedjes Sz 84 - Études Sz 72 - - Sonate voor twee piano's en slagwerk Sz 110

Cédric Tiberghien en François-Frédéric Guy (piano), Colin Currie en Sam Walton (slagwerk)

Hyperion CDA68153 • 66' •

Opname: november 2014, maart en juni 2015, januari 2016, Henry Wood Hall, Londen

 

Béla Bartók bezocht in 1907 de regio Csík in Transylvanië, toen nog deel uitmakend van het koninkrijk Hongarije. De dan zesentwintigjarige componist was kort daarvoor hevig verliefd geraakt op de jonge violiste Stefi Geyer, aan wie hij zijn Eerste vioolconcert zou opdragen. Het was vanuit haar huis dat hij op 1 juli per trein afreisde naar Csík om daar twee maanden lang volksmuziek te verzamelen. Daar maakte hij kennis met een schier eindeloze stroom volksmelodieën, waaronder een groot aantal dat werd gezongen en gespeeld door de etnische Hongaren, de Székelys, die in meerderheid in dit gebied woonden en werkten. Drie van die melodieën, aan Bartók voorgespeeld door Áron Balog op een soort boerenfluit, vonden een plekje in de Drie Hongaarse volksliederen uit de regio Csík die Bartók componeerde. Zo ging het in feite ook met de driedelige Sonatine uit 1915, die later zou uitmonden in de orkestrale Transylvaanse dansen. Beide werken zijn ontleend aan vijf authentieke volksliedjes die Bartók tussen februari 1910 en april 1914 in Transylvanië had verzameld. Het is ronduit verbazingwekkend dat het om uitgesproken kunstmuziek gaat, terwijl Bartók de muzikale folklore in zijn compositie vrijwel intact heeft gelaten. De drie Rondo's op Slovaakse volksliedjes kregen een vergelijkbare behandeling: anders dan in zijn latere jaren bleef Bartók ook hier nog ver verwijderd van de meest uiteenlopende, maar vaak complexe stilistische bewerkingen. De gemakkelijke toegankelijkheid ervan verklaart dat ze in die tijd al populair waren.

Hoe anders zijn de virtuoze Études op. 18 uit 1918, waarin Bartók naar hartenlust experimenteerde met de chromatiek, hevig schurende dissonanten inlast en zich verlaat op een buitengewoon complexe ritmiek (het is een ware heksentoer om alleen al het slotdeel zonder kleerscheuren door te komen: de maatindeling is deels 11/16 en 15/16, terwijl de maten elkaar in hoog tempo afwisselen). Het zouden zijn eerste en tevens laatste 'verkenningen' zijn op het gebied van de etude in de traditie van Chopin, Liszt en Busoni. Wie in de impressionistisch getinte tweede étude een vleugje Debussy ontwaart heeft het overigens bij het rechte eind.
De Pianosonate dateert uit 1926, op zich een rijk jaar aan pianowerken, met onder meer het Eerste pianoconcert. Het werk lijkt zowel technisch als esthetisch een logisch vervolg op het Allegro barbaro en de Suite op. 14. Mogelijk werd Bartók beïnvloed door een concert met muziek van Stravinsky (het Pianoconcert, met de componist aan de vleugel), dat hij op 15 maart van dat jaar in Boedapest had bijgewoond. Dat het stuk merendeels in E-groot is genoteerd doet weinig af aan de complexiteit ervan. In sommige passages weerspiegelen het virtuoze karakter en het pianistische kleurenspectrum dat van Ravels 'Gaspard de la nuit' (en dan met name 'Le gibet'), al is de sfeer in Bartóks Sonate nog grimmiger en soberder.

De Sonate voor twee piano's en percussie is het ware pièce de résistance, zowel naar tijdsduur (ruim 25 minuten) als naar inhoud gemeten. Zonder de Zwitserse dirigent en mecenas Paul Sacher zouden we het opus waarschijnlijk nooit hebben gehad. Hij had Bartók om een nieuw kamermuziekwerk gevraagd. Er borrelden bij de componist verschillende ideeën op, waaronder een kwartet voor piano's en slagwerk, maar ook een pianotrio en een werk voor zangstem en piano. Uiteindelijk werd op 30 juni 1937 het ei gelegd: het werd het genoemde kwartet, maar nu met een andere naamgeving: de Sonate voor twee piano's en slagwerk. Dat had alleen maaqr een puur praktische kant: Bartók kon zich namelijk uitvoeringen voorstellen waarbij meer dan twee slagwerkers nodig zouden zijn. Toen Bartók aan de Sonate begon had hij al een groot aantal meesterwerken op zijn naam staan: de Cantata profana (1930), het Vijfde strijkkwartet (1934) en de Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta (1936). De Sonate componeerde Bartók met het oog op uitvoering door hemzelf en zijn vrouw Ditta, beiden aan de piano. Dat gebeurde later ook. Bartók maakte later nog een bewerking voor twee piano's en orkest, een werk dat de beide Bartóks voor het laatst speelden op 22 en 23 april 1943 in Carnegie Hall in New York. Daarmee zou het tevens Bartóks laatste publieke optreden zijn. De driedelige Sonate was in die tijd een waar unicum: nog niet eerder had een componist voor een dergelijke bezetting een stuk geschreven. Daar kwam nog bij dat de 'aanpak' van de percussie afweek van wat toen gebruikelijk was. De percussionisten moesten zich ontfermen over drie pauken, een grote trom, twee snaartrommels, bekkens, triangel, gong en xylofoon, precies opgesteld volgens de aanwijzingen van de componist. Bartók liet ook verder weinig aan het toeval over: zo wordt in de partituur nauwkeurig aangegeven welk deel van de bekkens met welke stok moet worden aangeslagen. Waarbij het interessant is om zelf te horen hoezeer Bartók het eraan gelegen was om niet alleen het kleurrijke karakter maar ook de articulerende aspecten van het slagwerk in zijn compositie het volle pond te geven. Kleur en articulatie gaan vaak ook gelijk op. In zekere zin kan van de beide pianopartijen hetzelfde worden gezegd: ze fungeren niet alleen als melodie-, maar ook als ritmisch en percussief instrument, waarbij de ritmische articulatie een belangrijke en soms zelfs dominante rol vervult.

De Franse pianist Cédric Tiberghien heeft zich op het complete piano-oeuvre van Béla Bartók gestort en dat doet hij met een enorme dosis muzikaliteit en het vereiste technisch vlagvertoon. Aldus treedt hij in de voetsporen van een aantal zeer illustere voorgangers, waaronder maar liefst drie Hongaren: Andor Földes, György Sandór en Zoltán Kocsis. Welke van deze drie in dit repertoire als maatgevend moeten worden beschouwd is gemakkelijker gezegd dan bepaald, maar naar mijn gevoel komt Kocsis (hij overleed vrij kort geleden, op 6 november 2016, aan hartfalen) er het dichtst bij in de buurt. Bij Tibeghien ligt het een graadje anders, wat niet met zijn pianistiek maar wel met zijn Franse inslag te maken lijkt te hebben. Bartóks grilligheid in de solostukken blijft onderbelicht, de tempokeus is niet altijd logisch, er wordt wanneer het erop aankomt niet doorgepakt en over de uitvoering hangt een zweem van mildheid die deze muziek niet past. Er is ook sprake van een lichtheid die deze werken net weer in ander perspectief plaatst.Wat overigens niet kan worden gezegd van de Sonate voor twee piano's en slagwerk, waarin hij zijn partner François Frédéric Guy, maar ook de beide slagwerkers op het scherp van de ritmische snede partij geeft. Waardoor het gelijk een van de beste uitvoeringen in de catalogus is geworden.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links