CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2017

 

J.S. Bach - The Motets

Bach: Komm, Jesu, komm BWV 229 - Fürchte dich nicht, ich bin bei dir BWV 228 - Der Geist hilft unser Schwachheit auf BWV 226 - Jesu, meine Freude BWV 227 - Lobet den Herrn, alle Heiden BWV 230 - O Jesu Christ, meins Lebens Licht BWV 118 - Singet dem Herrn ein neues Lied BWV 225

Norwegian Soloists' Choir (Det Norske Solistkor), Ensemble Allegria o.l.v. Grete Pedersen
BIS-2251 • 68' • (sacd)
Opname: februari 2015, juni 2016 en februari 2017, Ris Kirke, Oslo

 

Het is een intrigerende vraag: is een instrumentale begeleiding bij Bachs motetten nu wel of niet een verantwoorde keuze? Op het eerste gezicht lijkt dat vanuit puur historisch perspectief niet het geval, want de Thomascantor schreef ze voor ‘fünf' tot ‘acht Singstimmen'. In zijn laatste opname van de motetten (klik hier) ging Gardiner de Rubicon over door er een basso continuo-partij aan toe te voegen, bestaande uit cello, contrabas, fagot en orgel. Maar desondanks: alle aandacht bleef gericht op de koorpartijen (en niet in de laatste plaats omdat het b.c.-aandeel zich in de lagere regionen afspeelde).

Deze motetten speelden ook in het achttiende-eeuwse muziekonderwijs een belangrijke rol. En niet alleen bij Bach, want ook zijn opvolgers – met name Johann Friedrich Doles - aan de Thomasschule maakten voor dit doel graag van Bachs motetten gebruik. Helaas weten we niet veel van Bachs praktische muziekonderricht, maar natuurlijk kon hij daarvoor volop putten uit de meest uiteenlopende instrumentale en vocale voorbeelden; en niet alleen wat zijn eigen hand. En we kennen dat leerboek van Bach: ‘Vorschriften und Grundsätze zum vierstimmigen Spielen des General-Bass oder Accompagnement'. Het zijn uitgerekend vier instrumenten die Gardiner voor zijn laatste motetopname gebruikte.

We weten niet of Bach zijn motetten speciaal voor pedagogische doeleinden componeerde, maar Bach-biograaf Christoph Wolff heeft geen ander doel boven water kunnen krijgen. Neem het achtstemmige motet ‘Singet dem Herrn ein neues Lied' BWV 225. Ik citeer Wolff: ‘waarmee Bach een ideale oefening voor dubbelkoor in handen had, afwisselend gezongen met en zonder instrumentale begeleiding. Hij kon zijn leerlingen trainen in stemtechniek en muzikale genres (delen 1 en 3a: achtstemmig concerto; deel 2: afwisselend vierstemmige aria's en vierstemmig koor; deel 3: vierstemmige fuga). Met een dergelijke training kon Bach zijn leerlingen voorbereiden op zijn veeleisende cantates. […] Ook het vijfstemmig motet ‘Jesu, meine Freude' BWV 227 was bij uitstek geschikt voor een pedagogisch doel. […] De afwisseling van vijf-, vier- en driestemmigheid en de plastische muzikale tekstuitbeelding maken dit stuk de ideale leerschool voor zowel koorvorming als theologisch onderricht'. Bach legde de lat dus heel hoog, wat tevens betekende dat de in de bijna ijzeren traditie wortelende motetten uit de zestiende eeuw (zoals die waren opgenomen in de zangbundels van Erhard Bodenschatz: de ‘Florilegium Portense' uit 1617), door Bach daarvoor vocaaltechnisch te licht werden bevonden. Voor de veeleisende Bach bleef weinig anders over dan zelf veeleisende motetten te componeren.

Maar wat te zeggen van de inhoudelijke kant van de instrumentale begeleiding van deze motetten? Het valt niet mee om daar de vinger goed achter te krijgen. Bach was in Leipzig verplicht om les te geven in zowel de vocale als de instrumentale muziek. De manier waarop dat onderwijs plaats moest vinden is in de met Bach gesloten overeenkomst niet nader omschreven, maar het ligt voor de hand dat hij zowel privé- als klassikaal les gaf en dat er met (kleine) instrumentale ensembles werd gerepeteerd en vervolgens uitgevoerd. Mogelijk is dit tevens de verklaring voor de vele instrumentale stukken die Bach in Leipzig het licht deed zien en die door de prefect Christian Friedrich Penzel rond 1750 (gelukkig!) werden gekopieerd. Het betreft veel kamermuziek, concerten en ouvertures (Wolff). Het auditorium van de Thomasschule – met daarin een orgeltje en klavecimbel – fungeerde als repetitieruimte voor uitvoeringen in de kerk. Op dezelfde verdieping bewaarde Bach andere, eventueel voor de uitvoering benodigde instrumenten. De alumni beschikten – volgens Wolff – in hun chambrette over een toetsinstrument waarop kon worden geoefend, lessen konden worden voorbereid en cantatepartijen ingestudeerd. Lessen en repetities hadden plaats tijdens de zogenaamde ‘Repetierstunden' (die gingen buiten de gewone lessen om).

Wie dit geheel in ogenschouw neemt zal de instrumentale begeleiding van de motetten sowieso logisch vinden, al blijft het in het ongewisse welke instrumenten Bach daarbij precies heeft gebruikt. Was dat slechts het reeds genoemde basso continuo? Of kwamen er (ook) andere instrumenten aan te pas?
De Noorse dirigente Grete Petersen heeft het ‘op haar manier opgelost' door te kiezen voor een volwaardig kamerorkest in wisselende bezetting, met inbegrip van hobo, althobo, fagot, violone en orgel. Uit het boekje blijkt bij eerste oogopslag een uit de kluiten gewassen koor van in totaal 37 koristen, maar dat valt alleszins mee. De acht sopranen, elf alten, acht tenoren en tien bassen participeerden namelijk in verschillende opnameperioden (2016 en 2017). Maar belangrijker is uiteindelijk het resultaat. Welnu, het koor heeft zich niet voor niets zelfbewust de naam ‘Norwegian Soloists' Choir' aangemeten, dus met nadruk op de term ‘solisten'. Dat horen we hier ook. Sterker nog, het Noorse koor doet zeker niet onder voor Gardiners Monteverdi Choir, zoals onder meer blijkt uit de scherp gestoken stemvoering (ook in de vaak uitermate lastige tussenstemmen, zoals in ‘Fürchte dich nicht, ich bin bei dir' BWV 228), het expressief fonkelende karakter ervan en de tot in de finesse verzorgde dictie en stembalans ('So aber Christus in euch ist'). Legatobogen (‘O Jesu Christ, Meins Lebenslicht' BWV 118) worden vlekkeloos getrokken en de spanningsopbouw is ronduit exemplarisch (‘Weg mit allen Schätzen!' BWV 227). Dat ook deze muziek voor zelfs een professioneel koor van het hoogste niveau een ware uitdaging vormt (en ongetwijfeld zal blijven vormen!) blijkt wel uit ‘So aber Christus in euch ist' BWV 227. Hier is het spitsroeden lopen. Het spel van het Ensemble Allegria past naadloos in dit zeer positieve beeld. De opname is van de bekende BIS-kwaliteit: strikt helder, met iedere stem op de juiste plaats. Tenslotte, wat valt er van Bachs motetten nog te zeggen? Alleen nog dat het wonderwerken in hun puurste religieuze vorm zijn.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links