CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2017

 

Bach: Cantate "Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust" BWV 170 - Cantate "Falsche Welt, dir trau ich nicht!" BWV 52 (sinfonia) - Cantate "Widerstehe doch der Sünde" BWV 54 - Cantate "Ich liebe den Höchsten von ganzem Gemüte" BWV 174 (sinfonia) - Cantate "Ich habe genug" BWV 82

Iestwyn Davies (countertenor), Arcangelo o.l.v. Jonathan Cohen

Hyperion CDA68111 • 65' •

Opname: mei 2015, St Jude-on-the-Hill, Hampstead Garden Suburb, Londen

 

Hoewel we niet weten hoe Bachs muziek in zijn tijd precies heeft geklonken weten we wel zo het een en ander van de barokstijl in het algemeen en van een groot aantal stilistische kenmerken in het bijzonder. Dat danken we dan onder meer aan berichten en verhandelingen van Bachs tijdgenoten, maar ook van Bach zelf over de uitvoeringspraktijk in die dagen. Bezettingskwesties laten zich redelijk oplossen door kennis te nemen van manuscripten, orkestpartijen en bezettingslijsten. We zitten ook op dit punt dus bepaald niet onthand.
Zo is er de verzameling motetten uit het begin van de zeventiende eeuw die nog tot ver in de achttiende eeuw door protestantse kerken en scholen in Midden- en Noord-Duitsland werd gebruikt: het 'Florilegium Portense'. De bewaard gebleven muziekbladen geven inzicht in de manier waarop de zangpraktijk werd beoefend. Het (letterlijke!) schoolvoorbeeld daarvan is terug te vinden in de Landesschule van het niet ver van Leipzig gelegen Pforta bij Naumburg, waar cantor Erhard Bodenschat (1576-1636) een bloemlezing samenstelde aan de hand van de Duitse, Vlaams-Franse en Italiaanse motetten. Het 'Florilegium Portense' wordt gedomineerd door het Latijnse achtstemmige, dubbelkorige motet. Daaruit blijkt dat de koorbezetting zich in die tijd beperkte tot hoogstens zo'n achttien jongens. Op de Thomasschool (waar Bach ijverig les gaf) waren niet meer dan zeventien 'bruikbare' jongens voorhanden. Een twintigal zou pas 'na enige tijd' klaargestoomd zijn om in het koor te kunnen dienen, terwijl Bach maar liefst vier koren nodig had. Het was dus op dit vlak schraalhans keukenmeester.
De instrumentale 'begeleiding' was al evenmin uit de kluiten gewassen. Bach zelf beschreef in 1730 het absolute minimum: vier tot zes violen, vier altviolen, twee celli, violone, twee fluiten, drie hobo's, twee fagotten, drie trompetten en pauken, aangevuld met het gebruikelijke klavecimbel of orgel.
Wie echter Bachs vocale en instrumentale muziek uit zijn periode in Leipzig bekijkt ontkomt niet aan de conclusie dat het hem uiteindelijk wel gelukt moet zijn om daarvoor een geschikte bezetting bij elkaar te sprokkelen. Het lijkt uitgesloten dat Bach uit puur praktische overwegingen gesjoemeld zou hebben met de uitvoering van zijn eigen composities. Niet alleen zou hij zichzelf als componist en uitvoerend musicus er bepaald geen dienst mee hebben bewezen, maar evenmin de muziek zelf, laat staan de uitvoerenden. Het geheel zou meedogenloos zijn neergesabeld, met ernstige aantasting van Bachs reputatie als Thomascantor minstens tot gevolg. Wie in Leipzig boven zijn eigen macht en mogelijkheden wilde uittorenen had het bij het heersende en absoluut niet rekkelijke regentendom al voorbaat uitermate moeilijk.

Voor deze nieuwe cd van Hyperion met uitsluitend solocantates bestond het instrumentaal ensemble uit vijf violen, drie altviolen, drie celli, contrabas, drie hobo's, fagot, vier hoorns, orgel, klavecimbel en luit. De uitvoering - de maatstaf voor alle dingen - is boven iedere kritiek verheven. De countertenor Iestyn Davies (York, 1979) is niet alleen technisch perfect geëquipeerd maar getuigt ook stilistisch van groot raffinement. Zijn versieringen in de da capo secties zijn bovendien buitengewoon smaakvol, intonatie en stemvoering een ware lust voor het oor en de afwisseling tussen drama en contemplatie met zowel meesterhand als intuïtie (eigenlijk horen die twee bij elkaar) geboetseerd. Dan is er het Arcangelo (de naamgeving mag dan Italiaans zijn, het ensemble is door en door Brits) dat onder de niet minder stilistisch bedreven Jonathan Davies voor even fascinerende contrasten zorgt, laverend tussen flitsende dramatiek en betoverende lyrische expressie. Er kan geen groter contrast zijn dan tussen de bijna tastbare zielenrust in de cantate BWV 170 en de aankondiging van de geen enkel 'vertrouwen' opwekkende, 'valse' wereld in de sinfonia uit BWV 852. Of de indrukwekkende tegenstelling tussen de bruisende sinfonia uit BWV 174 (geplukt uit het Brandenburgs Concert nr. 1, maar nu met de 'violino piccolo' daaraan toegevoegd, alleen al een vondst op zich) met zijn heerlijk klinkende jachthoornscènes en drie hobo's, en de berustende, instrumentaal bedekt gehouden openingsaria uit de cantate BWV 82. Bijzonder is ook de 'duivelse' slotaria in BWV 54 die zowel vocaal solistisch als instrumentaal volkomen trefzeker de juiste sfeer treft. John Reddick heeft als taalcoach wondertjes verricht. De in de opname vastgelegde (wel of niet gesuggereerde) kerkakoestiek is precies goed: stem en ensemble kunnen er extra door stralen zonder aan definitie in te boeten. Kortom, dit is Bach op zijn best en een zeer welkome uitgave.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links