Boeken

 over muziek (algemeen)

 

© Emanuel Overbeeke, juni 2018

 

Patrick Zuck & Marina Frolova-Walker (red.): Russian Music since 1917 - Reappraisal and Rediscovery

Oxford University Press, Oxford 2017
ISBN 978-0-19-726615-1
450 blz., gebonden
Verkoopprijs £85.00

 


Dit is een boek van en voor wetenschappers met als doel een onderwerpen dat lastig te benaderen is vanwege sterke sentimenten daaromtrent buiten de wetenschap zeer wetenschappelijk aan te pakken en zo de sentimenten zoveel mogelijk de baas te zijn. Dat heeft prettige en minder prettige consequenties (de laatste zijn gelukkig vrijwel afwezig). Het overzichtsboek van Francis Maes over Russische muziek heet ‘slechts' een popularisatie (op zich een terechte constatering) en de eis van wetenschappelijkheid doordringt alle hoofdstukken. Dit ‘smetje' is de uitwas van een beleid dat bij dit onderwerp hard nodig is en dat hier voorbeeldig wordt gerealiseerd. Als popularisering is het boek van Maes trouwens nog steeds zeer de moeite waard.

De belangstelling voor Russische muziek sinds 1917 was tot nu toe vooral een belangstelling voor personen, met name minder dan een handvol componisten, zowel buiten als binnen de wetenschap. Op een paar uitzonderingen na is tot nu toe vrijwel niets verschenen over de rol van de partij en in het verlengde daarvan die van de Componistenbond, het Staatsimpresariaat, uitgeverijen en programmeurs. Dat er meer wetenschappelijke aandacht voor deze zaken mogelijk is, danken we grotendeels aan de glasnost. En ook al was dit helaas een vrij kortstondig verschijnsel, sinds het einde van de Sovjet-Unie is er veel meer mogelijk dan daarvoor. Daarbij maakt het veel uit of de onderzoekers afkomstig zijn uit de voormalige Sovjet-Unie of daarbuiten. Veel onderzoekers, nu actief op dit terrein in het westen, zijn geboren en getogen Russen.

Het boek is een bundel waarin vele auteurs vele aspecten behandelen. Die aspecten worden ondergebracht in zes thema's. Als eerste de Russische muziekgeschiedenis en huidige ideeën over geschiedschrijving (met hoofdstukken over de Russische musicologie in de laatste twintig jaar, de studie van Russische muziek buiten Rusland, de avonturen van de Sovjet-muziek in het westen en de Sovjet-muziek gezien door de huidige Russische musicologen). Als tweede de herwaardering van de Sovjet-tijd (met hoofdstukken over de jaren twintig en dertig, het muziekleven onder Stalin, opera en Stalinisme en de componisten in de Goelag). Deel drie over Sovjet-musicologie geeft vooral aandacht aan de manier waarop Russische en niet-Russische muziek tegenover elkaar werden gezet. Deel vier brengt twee hoofdstukken over Sjostakovitsj. Deel vijf gaat over Russische componisten in ballingschap en deel zes over Russische muziek sinds 1991. Sommige artikelen waren reeds verschenen in vakbladen en krijgen dankzij dit boek hopelijk ook een niet-gespecialiseerd gehoor, al werkt de prijs helaas niet mee. Veel meer dan bij andere onderwerpen is beeldvorming bij dit onderwerp cruciaal. De gevoeligheden zijn dit onderwerp zijn legio. Een grondige kennis van de Russische taal en geschiedenis is voor onderzoekers een conditio sine qua non, evenals van het speelveld tussen vulgair determinisme en artistieke autonomie. De werkelijkheid is zwart-wit en grijs tegelijk en de grens tussen diplomatie, opportunisme en lijfbehoud is netjes gezegd situationeel en volstrekt niet weggelegd voor moralisten. Ook in een dictatuur verloopt niet alles top-down, net zoals in een democratie niet alles down-top gaat. Illustratief hiervoor zijn de twee hoofdstukken over Sjostakovitsj, het eerste over zijn correspondentie met de componist Bogdanov-Berezovsky, het tweede over de totstandkoming van zijn Twaalfde symfonie. Deze twee onderzoekers zijn gelukkig allang de overtuiging voorbij, zeer sterk levend in de eerste tien jaar na de verschijning van Sjostakovitsj' memoires (1979), dat de componist een soort heilige was die in zijn muziek stem zou hebben gegeven aan een volk in onderdrukking. Hoezeer hij het regime binnenskamers ook haatte, ook hij moest schipperen. Een publieke dissident was hij beslist niet. En in schipperen was hij getuige deze hoofdstukken zeer bedreven.

Alle hoofdstukken apart goed bespreken maakt deze recensie zeker vijf keer zo lang, te meer daar alle hoofdstukken zich kenmerken door een hoge dichtheid zowel in informatie als in perspectieven. Veel hoofdstukken lezen als samenvattingen zodat men dit belangrijke boek traag tot zich moet nemen. Alle hoofdstukken bij elkaar geven een caleidoscopisch, om niet te zeggen tegenstrijdig beeld. Clichés over de Sovjet-tijd worden even vaak geschonden als bevestigd.

De groeiende belangstelling voor de Russische muziek is symptomatisch voor diverse veranderingen binnen en buiten de muziekwetenschap sinds 1980. De aandacht voor muziek in een dictatuur zet het idee van artistieke autonomie ter discussie. Er is de laatste jaren veel meer aandacht voor de rol van het context, ook in westerse kunst. Sommigen sloegen door en zagen de betekenis van instanties, ouders en ernstige gebeurtenissen zelfs als allesbepalend. Die mensen worden geholpen door de vrees onder wetenschappers zich te branden aan kwaliteit omdat het begrip zo moeilijk zo niet onmogelijk te bewijzen is. Dat laatste is wel zo, maar dat standpunt is ook een poging om te verhullen dat de kwaliteit van het esthetische element soms de bijl aan de wortel is van sociaal determinisme, iets wat Taruskin, de bekendste westerse musicoloog die actief is inzake Russische muziek, wel erkent, maar alleen in terzijdes. Een bizar voorbeeld is de moeite die de Sovjet-autoriteiten deden om beroemde Russen in het buitenland naar hun vaderland terug te halen. Zelfs Stalin wilde op zijn meest anti-westerse momenten rond 1950 de westerse muziek niet helemaal verbieden, zelfs niet de religieuze muziek. De geschiedenis van de Russische en Sovjet-muziek is ook een aanval op het idee dat er in de kunst sprake zou zijn van een ontwikkeling, misschien wel van een lijn richting een bepaalde stijl. Dat idee waarin stijlen elkaar min of meer logisch opvolgen en dat in sommige oude westerse muziekgeschiedenissen nog doorklinkt, blijkt onhoudbaar als men zich met Russische muziekgeschiedenis gaat bezighouden. Met visioenen voor de lange termijn heeft geschiedenis vaak niet te maken.

Omdat deze ideeën haaks staan op wat decennia-, zo niet eeuwenlang door westerse componisten en kunstminnaars werd gedacht, is het niet verwonderlijk dat ze in het westen vooral werden uitgedragen door musicologen die zich niet met muziek uit West-Europa bezig hielden. Vooral Richard Taruskin (hij schreef voor deze bundel over Russische componisten buiten de SU) is bloeddorstig genoeg om behalve nieuwe feiten over stukken te presenteren ook oude inzichten aan de kaak te stellen. Omdat hij zich gedraagt als een journalist in wetenschapskleren die briljant kan formuleren, precies weet wanneer hij vijf boekenkasten moet omgooien (en dat dan onberispelijk doet) en wanneer hij welke (niet)wetenschappelijke onderbuik hoe moet aanspreken en daarbij als een volleerd pit bull niets ontziend te werk gaat, heeft ervoor gezorgd dat de Russische kijk op mens en wereld ook de westerse kijk op muziek en geschiedenis onder muziekwetenschappers heeft gevormd, een prestatie waarvoor hij trouwens wel westerse en geen Russische prijzen in ontvangst mocht nemen.

De verandering in dit deel van het westen is ook goed te volgen, omdat dit een boek is van musicologen die meer bezig zijn met muziekGESCHIEDENIS dan met MUZIEKgeschiedenis. Wie de geschiedenis van Rusland redelijk kent plus flink wat van de muziekstukken die in het boek aan de orde komen, kan het denk ik redelijk volgen. Het boek bevat nauwelijks analyses van partituren. Die lezer krijgt niet alleen een blik in de soms onberekenbare mechanismen van een dictatuur, maar ook in de kracht van het eigenzinnige individu. Rusland mag dan nooit een Verlichting hebben doorgemaakt, daar staat tegenover dat ten eerste veel waarden van de Verlichting pas in de twintigste eeuw in het westen gemeengoed werden en ten tweede dat veel Russen het westen goed genoeg kennen om de tijdloze waarden ervan te accepteren. De tweestrijd in de Russische ziel (of meer gericht op het westen of op het oosten) is van alle tijden. De spanning tussen dictatuur en democratie, voor en na de val van de SU, met alle bijbehorende gevoeligheden is de rode draad door dit boek.

De bundel is daarmee ook een schitterend bewijs van het feit dat Taruskin gelukkig niet altijd gelijk krijgt. Een voorbeeld is Taruskins keiharde kritiek op het zijns inziens overdreven ontzag dat men in het westen heeft voor de geschriften van de Duitse componist en filosoof Adorno. (De bezorgers Zuk en Frolova-Walker herhalen zijn kritiek in iets vriendelijker woorden.) Adorno was trots op zijn worteling in het Duitse erfgoed (en daarmee voor de russofiel Taruskin een dankbare prooi) en meende aldus Taruskin dat serieuze muziek, vooral natuurlijk Duitse muziek, iemand tot een beter mens zou maken (wat Taruskin uiteraard prompt bracht tot opmerkingen over nazi-beulen die hun Duitse klassiekers door en door kenden.). Dan blijkt dat de post-Taruskin musicologen met een grote fascinatie voor Russische muziek er gelukkig wat genuanceerder over denken. In wezen zijn Taruskin en Adorno net zo extreem eenzijdig als ‘het kunstbeleid' van de PVV dat niets van kunst moet hebben omdat het alleen maar subsidie zou slurpen. Het beste midden, ook een mooie leidraad van de bundel, is deze uitspraak van Leonard Bernstein. ‘Art never stopped a war and never got anybody a job. That was never its function. Art cannot change events. But it can change people. It can affect people so that they are – because people are changed by art – enriched, ennobled, encouraged – they then act in a way that may affect the course of events of events… by the way they vote, they behave, the way they think.' Zo'n betekenis had en heeft muziek voor Russen en voor de musicologen die aan deze bundel meewerken. Misschien hoeven de huidige musicologen zich niet meer zo Taruskiniaans op te stellen omdat de pit bull voor hen reeds de voornaamste ideologische hindernissen had weggenomen. Misschien ook omdat zij beseffen dat de hindernissen bij de bestudering van Russische muziek in wezen veel lijken op die bij de bestudering van westerse kunst. Taruskin zou in reactie daarop de westerse samenleving hebben geschilderd als in wezen één met dezelfde gevoeligheden als de Russische. Zijn opvolgers en vooral opvolgsters in deze bundel draaien dat gelukkig om, ook als de omstandigheden niet meewerken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links