CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2017

 

Bach: Italiaans Concert in F, BWV 971 - Partita nr. 1 in Bes, BWV 825 - Clavier-Übung III, vier duetten: in e, BWV 802; in F, BWV 803; in G, BWV 804; in a, BWV 805 - Fantasie en Fuga in a, BWV 944 - Partita nr. 3 in a, BWV 827

Bach/Hess: Jesus bleibet meine Freude (koraal uit cantate 'Herz und Mund und Tat und Leben' BWV 147)

Rafal Blechacz (piano)

DG 0289 479 5534 4 • 66' •

Opname: januari 2012, Friedrich-Ebert-Halle, Hamburg; februari 2015, Meistersaal, Berlijn

   

Rafal Blechacz (31) vormt samen met zijn landgenoten Krystian Zimerman, Piotr Anderszewski en Jan Lisiecki het crême de la crême van de huidige generatie Poolse pianisten. Dat ze gedrieën broederlijk bijeen de Chopin-parnassus bevolken mag net zo duidelijk zijn. Als Bach-vertolker heeft met name Anderszewski naam gemaakt, maar daaraan kan nu met een gerust hart ook Blechacz worden toegevoegd, want zijn Bach mag er zijn. Wat overigens niet wil zeggen dat hij daarmee Anderszewski achter zich laat. En, om een uitstapje buiten Polen te maken, evenmin Murray Perahia, Igor Levit of András Schiff. En nog vele andere uitmuntende vertolkers die aan bijna een eeuw discografische geschiedenis hebben meegeschreven.

De beste Bach-vertolking bestaat niet en zal er nooit komen. Welke interpretatie het meest in de smaak valt is een heel andere kwestie. Om slechts twee uitersten te noemen: de een zweert bij Glenn Gould, de ander bij András Schiff. Weer een ander heeft zijn zinnen gezet op Sergiu Fiorentino of Claire-Marie Le Guay. Bach is Bach, jawel, maar er kan niet zomaar de een of andere meetlat naast worden gelegd. Er zijn geen formules noch musicologische hoogdraverijen die een ‘beste' Bach-uitvoering opleveren. En dan heb ik het nog maar niet over het instrument: Bachs ‘clavier' (klavecimbel) of een Steinway D? Het zijn werelden van verschil die met slechts één noot uit Bachs ‘clavieroeuvre' worden opgeroepen. Het hoeft eigenlijk niet eens te worden vermeld: de ‘Goldberg' klinkt op een piano héél anders dan op een klavecimbel; en niet alleen wat de klankeigenschappen betreft. Zo hoort de dynamiek bij de piano en niet bij het klavecimbel. En als er muziek is waarin de vertolker een redelijk vrije hand heeft, dan is het wel de barokmuziek. Men was in dit tijd bepaald niet scheutig met het noteren van aanwijzingen. Waarom zou men ook? Men speelde in die tijd met of voor elkaar, uitvoerende musici konden veelal componeren (dat is niet meer zo), terwijl de componist veelal tussen zijn musici stond. Hij voerde zelf uit wat hij had opgeschreven; hetzij als instrumentalist, hetzij als dirigent. Er waren alleen maar woorden nodig om de muziek te laten klinken. Meer dan 250 jaar later mogen wij puzzelen en proberen we die lang vervlogen tijden zo goed mogelijk in kaart te brengen en aldus verbanden te leggen die toen vanzelfsprekend waren. Het blijft gissen, zekerheden zijn er niet. Als we een achttiende-eeuws klavecimbel keurig nabouwen en vervolgens een werk uit de barok daarop willen uitvoeren komen we qua klank misschien heel dicht in de buurt van die van toen, maar weten we nog steeds niet hoe we alle retorische aspecten van deze muziek 'authentiek' moeten ‘behandelen'. Alleen al het juiste tempo, de versieringen, de agogiek… Er zijn boeken over volgeschreven. Jawel, 'Der musikalische Dialog'.

Terug naar Rafal Blechacz, die zich heeft bewezen als een eminent Chopin-vertolker. Heeft zijn visie op Bach daar mogelijk iets mee te maken? Het enige dat we weten is dat Chopin, zoals zoveel componisten, van Bachs muziek hield, ervan zelf diep onder de indruk was, de ‘prélude' uit de barokke sferen trok. Wat ik inmiddels ook weet is dat Blechacz in deze muziek duidelijk een persoonlijke toon aanslaat, wat hem siert en waarvoor ik mij graag gewonnen geef. Maar hij is (gelukkig!) de enige niet. Ik zou alleen al daarom niet durven kiezen tussen bijvoorbeeld Perahia, Schiff, Levit of Blechacz. En Gould? Die heeft de standaard gezet. Zijn eigen standaard wel te verstaan en een die naar mijn gevoel Bach niet dichterbij brengt. Nee, Gould doet in dit selecte gezelschap niet mee.
Ze zijn me alle vier even lief. Ook als het op pure spelvreugde aankomt. Luister maar naar Blechacz in de hoekdelen van het Italiaans Concert en u begrijpt precies wat ik hiermee bedoel. Of anders wel het puur improvisatorische karakter van de Fantasie BWV 944. Ja, Blechacz grijpt stevig in de toetsen, maar de klank blijft soeverein en nobel, terwijl de aangebrachte dynamische gradaties en accenten de spanning en levendigheid van het discours verhogen. Het masculine karakter van Bachs muziek krijgt het reliëf dat ik graag hoor. De opname zelf helpt evenmin mee om een keus te bepalen, want die is net zo uitstekend: Rainer Maillard heeft de vleugelklank tot in de puntjes vastgelegd, zowel transparant als sonoor, terwijl producer Arend Proman er voor gewaakt moet hebben dat twee verschillende ruimten (Friedrich-Ebert-Halle in Hamburg en Meistersaal in Berlijn) op deze cd een fraaie akoestische symbiose konden aangaan. Terwijl er tussen beide opnamen ook nog eens drie jaar is verlopen. Wat op zich al merkwaardig is, maar misschien wel tekenend voor de zorgvuldigheid zo niet terughoudendheid waarmee Blechacz opnamen maakt. We zien hem niet veel in de studio. Dat mag best een in muzikaal opzicht positieve karaktertrek worden genoemd. Minder te spreken ben ik over dat eeuwige door Myra Hess bewerkte koraal ‘Jesus bleibet meine Freude' dat steeds weer in recitals (ook als toegift) opduikt maar ook op lp en cd zo is uitgegroeid tot een niet te stoppen lavastroom. Het stuk duurt slechts vier minuten, maar toch… Samenvattend: Bach en Blechacz, twee grote B's.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links