CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2020

Bach: Goldberg-variaties BWV 988

Lang Lang (piano)
DG 4819701 • 91' + 93' • (4 cd's)
Opname: 5 maart 2020, Thomaskirche, Leipzig (live); 18 maart 2020, Jesus-Christus-Kirche, Berlijn-Dahlem

   

De Chinese pianist Lang Lang behoort niet zonder reden al jaren tot de publiekslievelingen: zijn charisma, zijn inzet voor de klassieke muziek, zijn effectrijke pianospel maar ook de bijzonder aanstekelijke manier waarop hij een onnoemelijk aantal kinderen aan de piano heeft gekregen en ongetwijfeld nog krijgt, hebben tot zijn inmiddels een legendarische status geleid. Dat hij als vertolker niet vrij is van een zekere mate aan eigenzinnigheid. waaronder begrepen de maniërismen waarvan hij zich graag bedient, heeft zijn reputatie niet of nauwelijks geschaad.

Dat beeld herhaalt zich als het ware op dit nieuwe ‘deluxe'-album met Bachs Goldberg-variaties. ‘Deluxe' omdat deze set uit twee verschillende opnamen van hetzelfde werk bestaat: het live-concert op 5 maart in de Thomaskirche in Leipzig en de studio-registratie op 18 maart in de Jesus-Christus-Kirche in Berlijn-Dahlem. Er zijn verschillen tussen beide, maar aanmerkelijk minder groot dan her en der wordt gedacht. Wat overigens ook voor de hand ligt: een eenmaal gekozen interpretatie komt pas na lange studie tot stand en laat zich alleen al daardoor niet overnight wijzigen. Soliditeit en saaiheid zijn mits onder de juiste invalshoek niet aan elkaar verwant.

Ik schreef het al: Lang Lang is een levende legende en daar horen uiteraard anekdotes bij. Zoals die van een ontstelde Christoph Eschenbach, dirigent en meesterpianist, die meemaakte dat Lang als nauwelijks 17-jarige de complete ‘Goldberg' vlekkeloos uit het hoofd speelde. Ook Nikolaus Harnoncourt zal onder de indruk zijn geweest toen hij deze begaafde Chinees, Lang was toen rond de dertig, met hetzelfde werk op het klavecimbel in de weer zag en hoorde. Al was er ook, zij het bescheiden, enige kritiek: Lang speelde naar het oordeel van Harnoncourt nog niet voldoende ‘einsam' (wat dit voor de buitenstaander ook moge betekenen). Hoe het ook zij, voor verbetering vatbaar dus.

Misschien is wel de belangrijkste handicap van deze set de door Lang geopteerde trage tempi en de daarmee samenhangende stroperige fraseringen waardoor het perspectief zoals we dat in deze 30 variaties van zoveel andere grote pianisten kennen, een bijna vervormd karakter krijgt.

Wie zich de vanuit de historiserende uitvoeringspraktijk ontwikkelde interpretatieve vrijheid heeft eigengemaakt zal in de herhaling (en hij Lang mist er niet een) van de verschillende variaties zich niet laten verleiden tot omzwervingen die daarin niet echt passen; en dat is precies wat Lang wel doet. Zo wil hij, zo blijkt, ook na twintig jaar studie per se het romantische idioom de klankwereld van Bach binnenloodsen door te pas en te onpas rubati in te lassen die niet alleen de hechtheid van de werkstructuur ondermijnen, maar ook een logisch opgebouwd discours in de weg staan. Als er al sprake is geweest van een zekere intuïtie dan is die in dit geval geen betrouwbaar kompas gebleken. Dit wreekt zich overigens (nog) meer in de studio- dan in de live-opname omdat het spel in Leipzig ietwat spontaner, vlotter, frisser en daardoor meer geëngageerd klinkt.

Liefdevol fraseren kan Lang overigens als de beste en vaak met bekoorlijk effect, al stoort menigmaal het nodeloos uitrekken. Dan is het afgelopen met de tovenarij en worden we helaas geconfronteerd met wat op een interpretatieve misgreep lijkt. Zoals in bijvoorbeeld de zevende variatie. En dan te bedenken dat na de aria aan het begin de indruk juist wordt gevestigd dat er een geweldige uitvoering van de daarop volgende variaties op komst is. Immers, de eerste variatie excelleert als stilistisch hoogstandje vol ingehouden energie en met indrukwekkend momentum. Helaas, het zet niet door, met zo ongeveer als dieptepunt de nodeloos uitvergrote notenwaarden in de kwintencanon van nr. 30 (quodlibet, vrij vertaald: allegaartje op basis van het voorafgaande, als toepasselijke afsluiting). Merkwaardig is ook dat deze pianist die zolang met dit werk heeft ‘geleefd', weinig affiniteit lijkt te hebben met het exploreren van de veelzijdige finesses , zoals in de kwartencanon van nr. 12. Daar staat dan weer de fraaie uitwerking van de kwintencanon van nr. 15 tegenover: Lang slaagt er dan wel degelijk in om de ‘juiste toon' te treffen, helder en onopgesmukt, met de vereiste geproportioneerde aandacht voor het retorisch detail. Hier wordt onbestemde droefgeestigheid tot ware kunst verheven omdat niet in sentimentaliteit wordt vervallen. Het kan dus wel!

Enig relativeren is qua gekozen tempi overigens wel op zijn plaats: Bachs manuscript geeft wat de variaties betreft daarover feitelijk geen uitsluitsel en is het aan de executant om daarin zijn eigen weg te zoeken, zij het deels op weg geholpen door de typische dansvormen die erin besloten liggen. Zo is de aria een – stevig geornamenteerde - sarabande in 3/4 maat en heeft de zevende variatie de ritmisch gepunteerde karakteristiek van de gigue meegekregen. Dat het tempo geen wet van Meden en Perzen is bewijst Lang zelf: de tempi die hij voor zijn recital in Leipzig koos liggen over het algemeen een fractie hoger dan in zijn studio-opname (al zou je dit aan de hand van de timings niet zeggen, maar de indruk bedriegt niet). De akoestiek kan hier een min of meer belangrijke rol hebben gespeeld: de kerk in Leipzig ‘klinkt' (met publiek) bepaald anders dan die in Berlijn-Dahlem (zonder publiek).

Gezegd moet ook worden dat Langs techniek en toonvorming net zo exemplarisch zijn als zijn gevoel voor klankkleur. Toch, alles samen genomen, resteert de indruk van een tamelijk wisselvallig muzikaal betoog dat bij eerste beluistering misschien rijk oogt, maar bij nader inzien toch teleurstelt. Geen onbekend fenomeen in de vertolkingen van deze Chinese meesterpianist. Want dat is hij wel degelijk.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links