CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2021

Bach: Das Wohltemperierte Klavier BWV 870-893 (Boek II)

Andreas Staier (klavecimbel)
Harmonia Mundi HMM 902682.83 • 2.20' • (2 cd's)
Opname: juni-juli 2020, Teldex Studio, Berlijn

 

Ik heb al vaak genoeg op deze site de loftrompet gestoken over het spel van Andreas Staier. En zoals ik al eens eerder aangaf staat zijn culturele eruditie borg voor niet alleen het haarfijn aanvoelen van het verschil tussen nogal aanmatigend streven naar overdadige expressiviteit en de zucht naar historiserende objectiviteit. Beide laten zich - het spreekt bijna vanzelf - niet met elkaar rijmen, laat staan combineren.

Maar er is nog een factor van belang: het gekozen instrument, zoals in dit geval een klavecimbel van Hieronymus Albrecht Hass (1689-1752), dat in 1734 werd gebouwd en nog vandaag in het muziekinstrumentenmuseum in Brussel te bewonderen valt, maar niet meer in zijn originele staat kan worden bespeeld. Anthony Sidey en Frédéric Bal maakten er een getrouwe kopie van en het is dit instrument dat ook voor deze opname door Staier wordt bespeeld (hij maakte er al eerder drie opnamen mee, eveneens voor Harmonia Mundi: Bach early works, HMC 901960, Hamburg 1734, HMC 901898, met werken van o.a. Händel, Telemann, Buxtehude en Weckmann, en als laatste in de rij Bachs Goldberg-variaties op HMC 902058).

In zijn tijd was er behalve Hass geen enkele klavecimbelbouwer in beeld die zulke grote instrumenten afleverde en die van dusdanig rijke klankregisters waren voorzien dat ze bijkans met die van het orgel konden wedijveren. Wat de dispositie betreft komen ze sterk overeen met dat van een klavecimbel van een anonieme bouwer dat zich - veelvuldig gereviseerd en veranderd - in Berlijn bevindt en waarvan tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw is gedacht dat het door Bach was gebruikt. Het was uitgerekend dat model dat als voorbeeld diende voor de grote aantallen nieuwbouwklavecimbels van eikenfineer die op de markt werden gebracht en waarbij de fabrikanten zelfs zo ver gingen dat ze de opgedane kennis omtrent het moderne pianomechaniek zonder blikken of blozen voor hun klavecimbels gebruikten. Het was in de tijd dat klavecimbels met drie pedalen werden gemaakt (zoals de door o.a. Karl Richter toen vaak gebruikte klavecimbels van Neupert). Alsof de achttiende eeuw nog tot het tijdperk van de Neanderthalers behoorde en klavecimbelmakers toen nog niet in staat zouden zijn geweest om mooie en technisch goed toegeruste instrumenten te ontwerpen. Vergeleken met de eenvoud van de Italiaanse en Franse klavecimbels met 'slechts' een manuaal (Bach schreef voor zijn Goldberg-Variaties overigens een tweemanualig klavecimbel voor, voor de variaties nr. 5, 7, 8, 11, 13, 14, 17, 20, 23, 25-29) waren de instrumenten van Hass 'over the top', een opvatting die met name door de bekende Amerikaanse klavecimbelbouwer Frank Twombly Hubbard (1920-1976) in het leven werd geroepen. Hubbard schreef twee belangrijke boeken over de klavecimbelbouw: Thee Centuries of Harpsichord Making (1965) en Reconstructing the Harpsichord (1983).

Hubbard deed Hass in de ban, waar Staier tegenoverstelde dat wij nu eenmaal zigzaggend naar de geschiedenis kijken. Wat hem betreft was de tijd weer rijp om de wereld te verblijden met de uitvoering van o.a. Bachs werken op een kopie van een instrument van Hieronymus Hass. Gevolgd door zijn nogal voor de hand liggende advies: 'luister zelf!' Of: oordeel zelf!

Klavecimbel van Hieronymus Albrecht Hass (1734) in de collectie van het muziekinstrumentenmuseum in Brussel

Het probleem dat ik met deze uitgave heb is niet Staiers spel maar wel het toch al uitbundig toegeruste instrument in relatie tot de ruimte waarin het is geplaatst, een verschijnsel dat ook valt terug te horen in de reeds genoemde opname van de Goldberg-variaties. Daardoor gaat de fijnmazige intimiteit verloren, is het akoestische beeld te grof en te grootschalig, mis ik de nuance. Het klankbeeld is door het galmeffect zelfs op laag afluisterniveau niet bepaald een feest. Het gevolg daarvan is tevens dat de contrapuntische textuur (zelfs met de partituur op schoot) lastiger te volgen is. Terwijl uitgerekend dit monumentale werk het van een uiterst doorzichtige stemvoering moet hebben. Hoe helder Staier ook articuleert, het zijn de akoestische proporties die met de neven- en tussenstemmen gaan jongleren en juist in die passages waarin afwisselend met de rechter- en linkerhand het ritmische discours wordt aangescherpt.

Staiers spel is - door de akoestische hindernissen heen luisterend - zeker karakterstiek qua stijl en techniek, maar door de problematische opname laat het zich naar mijn gevoel toch onvoldoende gedetailleerd in kaart brengen. En dan te bedenken dat niemand minder dan Martin Sauer de artistieke leiding over deze productie had. Opnieuw gemengde gevoelens dus. Maar toch nog een opwekkende noot: op zeer goede hoofdtelefoons is het klankbeeld meer genietbaar dan op luidsprekers. Het is een bekend verschijnsel: matige akoestische omstandigheden in de opname vergroten zich uit in de huiskamerakoestiek (tenzij die van nature gortdroog is).

Het plan is om het eerste deel van het WTK in het komende jaar uit te brengen (waarbij ik het logischer had gevonden als de omgekeerde volgorde was gevolgd: eerst deel 1, dan deel 2).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links