CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2018

 

Johann Sebastian Bach - Harpsichord Concertos vol. 1

Bach: Klavecimbelconcert nr. 1 in d, BWV 1052 - nr. 2 in E, BWV 1053 - nr. 4 in A, BWV 1055 - nr. 5 in f, BWV 1056

Fabio Bonizzoni (klavecimbel), La Risonanza o.l.v. de solist
Challenge Classics CC72773 • 63' • (sacd)
Opname: augustus 2017, Pieve di San Donato, Polenta, Forli (I)

   

Merkwaardig genoeg stammen de meeste van deze klavecimbelconcerten uit andere instrumentale combinaties, wat ze inhoudelijk overigens niet minder origineel maken. Sterker nog, het lijkt niet overdreven om de klavecimbelconcerten een ‘nieuw leven' toe te dichten, want het klavecimbel bood immers, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de viool of een blaasinstrument veel meer mogelijkheden voor harmonische exploraties. En Bach zou Bach niet zijn geweest als hij dat niet zou hebben uitgebuit. Stel nu eens, in het verlengde daarvan, dat Bach de vleugel zou hebben gekend? Dan zou hij zeker … U kunt het zelf wel invullen. Maar afgezien daarvan: dat iedere generatie ‘zijn eigen Bach' heeft is eigenlijk net zo vanzelfsprekend als dat achttiende-eeuwse componisten (die toen vrijwel altijd tevens musici waren) maximaal en optimaal gebruik maakten van het instrumentarium dat hen toen ter beschikking stond. Dus ook Bach. Wat het klavecimbel betreft: dit instrument was in zijn tijd wel zo ongeveer uitontwikkeld, zoals dat ook gold voor het orgel. En natuurlijk heeft Bach als fantasierijk componist en eminent musicus de vele mogelijkheden daarvan niet onbenut gelaten. De klavecimbelconcerten zijn er een goed voorbeeld van.

Bach schreef zeven concerten voor klavecimbel, strijkers en basso continuo (BWV 1052-1058), waaraan in BWV 1057 nog twee blokfluiten werden toegevoegd. Dan zijn er drie concerten voor twee klavecimbels (BWV 1060-1062), één voor drie klavecimbels (BWV 1063-1064) en als klap op de vuurpijl een concert voor maar liefst vier klavecimbels (BWV 1065, geheel gemodelleerd naar een werk van Vivaldi). Wat in fragment is achtergebleven laat ik hier verder buiten beschouwing.

Op deze nieuwe cd van Challenge Classics draait het om de concerten nr. 1, 2, 4 en 5. Aangezien dit volgens de opdruk deel 1 betreft kunnen we ongetwijfeld een integrale cyclus tegemoet zien, hoewel ik niet kan vaststellen of hierin dan tevens de concerten voor twee, drie en vier klavecimbels worden betrokken.

De vraag of de historiserende uitvoeringspraktijk een in stilistisch opzicht puristische benadering oplevert die merendeels of zelfs geheel overeenkomt met de achttiende-eeuwse praktijk valt door geen zinnig mens te beantwoorden. Hoe Bach en zijn ensemble (het Collegium Musicum in Leipzig) deze concerten heeft gespeeld weten we nu eenmaal niet. Een discussie over het wel dan niet gebruik van de piano in plaats van het klavecimbel heeft uiteraard wel een historische basis, maar kent misschien evenveel voor- als tegenstanders. Ik denk dat het per saldo belangrijker is in hoeverre een uitvoering – hetzij op het klavecimbel, hetzij op de piano – de luisteraar op de punt van zijn stoel brengt. Of anders gezegd, dat het zeer spirituele karakter van deze muziek in de uitvoering zijn weerslag heeft. Maar ook zo uitvoeren dat zowel de structurele hechtheid als de flitsende dialoogvorm met zijn dominante wedijverende karakter goed wordt belicht.

We zijn met deze concerten niet meer dan een paar stappen verwijderd van de concertvorm zoals die vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw zijn uiteindelijke vorm zou krijgen. Een van de pianisten die dit misschien wel het beste heeft begrepen was Edwin Fischer, die al medio jaren dertig van de vorige eeuw een vertolking op de plaat zette die voor iedereen die na hem kwam tot voorbeeld kon dienen. Misschien is het sleutelwoord ook wel: spiritueel, een begrip dat zo sterk contrasteert met de bloedeloze naaimachinestijl die in de jaren zeventig nog voor ‘authentiek' werd aangezien. Maar het waren ten slotte toch Fischer op de piano en veel later Gustav Leonhardt op klavecimbel die als de twee belangrijke wegbereiders kunnen worden beschouwd voor de actuele ontwikkeling van de Bach-cultuur tot nu toe. Terwijl Glenn Gould – ondanks de bezwaren die aan zijn interpretaties kleven - een voortrekkersrol kon spelen in de (verdere) popularisering van Bachs klaviermuziek. Ook zijn plaats in de Bach-exegese is van groot belang gebleken.

Het Italiaanse La Risonanza onder leiding van de klavecinist Fabio Bonizzoni treedt met deze vier klavecimbelconcerten in de voetsporen van het grote aantal ensembles dat zich met deze muziek als onderdeel van die historiserende uitvoeringspraktijk meer dan verdienstelijk heeft gemaakt. Dat wil in dit geval zeggen: in de hoekdelen uitermate kleurrijk en dynamisch, met veel energie, maar ook met ritmisch raffinement, en in de langzame middendelen uiterst verbeeldingsvol en cantabile. Het ensemble is terecht klein gehouden (niet meer dan twee violen, altviool, cello, violone en uiteraard klavecimbel) en dat levert op zich al een zeer transparante wijze van musiceren op, aangevuld met veel kruidige pregnantie. Bonizzoni bespeelt een door Willem Kroesbergen vervaardigd replica van een Couchet-klavecimbel Een goed begin is het halve werk, maar in dit geval zijn we denk ik dat het al heel wat verder dan dat.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links