CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2017

 

Janácek: Pianosonate 1.X.1905 - z ulice

Beethoven: Pianosonate nr. 26 in Es, op. 81a (Les Adieux)

Ullmann: Pianosonate nr. 7

Schumann: Pianosonate nr. 2 in g, op. 22 (tevens met eerste finale)

Hanna Bachmann (piano)

TYXart TXA16083 • 74' • (distr. Econa Records)

Opname: juni 2016, Kunst- & Konzerhalle, Arlberg 1800, St. Cristoph (Oostenrijk)

www.TYXart.de

   

Voor dit recital van Hanna Bachmann (1993) koos ze als centraal thema de persoonlijke ervaring(en) van de componist in kwestie. Die daarmee – bewust of onbewust – afstand schept tussen het absolute in de muziek en het persoonlijk engagement, onverschillig of dat politiek, sociaal of puur persoonlijk is. Muziek dus die niet - zoals Stravinsky en Debussy dat zo graag zagen - over muziek gaat. Het kan programmamuziek zijn, maar dat hoeft niet per se. Er althans van uitgaande dat aan dat engagement geen specifiek programma ten grondslag hoeft te liggen. Het is een lastig thema, dat wel. Ik herinner maar weer eens aan wat Beethoven over zijn ‘Pastorale' schreef : ‘Mehr Ausdruck der Empfindung als Malerei'. Geen letterlijke schildering, het opus is als symfonie gedacht en blijft dat ook, vijf delen lang, ondanks de duidelijke verwijzingen naar wat er zich op het platteland (rond Wenen) zoal voltrekt. Waar het - in de visie van Beethoven - op aankomt is dat de muziek wordt ervaren in termen van gevoel, emotie, sentiment.

Janácek
De persoonlijke ervaring omgezet in muziek. Dat begint al bij Janáceks sonate met de wat merkwaardige titel 1.X.1905 – z ulice (van de straat). Wat gebeurde er op die eerste oktober 1905? In Brno waren straatgevechten uitgebroken tussen Tsjechen en Duitsers. De inzet: een Tsjechische (zeg maar nationale) universiteit. De veldslag eindigde met de dood van de timmerman Frantisek Pavlik. Daaruit ontstond spontaan deze sonate die eerst nog drie delen had, maar waarvan het derde deel, een begrafenismars, door de componist, kort vóór de première in 1906, werd geschrapt. Maar ook de eerste twee delen zouden uiteindelijk sneuvelen: ontevreden als hij ermee was wierp hij het manuscript in de Moldau. Hij keek het na: ‘En het dreef die dag op het water, als witte zwanen'. Zonder Janáceks medeweten was er echter een afschrift van gemaakt én bewaard gebleven. Pas in 1924 kwam die boven water en leidde tot de uitvoering op 23 november van dat jaar. Later gaf de componist er nog een toelichting bij: ‘Het witte marmer van de trappen van de Besední dum in Brno. De fabrieksarbeider Frantisek Pavlik valt, besmeurd met bloed. Hij stond alleen maar op de bres voor hoger onderwijs en is door brute moordenaars omgebracht'. Een buitenmuzikale indruk leidde tot een muzikaal prachtig stuk.

Beethoven
De Sonate in Es, op. 81, bijgenaamd ‘Les Adieux' stut eveneens op een buitenmuzikale indruk, hoewel men – en dat geldt voor alle muziek op deze cd – de achtergrond daarvan wel moet kennen. Beethoven componeerde de sonate in 1809/10, evenals die van Janácek in drie delen. Het werk opent met het (gedwongen) afscheid (Das Lebewohl, Les Adieux), vervolgt met ‘Abwesenheit' en eindigt met ‘Das Wiedersehen'. Dat het middendeel nogal droefgeestig is uitgevallen tekent uiteraard de eenzaamheid. Het vrolijke weerzien wordt weerspiegeld in het dartelende slotdeel, vivacissimamente. Om wie gaat het?
Eerst die merkwaardige Franse titel. In 1809, toen Beethoven aan de sonate begon, waren de legers van Napoleon Wenen tot aan de stadsgrenzen genaderd. Beethovens goede vriend en beschermheer aartshertog Rudolph moest daarom de wijk nemen. Hij ontvluchtte Wenen (‘Lebewohl': ‘vaarwel', waarmee het stuk ook in adagio-tempo begint, op drie noten, le-be-wohl). Beethoven bleef achter in het belegerde Wenen (‘Abwesenheit': ‘afwezigheid'). Toen de rust was weergekeerd kwam Rudolph terug (het 'Wiedersehen': ‘weerzien'). In slechts zeventien minuten worden we in dit ‘karakteristieke' (de uitdrukking stamt van de componist zelf) stuk met een kleurrijk scala aan de meest uiteenlopende gemoedsstemmingen geconfronteerd. Dat op. 81a het ondanks de titels (die van de componist stammen) uiteindelijk niet tot een van Beethovens meest uitgevoerde sonates heeft gebracht is niet zo merkwaardig: thematiek en doorwerking zijn – ik herhaal in dit verband Beethovens eigen woorden – daarvoor misschien wel iets te ‘karakteristiek'. Om met Van Dale te spreken: de schildering van het eigenaardige. En wat eigenaardig is staat vaak niet hoog op het verlanglijstje.

Ullmann
Viktor Ullmanns Zevende sonate is met de diepst denkbare tragiek omgeven. Evenals in Beethovens ‘Les Adieux' hangt er een voor ons niet goed navoelbare sfeer van afscheid over het werk, maar het is voor Ullmann een definitief afscheid, want hij componeerde het werk in de nadagen van zijn gedwongen verblijf in het doorgangskamp Theresienstadt (Terezin). Niet veel later werd hij met vele anderen op transport gesteld naar Auschwitz, waar hij al spoedig na aankomst werd omgebracht. Zijn in Theresienstadt geschreven muziek is wonder boven wonder behouden gebleven. De manuscripten kon hij tijdig in veiligheid brengen bij de beheerder van de kampbibliotheek.
De Zevende sonate en daarmee tevens zijn laatste compositie voltooide Ullmann in maart 1944. Oorspronkelijk gaf hij het de titel ‘Theresienstädter Skizzenbuch' mee, maar schrapte die alsnog. Uit het nagelaten manuscript blijkt een waar gevecht met een blijkbaar zeer weerbarstige materie, want er zijn talloze wijzigingen van zijn hand in aangebracht. Zodanig zelfs dat het buitengewoon lastig bleek om het geheel nog te ontcijferen.
Ullmann droeg de Sonate op aan drie van zijn vier kinderen, Max, Jean en Felicia. Pavel, het jongste kind, was op 14 december 1943, nog maar net drie jaar, in het getto gestorven. Max was twaalf toen hij eveneens evenals zijn vader in 1944 in Auschwitz werd vermoord.
Het autobiografische karakter van het werk wordt onderstreept door citaten uit Gustav Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen en Richard Heubergers Der Opernball, maar ook uit Ullmanns Der Sturz des Antichrist. De finale is onder meer ontleend aan Yehuda Sharetts Lied van Rachel, een zionistisch lied uit 1932. Het B-A-C-H thema duikt op, er is een verwijzing naar het Cruger-koraal Nun danket alle Got en het slot van het variatiewerk met slotfuga klinkt in een stralend D groot, alsof het leven nog zoveel in petto heeft. Maar in Ullmanns handschrift openbaart zich de twijfel: 'Leise ist mir noch Hoffnung später Wiederkehr' ('In mij sluimert nog de hoop van een verlate terugkeer'.) Uit de vele aantekeningen in het manuscript blijkt dat Ullmann plannen koesterde om de sonate tot symfonie te orkestreren (de Duitse componist Bernhard Wulff ging daarmee in 1989 aan het werk en voltooide het ook als zodanig.)

Schumann
Dan is er tot besluit Schumanns Tweede pianosonate, waarvan het tweede deel, andantino, de vruchtbare bodem vormt voor het gehele vierdelige werk. Het thema kan worden herleid uit een vroeger lied van Schumann, ‘Im Herbste', op een tekst van Justinus Kerner:

Zieh nur, du Sonne, zieh eilend von hier!
Auf dass ihr Wärme komm' einzig von mir.
Welkt nur, ihr Blumen, welkt!
Schweigt nur ihr Vögelein!
Auf dass ihr sing' und blüh' ich nur allein.

In het ongewoon hectische openingsdeel lijkt het wel of iemand op de vlucht is, achterna wordt gezeten. Het kan evengoed een visioen zijn. ‘So rasch wie möglich' is de tempoaanduiding. Maar zelfs dat is niet genoeg. Even later: ‘schneller', dan ‘noch schneller'. Alsof de laatste tempodruppel er nog uit moet worden geperst. Zelfs in het slotdeel is slechts incidenteel ruimte voor bezinning. Het rondothema neemt steeds opnieuw en onverbiddelijk de handschoen op. Het wordt als in een onbeheersbare wervelwind heen en weer gekaatst, de pianistische uitdaging is daarbij enorm. Op die finale kwam van alle kanten, waaronder ook van Clara, veel kritiek wegens zowel de technische onuitvoerbaarheid als de ‘Unverständlichkeit' (het publiek zou er niets van begrijpen). Schumann besloot daarom tot een ‘vriendelijker', 'begrijpelijker' versie die ook meestal wordt gespeeld. In 1866, precies tien jaar na Schumanns dood, besloot Brahms tot een postume uitgave van de oorspronkelijke finale. Het is deze finale die Hanna Bachmann op deze cd ook uitvoert, volgend op de ‘vriendelijker' versie. U kunt dus vergelijken.

Hanna Bachmann paart intense muzikaliteit aan individualiteit en volmaakt technisch meesterschap. Het resultaat is een fabelachtig goed recital zonder enige inzinking of twijfel. Wat zij presteert grenst aan het ongelooflijke en in Schumann bewust ook ongerijmde, met de remmen echt los. Alsof Martha Argerich in de Schumann-sonate over haar schouder mocht meekijken. Zelfs na inmiddels vele malen beluisteren blijft het dezelfde diepe indruk maken als bij de eerste keer. Wéér een pianist(e) van een jonge generatie die ongetwijfeld nog veel van zich zal laten horen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links