CD-recensie

 

© Aarnout Coster, maart 2010

 

 

Roussel: Symfonie nr 3 in g, op. 42* - Symfonie nr 4 in A, op. 53* - Sinfonietta op. 52* - Pianoconcert in G, op. 36** - Pour une fête de printemps op. 22 ** - Bacchus et Ariane op. 43*** - Le Festin de l'araignée op. 17*** - Résurrection op. 4****.

Danielle Laval (piano)**, Orchestre de la Société des Concerts du Conservatoire o.l.v. André Cluytens*; Orchestre de Paris o.l.v. Jean-Pierre Jacquillat**; Orchestre National de France o.l.v. Georges Prêtre***; Orchestre National du Capitole de Toulouse o.l.v. Michel Plasson****.

EMI Classics 6876442 • 74' + 78' • (2 cd's)


Deze dubbel-cd bevat een bloemlezing uit de orkestwerken van de Franse componist Albert Roussel (1869-1937). Het is een heruitgave van opnamen die zijn gemaakt in de periode 1963-1986 door een aantal Franse orkesten en dirigenten. Roussels werk wordt in ons land niet vaak uitgevoerd (vergeleken met bijv. Debussy of Ravel) en het is dus tijd voor een herwaardering.

Het symfonische voorspel tot Tolstoi's 'Opstanding' uit 1903, Résurrection, is Roussels eerste grote symfonische werk. In deze hoogromantische programmamuziek  is de invloed van zijn leermeester d'Indy, leerling van Franck en bewonderaar van Wagner,  nog duidelijk aanwijsbaar. Het werk lijkt wel een Franse pendant van Strauss' Tod und Verklärung.

Het ballet Le Festin de l'araignée (1920), waarvan hier 7 symfonische fragmenten zijn opgenomen, verraadt in de Prélude met fluitsolo de invloed van Debussy, maar overigens is het werk niet uitgesproken impressionistisch. Met sterke ritmiek en heldere, exacte melodielijnen, gaat Roussel een eigen weg.

Eveneens uit 1920 dateert opus 22, Pour une fête de printemps. Hierin duikt exotisme op: oosterse klanken die Roussel bij zijn bezoeken aan Zuid-Azië had leren waarderen.

Het Pianoconcert (1927) is duidelijk moderner met gewaagde harmonieën. In de solopartij wordt 'neoclassisistisch' staccato spel afgewisseld met brede accoorden. Fel ritmische passages enerzijds en lyrische melodieën anderzijds zijn kenmerkend voor dit werk. In het dromerige tweede deel horen we langzame crescendi - qua sfeer is dit deel vergelijkbaar met Ravels tweede deel uit zijn pianoconcert in G (1931). Het werk bestaat uit drie korte delen: Roussel weet veel te zeggen in een kort tijdbestek, hij is wars van breedsprakigheid. Met zijn pianoconcert heeft Roussel zijn eigen stijl gevonden en in wat volgt zal hij die perfectioneren.

 
  Albert Roussel in 1937 thuis in Varengeville

Het ballet Bacchus er Ariane (1931) is een schitterend werk met een sprookjesachtige sfeer, afwisselende instrumentatie, ritmes, tempi en stemmingen. Het werk bestaat uit 15 onderdelen, variërend van een zacht, teder muziekje tot een woest Bacchanaal, van een plechtige melodie tot een frivole fanfare.

Over kort en bondig gesproken: de driedelige Sinfonietta (1934) duurt nog geen 10 minuten. We horen binnen dit tijdsbestek een Allegro vol pulserende ritmes, een spannend Andante en een licht, snel Allegro. Een boeiend stuk, met echo's van Bartók en Stravinsky; ook lijkt het een voorbode van het Concert voor twee strijkorkesten, piano en pauken (1939) van zijn leerling Martinú.

Twee hoogtepunten in Roussels oeuvre vormen zijn Derde symfonie (1930) en Vierde symfonie (1934). Deze rijpe werken van de meester, elk bestaande uit de 'klassieke' vier delen, bevatten felle, hartstochtelijke muziek. De Derde is machtig en groots, de Vierde is intiemer van karakter en neigt meer naar kamermuziek waarin veel solo-instrumenten te horen zijn. In de Derde symfonie valt Roussel met de deur in huis: het werk opent met een woeste fortissimo passage, terwijl de Vierde begint met een langzame inleiding met soli voor althobo en fagot, gevolgd door een pittig Allegro. Overigens zijn er veel overeenkomsten tussen beide symfonieën aan te wijzen. Syncopische passages verlevendigen de snelle delen. Het zwaartepunt ligt in de langzame delen met hierin mooi opgebouwde climaxen.  Roussel bereikt een maximale expressie in korte tijd: de Derde duurt 25 minuten en de Vierde 23 minuten. In beide werken is de septiem als het ware de 'kiemcel', die in de melodievorming een belangrijke rol speelt.

De interpretaties door de diverse dirigenten en orkesten zijn idiomatisch; zij brengen de felheid en ook de zachtheid van deze muziek prachtig tot klinken. De pianosoliste haalt de duistere en lichte kanten van het fascinerende concert prima uit de toetsen - waarom horen we dat stuk vrijwel nooit??

De opnamen zijn goed tot zeer goed en zonder uitzondering helder van klank; de registraties uit de jaren 60 zijn soms een beetje 'edgy', maar dat stoort nauwelijks.

Afgezien van het 'onbekend maakt onbemind'- effect, zal niet iedereen direct naar de muziek van Roussel grijpen. Een anthologie als deze is bij uitstek geschikt om de rijkdom en veelzijdigheid van deze muziek te ontdekken en te genieten. Voor een ieder die de muziek uit de twintigste eeuw een goed hart toedraagt, is deze dubbel-cd een aanrader.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links