CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2022

Johann Sebastian Bach - The Harpsichord Concertos - Original versions & adaptations Vol. 1

Bach: Klavecimbelconcert in A, BWV 1055 - in E, BWV 1053 - Vioolconcert in a, BWV 1041 - Dubbelconcert (voor twee klavecimbels) in c, BWV 1062

Mario Sarrechia en Bart Naessens (klavecimbel), Sara Kuijken (viool), La Petite Bande o.l.v. Sigiswald Kuijken
Accent ACC 24385 • 61' •
Opname: okt. 2021, Paterskerk, Tielt (B)

 

Dit is het eerste album in een geplande reeks van drie met Bachs zes overgeleverde klavecimbelconcerten naast de drie dubbelconcerten (voor twee klavecimbels), de twee vioolconcerten en het dubbelconcert (voor twee violen). Daarmee is het aantal weliswaar nog niet compleet, maar wel gemakkelijk te verdelen over drie programma's van ieder vier concerten, ieder met twee soloconcerten voor klavecimbel gecombineerd met een solo- of dubbelconcert voor viool respectievelijk klavecimbel. Waarmee we niet voor het eerst kennismaken met de door Bach bewerkte beide vioolconcerten en het dubbelvioolconcert voor een en twee klavecimbels, hetgeen het logisch maakt om beide versies in dit project te betrekken.

De zes klavecimbelconcerten componeerde Bach rond 1738 in Leipzig, samengebracht in één deel nog aangevuld met een bewerking van het nog in Köthen in 1721 ontstane, vierde Brandenburgs Concert (met twee blokfluiten), waarbij de rol van de soloviool is vervangen door het klavecimbel en tevens een toon lager getransponeerd.

Voor zover we weten is het merendeel van de concerten voor twee, drie en vier klavecimbels (de laatst twee categorieën blijven buiten dit project) gestoeld op eerdere composities of, zoals het concert voor vier klavecimbels, op dat van Vivaldi. Voor Bach was het gebruikelijk om veel van zijn werk te hergebruiken, zij het dat hij dat nooit met de losse pols maar altijd creatief en consciëntieus deed. Dat heeft desondanks voor menige muziekwetenschapper evenwel de nodige frustratie opgeleverd in zijn zoektocht naar het origineel: wat het eerst is ontstaan.

Terecht merkt Kuijken in zijn zeer lezenswaardige toelichting op dat de term ‘concerto' in Bachs tijd meerdere betekenissen had. Eerst in de tweede helft van de achttiende en nog aanzienlijk dominanter in de negentiende en twintigste eeuw werd het ‘concerto' bepaald door de juxtapositie van individuele solist ten overstaan van een behoorlijk uit de kluiten gewassen orkest (menigmaal met hout- en koperblazers, pauken en strijkers).
Echter, tot in de eerste helft van de achttiende eeuw was het ‘concerto' zoals ontworpen door Bach,Telemann, Vivaldi en andere componisten, puur bedoeld als eenvoudig geïnstrumenteerde kamermuziek of als cantate met de inbreng van een of meer vocale solisten. Dat blijkt althans uit de ons overgeleverde manuscripten. Een goed voorbeeld daarvan zijn Telemanns Parijse kwartetten voor, het begrip zegt het al, niet meer dan vier musici. Ook de gekozen vorm had in die tijd de eigenschappen van een concerto: snel – langzaam – snel. Van enig contrast tussen solo en tutti was geen sprake. Een ander sprekend voorbeeld daarvan is Bachs Italiaans Concert (BWV 971) dat door hem te boek werd gesteld als Concerto nach Italienischen Gusto , maar uitsluitend is bedoeld voor…klavecimbel solo. Wie alleen zwartwit denkt komt dus niet ver.

En het concerto grosso dan? Het basismodel was simpel, met drie concertisten (twee violen, cello) ten overstaan van een vierstemmig ripieno, bestaande uit twee violen, altviool en violone. Zij het wel met de mogelijkheid (expliciet in manuscript of eerste druk aangegeven) tot verdubbeling of verdrie-, zelfs verviervoudiging. Van de laatste categorie zijn eveneens voldoende voorbeelden overgeleverd, onder meer van het grote ensemble van de puissant rijke kardinaal Ottoboni in Rome, waarvan Corelli de concertmeester was.

Geen twijfel erover: binnen de kaders van het concerto grosso waren het de concertisten die feitelijk de compositie ‘droegen'. Het was zelfs niet ongebruikelijk om van de ripieno-groep af te zien (bijvoorbeeld omdat die niet beschikbaar was) en het stuk toch overeind bleef. Kamermuziek dus volgens het stramien van de triosonate.

Voor de concertante cellopartij gold in het geval van uitvoering zonder ripieni (dus als pure triosonate), de vaak toegepaste methode van de becijferde bas, niet zelden nog versterkt door begeleidend klavecimbel of orgel (dit dan in tegenstelling tot de ripieno-groep die altijd werd ondersteund door het basso continuo.)

Daarop aansluitend: de cello was in die tijd niet het instrument zoals wij het kennen, maar werd op de arm, in casu de schouder bespeeld: de violoncello de spalla. Eerst in het midden van de achttiende eeuw kwam het ‘instrument tussen de benen' in zwang: de violoncello (viola) da gamba.

De conclusie wat betreft Bachs concerten (alle concerten zijn in de, uit Italië overgewaaide, driedelige vorm geconcipieerd) is helder: van de toen zozeer modieuze concerto grosso stijl is geen enkele sprake en er is bovendien geen enkele aanwijzing dat de begeleidende partijen verdubbeld werden. Al het handgeschreven bronmateriaal (de concerten verschenen tijdens Bachs leven niet in druk) bevat uitsluitend slechs één partij. Dit in tegenstelling tot menige cantate, waarin wel sprake is van verdubbeling (meestal viool of continuo). Dat blijkt tenminste uit de overgeleverde (identieke) partijen. Bachs concerten waren dus niet bedoeld om te worden uitgevoerd met dubbel bezette strijkers, hetgeen (ook) door Kuijken in deze uitvoeringen als uitgangspunt heeft gediend.

De baspartij in de verscheidene handschriften maar ook uit andere overgeleverde bronnen is die van het gebruikelijke basso continuo. Zo staat het ook keurig vermeld: ‘basso' of ‘continuo'. Er is wel één uitzondering: die van het bekende dubbelconcert in d (BWV 1043), waarin de baspartij met ‘violoncello' is aangeduid. In het cd-boekje wordt de veronderstelling geopperd dat Bach geïnspireerd moet zijn geweest door het concerto grosso, met zijn twee violen en – heel specifiek – de violoncello. Het is speculatief, maar niet ver gezocht.

Dan wat de ontstaansgeschiedenis van sommige concerten betreft nog het volgende. Het openingsdeel van BWV 1053 is een bewerking van de sinfonia uit de cantate Gott soll allein mein Herze haben (BWV 169). Van BWV 1055 zijn we nog steeds op zoek naar het origineel, maar er is wel voldoende betrouwbaar bronnenmateriaal waardoor we met een gerust hart afscheid kunnen nemen van welke poging tot ‘reconstructie' ook. Interessant is de becijferde bas wat zou kunnen duiden op een tweede klavecimbel als continuo-instrument. Dat is tevens de weg die Kuijken heeft gevolgd en waar niets tegenin te brengen valt.
BWV 1041 is origineel, zoals dat ook geldt voor BWV 1042. Bach reviseerde deze beide vioolconcerten later voor klavecimbel en strijkers (BWV 1068 en 1054), met transpositie naar een toon lager. Wat hij overigens eveneens deed bij het Dubbelconcert voor twee klavecimbels en strijkers BWV 1062, een bewerking van zijn reeds gememoreerde Dubbelconcert voor twee violen (BWV 1043).

 
 

Sigiswald Kuijken met de violoncello da spalla

Uiteraard is de instrumentale bezetting in lijn met Sigiswald Kuijkens opvattingen dit nieuwe album muzikaal inhoudeliijk behelst. En dus bestaat La Petite Bande voor deze gelegenheid uit slechts twee violen, violoncello da spalla, altviool, 'basse de violon' en klavecimbel (als continuo). Zowel Kuijken als Bart Naessens vervult een dubbelrol: de eerste als violist en cellist (spalla) in BWV 1062, de tweede als een van de twee soloklavecinisten in BWV 1062 en als continuo-speler. Sigiswald is tevens de leider van het gehele, al decennialang in de historiserende uitvoeringspraktijk gesettelde ensemble dat deze concerten technisch vlekkeloos en met veel gusto speelt. Zoals er ook andere kwaliteiten te horen zijn, waaronder ritmische pregnantie, snedige articulatie en vooral veel spiritualiteit en navenant speelplezier. De opname laat geen detail onverhuld zonder dat de toehoorder daardoor het overzicht verliest. Een knappe prestatie van Olaf Mielke van MBM Musikproduktion Darmstadt.

Een klein foutje in de 'aftiteling' in het boekje en op de cover: BWV 1061 moet BWV 1062 zijn.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links