CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2017

 

Bartók: Strijkkwartetten (compl.)

Bartók: Strijkkwartet nr. 1 Sz 40 - nr. 2 Sz 67 - nr. 3 Sz 85 - nr. 4 Sz 91 - nr. 5 Sz 102 - nr. 6 Sz 114

Végh Quartet (Sándor Végh en Sándor Zöldy, viool; Georges Janzer, altviool; Paul Szabo, cello)

Praga Digitals Genuine Stereo Lab • 76' + 79' • (2 cd's)

Opname: 1954

 

Deze opnamen uit 1954 en zijn volgens het cd-boekje geremasterd op basis van ‘studio first recordings'. Pas medio jaren vijftig van de vorige eeuw drong commercieel stereo tot de consumentenmarkt door, te beginnen in de VS (RCA gold daar op dit gebied als koploper). Het stereobeeld dat we in deze opnamen krijgen voorgeschoteld is in ieder geval minder breed, de instrumentale separatie minder dan we gewend zijn. Toch moet gezegd worden dat ook beluistering via de hoofdtelefoon een alleszins bevredigend resultaat oplevert.

Het Hongaarse Végh Kwartet was een van de ensembles waarvan de samenstelling na zijn oprichting in 1940 door de violist Sándor Végh, tevens de primarius binnen het gezelschap, door de jaren heen homogeen is gebleven. In tegenstelling tot andere ensembles, zoals het Hongaars Strijkkwartet, bleven de leden van het Végh maar liefst veertig jaar bij elkaar. In technisch opzicht gaven de beide kwartetten elkaar slechts weinig toe, al was de linkerhand van Végh niet altijd even trefzeker, een probleem dat hem zeker in zijn latere jaren nogal eens parten kon spelen. Wat niet wegneemt dat de discografische geschiedenis is verrijkt met vier zeer sterke muzikale karakters die zich met huid en haar overgaven aan de strijkkwartetten van Bartók, met bijzonder fascinerende resultaten tot gevolg.
Voor mij geldt Bartóks zesde en laatste kwartet als de toetssteen voor de overige vijf. De introductie doet sterk denken aan het aarzelende begin van Mahlers Tiende, maar door het monolithische karakter van dat kwartet staat het toch geheel en al op zichzelf. Een prachtig voorbeeld daarvan is het ‘Mesto-Marcia' dat onder de handen van het Végh tot een werkelijk ongenaakbare schoonheid uitgroeit. En dan is er het late kwartetoeuvre van Beethoven dat in het begin van het ‘Mesto-Burletta: moderato' als spookverschijning vanachter de coulissen zijn opwachting maakt. In de visie van het Végh vindt er een voortdurende confrontatie plaats tussen eigenzinnige, lyrische distantie (Eerste kwartet, ‘Poco a poco accelerando') en (in dit geval letterlijk!) grensverleggende, folkloristisch getinte expansie (Vierde kwartet, ‘Allegro molto'). Ook het soms ruwe, vaak zelfs opstandige karakter van deze muziek wordt met het volle pond rechtgedaan. Zeker, het Juilliard, Takács en Emerson doen niet voor het Végh onder, ze zijn technisch nog een gradatie beter toegerust, maar de Hongaren heeft naast de onweerstaanbare turbulentie in hun spel nog iets bijzonders in haar vaandel: een zekere mate van authenticiteit die zich niet zo gemakkelijk laat verklaren omdat het een onbestemd karakter heeft. De wereld van Bartók is duidelijk hun wereld, al bevond de componist zich in het oprichtingsjaar al in New York, zijn geboorteland ontvlucht en wonend in een appartement aan een drukke verkeersader als een treurige banneling. Hij zal het Végh Quartet wel hebben gekend (Sandór Vegh behoorde als violist tot Bartóks muzikale vriendenkring), maar in New York geen uitvoeringen van het ensemble hebben meegekregen. Toen Bartók in 1945 in New York overleed had het Végh nog geen opnamen van zijn werk gemaakt. De eerste Bartók-opnamen kwamen pas in 1954. Het Végh heeft het lang volgehouden: eerst in 1980 werd het ontbonden. Als u een representatief beeld wilt van de door het Végh gemaakt opnamen verwijs ik u graag naar de site van Scribendum. De doos met 14 cd's bevat overigens ook deze opname van Bartóks zes strijkkwartetten uit 1954. De geluidskwaliteit van de Praga-set is echter aanmerkelijk beter.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links