CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2020

Abrahamsen: Left, Alone (pianoconcert voor de linkerhand)

Pesson: Future is a faded song (pianoconcert)

Strasnoy: Kuleshov (concert voor piano en kamerorkest)

Alexandre Tharaud (piano), Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin (Abrahamsen); hr-Sinfonieorchester o.l.v. Tito Ceccherini (Pesson); Les Violons du Roy o.l.v. Mathieu Lusier (Strasnoy)

Erato 0190295323073 • 63 •
Live-opname: 9 december 2016, De Doelen, Rotterdam (Abrahamsen); 8 december 2012, Cité de la Musique, Parijs (Pesson); 2 juni 2017, Salle Bourgie de Musée des beaux-arts, Montréal (Strasnoy)

   

Toen Yannick Nézet-Séguin als chef was verbonden aan het Rotterdams Philharmonisch Orkest heb ik hem slechts zelden eigentijdse muziek zien dirigeren, laat staan dat hij geïnteresseerd leek in een uitgesproken avontuurlijk samengestelde programmering. Niet dat dit op zich zo bijzonder was, want het is een fenomeen dat we bij veel jonge, overigens zeer talentvolle dirigenten aantreffen: ze willen zich eerst ‘bewijzen' in het klassieke en romantische repertoire. Daarmee kunnen ze relatief gemakkelijk ‘scoren' en het levert bovendien een doorgaans goed tot redelijk gevulde zaal op. Een bijkomend, maar zeker niet onbelangrijk voordeel is ook dat het daardoor aanzienlijk gemakkelijker is om voor het gekozen repertoire geschikte solisten van naam aan te trekken. Kortom, het lijkt sterk op everybody wins. Al is er een belangrijke verliezer: het publiek dat wél avontuur wil, terwijl het juist die conventionele programmering is die ervoor zorgt dat de orkesten meer en meer in hun museale functie lijken te zijn verzand.

Het zijn zomaar wat gedachten bij dit fabelachtig fraaie album met in de hoofdrol de Franse pianist Alexandre Tharaud, die werkelijk alles wist te halen uit deze drie pianoconcerten van respectievelijk Abrahamsen, Pesson en Strasnoy. Met als absoluut hoogtepunt het zesdelige linkerhandconcert van Abrahamsen in de uitvoering door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder de uitermate trefzekere baton van Nézet-Séguin, op 9 december 2016 in de Grote Zaal van de Rotterdamse Doelen.

Op die vrijdagavond bleek Yannick althans in mijn beleving de ideale dirigent en Tharaud de ideale pianist, al moest hij de rechterhand in zijn broekzak houden. Als een pianoconcert een spektakelstuk mag worden genoemd, dan is dit het wel, met voor mij als nog grootste klap op de vuurpijl niet alleen het spel van Tharaud, maar ook dat van het orkest dat er geen enkele moeite mee leek te hebben. En dan te bedenken dat uitgerekend dit orkest het avant-gardistische repertoire in de laatste decennia veelal heeft gemeden. Het maakte evenwel waar wat Alban Berg al een eeuw geleden eens opmerkte: dat moderne muziek moet worden uitgevoerd alsof het klassiek is. Ik zou het overigens ieder orkest van harte toewensen: het opbouwen van een zo breed mogelijk repertoire dat zich uitstrekt van de barok tot eigentijds. Al is de kans gering dat we ooit op dit vlak de eens gouden tijden van Marius Flothuis of Hans Rosbaud zullen mogen herbeleven. Ver buiten onze grenzen is het met name François-Xavier Roth die qua keuze van het grote orkestrepertoire dit stokje lijkt te hebben overgenomen.

Dat Linkerhandconcert van Abrahamsen (het begin is net zo donker als dat van Ravel), door de componist opgedragen aan Tharaud in co-opdracht van het Rotterdams Philharmonisch, de Westdeutsche Rundfunk, het City of Birmingham Symphony Orchestra en het Deens Nationaal Symfonieorkest, bleek die avond een regelrecht succesnummer. Al leek het niet op een een schoolvoorbeeld van wijs programmeren om het pianoconcert vooraf te laten gaan door Leopold Stokowski's suikerzoete bewerking van Bachs ‘Komm, süsser Tod': ik heb al zo vaak geschreven dat het samenstellen van programma's een echt vak is dat ook echt geleerd moet worden.

Hans Abrahamsen (1952) werd geboren met een gehandicapte rechterhand, wat hem overigens niet belette om piano te spelen. Ergo, die handicap bracht hem nog meer dan anders naar de pianowerken voor uitsluitend de linkerhand, het repertoire dat hem al vanaf zijn jeugd heeft gefascineerd. Hij bracht het al vroeg in praktijk, in de herfst van 1969, met de eerste uitvoering van zijn ‘October', geschreven voor hoorn (het enige instrument dat alleen met de linkerhand kan worden bespeeld) en piano, met Abrahmsen in de rol van de pianist. Een hulp was speciaal voor die gelegenheid ingehuurd om, liggend op de grond, de voetpedalen te bedienen terwijl Abrahamsen zich afwisselend zittend en staande om de open snaren bekommerde die aldus de door hem gewenste resonanties opriepen. Het is het beeld van een inventieve componist en pianist.

Waarom het zo lang heeft geduurd alvorens hij zich tot het componeren van een pianoconcert voor de linkerhand zette, is onduidelijk, maar wat we nu hebben is duidelijk een werk dat speciaal is geschreven voor de linkerhand door een componist die alleen met die hand kan spelen. Dat verschilt Abrahamsen sowieso van onder anderen Ravel.

De titel, ‘Left alone', zal ongetwijfeld meerdere associaties oproepen. Het stuk is opgedeeld in twee hoofdsegmenten, ieder bestaande uit drie deeltjes. Er zijn reminiscenties aan ‘October', zowel aan het begin van deeltje 6 als in de (fraaie) partij voor de solohoorn.

Hoewel zesdelig staat Abrahamsens componeerstijl borg voor een gecondenseerd geheel. Zo neemt het pianoconcert niet meer dan in totaal zo'n zeventien minuten in beslag, waarvan ik u de indeling niet wil onthouden:

Deel 1

I. Very fast

2.36

 

II. Slowly walking

3.26

 

III. Presto fluente (like a gentle rain, light and bubbly

1.24

Deel 2

IV. Slowly

0.52

 

V. Prestissimo tempestuoso

1.58

 

VI. In a tempo from another time - In a time of slow motion - Suddenly in flying time, 'Fairly Tale Time'

6.57

‘Future is a faded song' componeerde Gérard Pesson (1958) in opdracht van het orkest van de Tonhalle in Zürich, het hr-Sinfonieorchester en het Parijse Festival d'Automne. De titel verwijst naar T.S. Eliots ‘Four Quartets': ‘That the future is a faded song...of wistful regret for those who are not yet here to regret...and the way up is the way down, the way forward is the way back' (uit het derde deel van ‘The Dry Salvages').

De opbouw van het stuk wordt gedicteerd door slechts drie kernnoten, die al direct aan het begin worden geïntroduceerd. Ondanks de grote virtuositeit die wordt verlangd (niet alleen van de solist!) kan menigmaal een enkele vinger of unisono-klank volstaan om de expressie uit te rollen: die - ik citeer de componist - van een ‘landschap van diatonische horizons'. Ook in dit concert is er een herinnering aan Ravel en wel diens ‘La Valse', maar met even groot gemak komt de bossa nova en de tango tot leven of dringen er plotsklaps karakteristieke marsen naar de voorgrond. Maar ook de glissandi zijn niet van de lucht, in een ware mengelmoes van stijlen, gevat in een sterk pulserende, uitgesproken ritmische omgeving, waarbij de wervelende orkestpartij zich ten opzichte van de solist toch vooral als tegendraadse partner manifesteert. Een vondst is de in het orkest opgenomen tweede piano die als ‘schaduw' van het solo-instrument fungeert.

Pesson heeft het spel van Tharaud uitgebreid bestudeerd en de stilistische kenmerken daarvan in zijn pianoconcert een duidelijk herkenbaar profiel mee willen geven. Het is van de zijlijn lastig te beoordelen of hem dit (goed) is gelukt, maar de wijze waarop de Franse pianist zich – dat geldt trouwens niet minder voor zijn prestatie in de overige twee concerten – aan ‘Future is a shaded song' overgeeft, lijkt dit toch wel te bevestigen.

Oscar Strashnoy (1970) schreef zijn pianoconcert ‘Kuleshov' in opdracht van het in het Canadese Québec gevestigde Les Violins du Roy en het Musikkollegium in het Zwitserse Winterthur. De inspiratiebron: de Russische filmmaker Lev Kuleshov (wij zouden spellen: Koelesjov) die ook als theoreticus naam heeft gemaakt. Begin 1920 propageerde hij het idee om de dramatische kracht van een beeld niet alleen aan dat beeld te ontlenen (zoals op een schilderij), maar in de context te plaatsen van waarin het was ‘geframed'. Niet in de betekenis van ‘gelijst', maar dat de dramatische perceptie van een beeld werd bepaald door de indruk die het daaraan voorafgaande beeld als een soort ‘mentaal geheugen' op het netvlies had achtergelaten.

In de toelichting wordt van dat ‘Kuleshov-effect' een concreet voorbeeld gegeven: het beeld van een bewust uitdrukkingsloze acteur, afgezet tegen opeenvolgende stukjes film waarop afwisselend een soepbord, een doodskist en een kind te zien zijn. Het gaat dan om de perceptie die de beelden bij de kijker oproepen: had de acteur honger? Was hij verdrietig? Of straalde hij juist - naar het kind toe - ouderlijke zorgzaamheid uit? Dit in sterk contrast met het oorspronkelijke beeld dat niets uitstraalt. Dat was dus Kuleshovs idee: dat de verschillende beelden achtereenvolgens getoond elkaar beïnvloeden en aldus een vorm van semantische contaminatie vormen die in beide richtingen werkzaam is. Hoe scherper het contrast, des te sterker het gevoel van de natuurlijke perceptieve aanpassing. We vinden dit verschijnsel terug in alle mogelijke kunstvormen, maar ook in stadsplannen en in de architectuur (overigens eveneens een kunstvorm). In de muziek is het traditionele rondo een willekeurig voorbeeld van het ‘Kuleshov-effect'.

Strashnov ging met het ‘Kuleshov-effect' aan de slag, wat een boeiend discours heeft opgeleverd. In zekere zin ook raadselachtig, want zelfs de meest geconcentreerde luisteraar zal zich mogelijk herhaaldelijk afvragen of die zich ogenschijnlijk herhalende figuren en figuurtjes zich echt wel herhalen. Het repetitieve element zorgt er in ieder geval voor dat de tijdsduur bevroren lijkt, althans die gedaante aanneemt.

Strashnov ging nog een belangrijke stap verder door die andere, daarmee verband houdende eigenschap van Kuleshovs gedachtegoed daarbij te betrekken: die van de bewerking. Niet in de betekenis van arrangement, maar van manipulatie, want dat is wat in dit concert voortdurend gebeurt: het manipuleren van het (uiteraard) reeds bestaande. Dat levert per saldo vrijwel onmogelijke associaties op die daardoor de verbeelding sterk weten te stimuleren. Strasnoy heeft het werk voor Tharaud bestemd op grond van diens ‘inspired, unique and inimitable phrasing and clarity of playing'.

De uiteindelijke conclusie kan even kort als helder zijn: deze drie concerten zijn op het lijf van Tharaud geschreven en dat heeft de zowel flonkerende als flamboyante wisselwerking tussen pianist en orkest opgeleverd die deze uitvoeringen zozeer kenmerkt. We wisten al dat de Fransman een uitermate veelzijdige musicus is die zich met het grootste gemak door de meest uiteenlopende stijlen beweegt, hier volkomen overtuigend bijgestaan door de drie ensembles die deze complexe muziek duidelijk het hunne hebben gemaakt. De opname is schitterend, waarvan ik mij afvraag hoe men het heeft klaargespeeld daarin zoveel coherentie aan te brengen. Want ga maar na: niet alleen drie verschillende locaties, maar ook nog drie verschillende producers, opnameteams en nabewerkers. En dan toch die harmonieuze resultaat!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links