CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2012

 

 

Bartók: Divertimento BB118 - Uit twee- en driestemmige koorstukken BB 111: Huzaar - Blijf hier! - Lied van de flierefluiter - Zwerven - Brood bakken - Vertel mij alleen - Schimpen

Bartók/Willner:
Roemeense volksdansen (bewerking voor strijkorkest)

Lutoslawski: Musique funèbre (Trauermusik)

Hongaars Radiokinderkoor, Stuttgarter Kammerorchester o.l.v. Dennis Russell Davies

ECM New Series 2169 476 4672 • 61' •

Opname:
mei 2004 en februari 2010, Liederhalle, Stuttgart

www.ecmrecords.nl


Dit is een fraaie koppeling: drie stukken van Béla Bartók (1881-1945) gekoppeld aan de door Witold Lutoslawski (1913-1994) aan Bartók opgedragen treurmuziek. Een wel heel bijzondere opdracht, want de Poolse componist had nog niet eerder en evenmin daarna een stuk aan welke collega ook opgedragen. Waarom dan toch deze hommage aan de grote Hongaar die zijn geboortegrond nooit los heeft kunnen laten en als emigré in New York de eindjes aan elkaar moest zien te knopen? Om ten slotte daar, zo ver van huis, aan leukemie te bezwijken. Een moeizaam leven zonder vaderland, desolaat, na die enorme stap van het Hongaarse platteland en de geestelijke beschutting biedende hoofdstad naar die afschuwelijk drukke straat in het onbeschutte New York, waar de voortdurende herrie en de dagelijkse beslommeringen hem van het geconcentreerd werken afhield.

Hoe zag Lutoslawski Bartók eigenlijk? Als de enige kunstenaar onder diens tijdgenoten die de top van Beethovens menselijk denken en voelen wist te beklimmen. Dat zegt in feite alles over Lutoslawski's diepe bewondering voor Bartók. In feite meer dan die treurmuziek zelf, want die snijdt uitgerekend de weg naar Bartóks muziek zelf af. Uitgerekend in zijn letterlijke betekenis, want Lutoslawski gebruikte de reeksentechniek, een voor hem toen nieuwe 'klanktaal', om daarmee zijn bewondering voor Bartók uit te drukken. Bartók zelf had immers geen affiniteit met Schönbergs twaalftoonssysteem. Mogelijk moeten we in Lutoslawski's partituur zijn cryptische verwijzing naar het apogeum wel gewoon letterlijk nemen: als een punt in de baan van een hemellichaam dat het verst van de aarde is verwijderd. In de treurmuziek zelf de doelbewust geschapen afstand tussen de 'taal' van Bartók en die van Lutoslawski's dodecafonie, terwijl het toch muziek is in de geest van Bartók, zelfbewust en sterk, niet verwaaiend tot een doelloos samenraapsel van treurnis en probeersel.

Het laatste werk dat Bartók componeerde vóór zijn vertrek naar de V.S. was het Divertimento (1939) dat met het Concert voor orkest (het is niet toevallig dat ook Lutoslawski een Concert voor orkest schreef!) nog steeds tot zijn meest gespeelde stukken behoort, niet in de laatste plaats door het voortdurend pulserende folkloristische koloriet.van zijn geboorteland..Wie gaat niet door de knieën voor alleen al het slotdeel van dat Divertimento, met zijn onweerstaanbare pizzicato-polka? Het zal Bartók zwaar zijn gevallen dat hij, reeds in Amerika, de première in Basel op 11 juni 1940 door het Basler Kammerorchester onder leiding van Paul Sacher (die Bartók de compositieopdracht had verstrekt) niet kon bijwonen. Zelf herinner ik me nog mijn eerste kennismaking met dit fantastische, om maar niet te zeggen onverwoestbare stuk: rond 1970 op een Argo-lp met The Academy of St. Martin in the Fields onder de directie van (toen nog niet Sir) Neville Marriner. Het liet me nooit meer los.
De Roemeense volksdansen heetten oorspronkelijk 'Roemeense volksdansen uit Hongarije'. Bartók had ze tijdens een van zijn reizen in 1909 in Siebenbürgen (Transsylvanië, dat toen nog tot Hongarije behoorde, maar na de Eerste Wereldoorlog in Roemeense handen overging) bijeengesprokkeld en ze in 1915 voor piano bewerkt. De orkestbewerking ontstond twee jaar later, in 1917. Dat deze dansen goed in de smaak vielen blijkt wel uit nog drie bewerkingen: van Arthur Willner voor strijkorkest, van Zoltán Székeley voor viool en piano en ten slotte nog een bewerking voor salonorkest.
De 27 twee- en driestemmige koorstukken a cappella componeerde Bartók in 1935 voor kinder- en vrouwenkoren. Net als 'Mikroskosmos' voor piano waren ook deze koorwerkjes bedoeld voor het muziekonderricht. En net als die leerstukjes voor de aankomende pianostudent (in oplopende moeilijkheidsgraad, dat wel) zijn ook die twee- en driestemmige karakterschetsen het beluisteren meer dan waard.
Alles tezamen genomen biedt het ECM-label met deze uitgave een boeiend programma dat, zo samengesteld, in het reguliere concertbedrijf geen schijn van kans maakt om te worden uitgevoerd. Laat staan in een uitvoering zoals deze: op het scherpst van de snede, detailrijk en met een verbluffend gusto. De opname - hoe kan het anders bij ECM - is van grote klasse: zo staan de eerste en tweede violen er haarscherp op, maar zonder ook maar een zweem van scherpte. Ik weet het, het zijn geen hoogdravende teksten, maar van de gekozen zeven koorstukjes BB 111 worden alleen de titels gegeven en niet de tekst. Dat ben ik van ECM niet gewend!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links