CD-recensie

 

© Aarnout Coster, februari 2012

 

 

Beethoven: werken voor piano en orkest (compl.)

Pianoconcert in Es, WoO 4 – Rondo in Bes WoO 6 – Pianoconcert nr 1 in C, op. 15 – nr 2 in Bes, op. 19 – nr 3 in c, op. 37 – nr 4 in G op. 58 – nr 5 in Es, op 73 (Keizersconcert) – in D, op. 61 (bewerking van het Vioolconcert) – Tripelconcert in C, op. 56* – Koorfantasie in c, op. 80**

A talk by Howard Shelley: Beethoven and Mozart: An Obsession?

Howard Shelley (pianist en dirigent), Tasmin Little (viool)*, Tim Hugh (cello)*, Chorus of Opera North**, Orchestra of Opera North

Chandos CHAN 10695 • 316' • (4 cd’s)


Pianisten die pianoconcerten zelf spelen én dirigeren zijn geen uitzondering meer, zeker als het om Mozart gaat; met Barenboim en Perahia als bekende voorbeelden. De meer complexe pianoconcerten van Beethoven, zeker de laatste drie, lenen zich daar minder voor, maar daar deinsde (de oudere) Barenboim, die zich inmiddels ook op het dirigeren had toegelegd, niet voor terug. Toch was hij niet de eerste. De jonge Mengelberg bijvoorbeeld, die een uitstekend pianist was, gaf als solist én dirigent van het Concertgebouworkest al in 1897 uitvoeringen van Beethovens Vijfde pianoconcert. Daarbij had hij een afspraak met de concertmeester André Spoor, die de nodige aanwijzingen gaf aan het orkest als de solist druk doende was met de toetsen.

Ook pianist/dirigent Howard Shelley zal voor deze opnamen een dergelijke afspraak met de concertmeester van het Orchestra of Opera North, David Greed, gemaakt hebben. Op een foto in het begeleidende boekje in deze Beethoven-doos zien we dat de vleugel in het orkest, vóór de dirigent-solist staat, zodat hij tijdens de tutti staande kan dirigeren.

Evenals Ronald Brautigam in zijn recente opnamen van Beethovens pianoconcerten (BIS) , nam Shelley ook het vroege concert in Es WoO 4 uit 1784 op. Het is een charmant werk met een verrassend briljante en virtuoze pianopartij. Het is verheugend dat dit werk meer in de belangstelling komt te staan.
Er is slechts een pianopartij en een pianouittreksel van de orkestrale tussenspelen overgeleverd. Het orkest zou bestaan uit twee fluiten, twee hoorns en strijkers. Beide pianisten hebben een eigen reconstructie van het werk gemaakt. Brautigam heeft voor de solopartij zich zoveel mogelijk aan het origineel gehouden en op grond van zijn ruime ervaring met de Beethoven-concerten geïnstrumenteerd. Shelley ging vrijer te werk: hij voegde een fagotpartij toe en deelde gedeelten uit de pianopartij (begeleidingsfiguren en sommige rechterhand-partijen) toe aan het orkest. Hij bereikt daarmee meer samenspel en dialoog met het orkest, bijv. de inzet van het derde deel: Brautigam speelt deze als solo, bij Shelley klinkt de melodie in octaven, begeleid door het orkest. Zo kwamen twee stijlvolle maar verschillende resultaten tot stand. Ook qua interpretatie: Brautigam, met het ‘authentiek’ spelende Norrköping SO o.l.v. Andrew Parrot, is fel en expressief, Shelley streeft naar helderheid en benadrukt de melodische lijnen. Beide spelen eigen cadenzen.

Voor Shelley is de invloed van Mozart op Beethoven evident. Toen Beethoven in 1787 kort in Wenen verbleef, heeft hij waarschijnlijk Mozart ontmoet; in ieder geval heeft hij toen kennis genomen van Mozarts laatste schepping, het Pianoconcert in c KV 491. In een gesproken commentaar, aan de hand van muziekvoorbeelden, vertelt Shelley hoe Beethoven in zijn Derde pianoconcert als het ware in discussie gaat met de geest van Mozart in harmonisch en melodisch opzicht. Shelley beschouwt de vijf pianoncerten als stappen in Beethovens persoonlijke ontwikkeling. In het Tweede (chronologisch het eerste) is de invloed van Mozart zeer sterk, het Eerste is het optimistische, vitale werk van een jong genie, het Derde reflecteert Beethovens angst en onzekerheid als gevolg van zijn doofheid, het Vierde ademt serene acceptatie en het Vijfde getuigt van heroïsch, groots levensgevoel. Deze visie brengt Shelley in zijn vertolking als dirigent en als solist tot klinken. Ook in de uitvoeringen van het Rondo WoO 6, het Pianoconcert in D op. 61, het Tripelconcert en de Koorfantasie demonstreert Shelley zijn idiomatische en empathische visie op Beethoven.

De uitvoeringen zijn voorbeeldig. De allegro’s zijn vitaal en pittig, de largo’s zijn rustig uitgesponnen, de slotrondo’s vlot en meeslepend. De tempi zijn goed gekozen, de frasering getuigt van Shelley’s affiniteit en ervaring met de muziek van Beethoven. Hij heeft hierbij de beschikking over een uitstekend spelend orkest, met prima solo-spelers, opvallend is het genuanceerde spel van de paukenist. De opname is klasse, met een mooi helder opgenomen pianoklank. Een set die geen enkele Beethoven-fan mag missen!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links