Boeken

 over muziek (algemeen)

 

© Emanuel Overbeeke, augustus 2020

 

OPERATHEEK

Steven Vande Moortele: Robert Schumann – Szenen aus Goethes Faust

Leuven University Press (2020)
ISBN 978-94-6270-235-6
80 blz., paperback
Verkoopprijs € 12.50

https://lup.be/products/134762


De Universitaire Pers Leuven is begonnen met de publicatie van een reeks monografieën van composities onder de titel Operatheek – deel een is gewijd aan de Szenen aus Goethes Faust van Robert Schumann. Volgende delen zullen handelen over ‘belangrijke opera's en muziektheaterwerken naar aanleiding van nieuwe producties door Opera Ballet Vlaanderen. (…) Operatheek is onmisbare lectuur voor de operaliefhebber, de cultuurminnaar en de professionele muzikant.'

Het boekje over Schumann snijdt interessante kwesties aan. Het opent met een korte beschouwing over de oorspronkelijke Faust-figuur, vervolgt met een langer betoog over ontstaansgeschiedenis en inhoud van Goethes werk en eindigt met een nog langer deel over de muziek. Het opmerkelijke eraan is dat men de eerste twee delen ook kan vinden in uitstekende boeken over Goethe of breder de Duitse literatuur. Het eerste deel had ook geschreven kunnen zijn door Pieter Steinz, voormalig literatuurmedewerker van NRC Handelsblad, die een van zijn vele populariseringen in boekvorm wijdde aan de historische figuur Faust. Deel twee verwacht men eerder in een goed boek over Goethe, niet alleen voor specialisten maar wel voor mensen met meer dan gemiddelde belangstelling voor literatuur die de diepte niet willen schuwen. Dit soort achtergronden over teksten die op muziek zijn gezet, treft men in muziekboeken alleen aan in uitvoerige verhandelingen die bestemd zijn voor een behoorlijk specialistisch publiek, zoals bijvoorbeeld de boeken van musicologe Susan Youens over onder meer Schubert of het boek van liedbegeleider Graham Johnson over het Franse lied. Dit is de keerzijde van de opvatting om in muziek (vocale en instrumentale) de verwerking van een tekst belangrijker te vinden dan de inspiratie. De meest extreme uitingen van dat idee zijn de uitspraak van Schönberg dat hij voor een goed begrip van een lied van Schubert de tekst niet nodig had en die van Boulez dat tekst op vele manieren kan worden gezet en dat de meest letterlijke voor Boulez de minst interessante is (en die benadering was voor Boulez min of meer bon ton). Gelukkig zijn these en antithese inmiddels gevolgd door synthese. Juist de publicaties van Youens en Johnson laten uitstekend de wisselwerking zien tussen dichter en componist, alleen vereist een goede beschrijving daarvan een ruimte die Moortele in dit boekje niet krijgt of neemt. Zijn aanzetten zijn goed en smaken naar meer uitwerking en onderbouwing.

Het derde deel is veel meer dan een goede beschrijving van het werk: veel uitvoeriger dan een gemiddelde concerttoelichting, maar veel minder specialistisch dan een artikel in een vakblad. Kennis van het werk helpt zeer: jargon wordt zoveel mogelijk vermeden, notenvoorbeelden worden niet geschuwd en enige vertrouwdheid met Schumanns leven, werk en omgeving kan geen kwaad. Beschrijvingen als deze zal men in een boek over Schumann niet snel aantreffen. Dat heeft diverse oorzaken. De eerste is het bon mot dat Schumann zich ontwikkelde van genie tot talent, de tweede de idee dat zijn latere werken minder sterk en meer biedermeierachtig zijn dan de vroege en ten derde dat hij niet op zijn best was in opera. In veel oudere boeken is er amper aandacht voor zijn latere stukken. Met de herwaardering van de meer innige en meer revolutionaire romantiek kwam er meer belangstelling voor deze kant van Schumann, ook in de concertzaal. Zelfs zijn vroege pianowerken klinken nu meer mendelssohn-achtig dan vijftig jaar terug. De recente ruimere opvatting van het genre opera heeft wellicht ook de grenzen vervaagd tussen opera en oratorium. Moortele schrijft boeiende dingen over het drama bij Schumann, de relatie met oratorium (bijvoorbeeld inzake Schumanns Das Paradies und die Peri) en de Duitse operakunst van dat moment.

Bij uitvoeringen van het werk was ik nooit helemaal overtuigd. De relatie met eerdere werken van Schumann die mij wel zeer raken, was mij nooit helemaal duidelijk. De grootste link met bijvoorbeeld piano-, orkest- en kamermuziek was een hang naar innigheid, maar die kreeg in het latere werk een heel andere vorm. Moortele schrijft dat veel melodieën niet echt beklijven en wijt dat aan de enigszins verbrokkelde structuur. De Szenen is een werk opgebouwd uit stukken, waarin de delen niet altijd goed op elkaar aansluiten omdat de luisteraar in Schumanns tijd geacht werd de tekst van Goethe compleet te kennen. Moortele citeert de componist-filosoof Adorno en de musicologe Laura Tunbridge die veel over de late Schumann publiceerden en daarbij de geleerdheid niet schuwen. Dan blijkt dat Moortele in simpele bewoordingen complexe zaken kan aanroeren.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links