Boeken

 over muziek (algemeen)

 

© Emanuel Overbeeke, mei 2021

 

Richard Taruskin: Cursed Questions. On Music and Its Social Practices

University of California Press (2020)
ISBN 978-0-520-344297
450 blz., paperback
Verkoopprijs € 43,00

 


De Amerikaanse musicoloog Richard Taruskin omschreef zichzelf ooit wijselijk als niet een Agenda Setter, maar een Agenda Upsetter. Dat karakter bevestigt hij met zijn nieuwste boek, dat gedeeltelijk nieuw is. Het bevat eerder gepubliceerde artikelen en ongepubliceerde lezingen over onderwerpen waarmee hij zich soms wel soms niet eerder had beziggehouden. Bekend voor Taruskin-volgers zijn zaken als de historische uitvoeringspraktijk, Stravinsky, het muziekleven in Rusland en de Sovjet-Unie plus zijn schrijvershouding: liefde voor niet altijd relevante zijstraten, een altijd briljante stijl en de aanval als de beste verdediging. Sterker dan voorheen is zijn behoefte om naar aanleiding van deze ‘anekdotes' te filosoferen over algemene kwesties als geschiedschrijving, censuur, de vertekening als gevolg van receptiegeschiedenis, esthetische autonomie, traditie, uitbeelding in muziek, de mate van analyseerbaarheid van muziek en de sociologie van smaak. Dat maakt het boek ook interessant voor niet-musicologen, al is daarbij een gebruiksaanwijzing op zijn plaats. Musicologen worden geacht redelijk thuis te zijn in andere disciplines en andersom. De ‘eenkennige collega's' bij de hand nemen is er niet altijd bij. Taruskin schrijft bij vlagen voor beginners en bij vlagen voor kenners en gooit, wat hij al eerder deed, deze niveaus naar hartenlust door elkaar. Daarbij hoort ook dat hij soms zeer clichématig en elders uiterst genuanceerd is. Hij kan evengoed kortaf zijn en met beleid vijf boekenkasten laten omvallen. De provocatie is hem even vertrouwd als de bevestiging. Zijn betoog is soms wetenschappelijke uitwerking tot in de puntjes en soms de onderbuik, journalistiek gebracht en vertoont; en altijd de wil baanbrekend te zijn. Waar 99 % van zijn collega's blij is bij te dragen aan (wat iemand ooit noemde) ‘de zee van niet-revolutionaire publicaties' wil Taruskin de wereld veranderen.

De vervloekte vragen in de titel zijn vragen waar iedereen omheen loopt omdat ze zowel cruciaal als in wezen onbeantwoordbaar zijn. De titel is in zekere zin onterecht want Taruskin beantwoordt de vragen op een wijze alsof zijn antwoorden afdoende en onweerlegbaar zouden zijn. Taruskin schuwt zijn antwoorden niet en is daarbij vaak even selectief als zijn critici waarbij hij (een zeer onaardig trekje) het hardst tekeer gaat tegen die critici die net zijn overleden. Bij de spanning tussen esthetiek en context kiest hij resoluut voor de context en de ethiek. Dat laatste bepaalt aldus hem hoe een kunstwerk valt en is veel belangrijker dan hoe de maker het bedoeld kan hebben. Zijn jarenlange slavofiele oriëntatie (hij heeft Russische wortels en zich eerder uitgebreid beziggehouden met Moesorgski en Stravinsky) leidde niet alleen tot een gewenning aan dictatuur, maar ook, zo lijkt het, tot zijn idee dat dictatuur de norm is en democratie een soort dictatuur met een façade. Uitvoerig is hij over de invloed van echte of vermeende cultuurpausen (die soms inderdaad dictatoriale neigingen hebben), zeker als zij een stijl willen laten inburgeren waar Taruskin niet van houdt. Zijn reeds bekende aversie tegen het modernisme (antisemitisme rekent hij de modernisten veel zwaarder aan dan Wagner en Russische componisten) herhaalt hij hier in geuren en kleuren, evenals de volgens hem kwalijke invloed van het modernisme op de uitvoeringspraktijk en de gewoonte van veel musicologen om bij veel componisten, niet alleen Haydn aan wie hij hier een apart hoofdstuk wijdt, primair te zoeken naar wat in hun muziek nieuw is. Hij gelooft in een hechte en aanwijsbare relatie tussen de beoefening van musicologie en de veranderingen in de wereld, zoals bijv. de gevolgen van de koude oorlog en de lancering van de Spoetnik (vandaar de westerse lofzang op vrijheid en daarmee op kunstenaars die geen rekening hoeven te houden met publiek en macht) en de val van de muur (waardoor musicologen meer het belang wilden inzien van de context en zich in hun beschrijving van muziek niet meer beperkten tot ‘de muziek zelf').

Die bij Taruskin vertrouwde inzichten weerklinken ook in de meer filosofische hoofdstukken. De begrippen high- low en middle-brow zijn voor hem geen esthetische maar sociale begrippen, want bepaalde typen kunst zijn nauw verbonden met bepaalde sociale groepen. De notie van traditie is betrekkelijk omdat traditie niet alleen het doorgeven van oude inzichten is (zoals een bepaalde vorm van expressie in ‘Alte Musik') maar ook een nieuwe interpretatie op basis van nieuwe inzichten (zoals dat gebeurt in ‘Early music'). Expressie wordt meer bepaald door de ontvanger dan door de zender, expressie is in sterke mate contextbepaald. Als er al universals zijn, dan in nature, niet in culture. In het laatste hoofdstuk ‘On musicology east and west' pleit hij voor een synthese van twee richtingen binnen de muziekwetenschap: de studie van de context en de analyse van partituren. Een goede analyse biedt afdoende verklaring voor de werking van muziek. Expressie en de werking van muziek duiden niet op magie en mystiek zoals sinds de romantiek de dominante gedachte is; Taruskin koestert kortom een pre-Verlichte opvatting van kunst passend bij een dictatuur.

Ondanks de immense rijkdom van het boek (mijn samenvatting is kort en ongenuanceerd) zijn er grote blinde vlekken. Misschien is hiervan de oorzaak dat hij, inmiddels met emeritaat, niet kan of wil zien dat de sentimenten in de muziekwereld nu anders zijn dan in zijn studietijd. Taruskin miskent zo lijkt het nog steeds het feit dat er in de muziekgeschiedenis perioden zijn waarin men zich bezon op de heersende taal en men nieuwe middelen introduceerde die én geweldige kunst opleverden én hun weg vonden naar een breed publiek ook buiten het creatieve laboratorium. Het modernisme afdoen als een elitair getto gaat voorbij aan de enorme betekenis die het heeft gehad voor de wereld buiten het laboratorium. Taruskin pleit wel voor de combinatie van analyse en geschiedenis, maar het is bij hem toch vooral geschiedenis met de onuitgesproken teneur dat de moraal van de pre-Verlichte wereld een universal in culture is. Esthetische autonomie is, zo vergeet hij stelselmatig, ook de overwinning van het individu en de creativiteit op een pre-Verlichte dictatuur in welke vorm ook.

Taruskin gaat voorbij aan de rol van kwaliteit in kunst, ten eerste omdat hij terecht stelt dat kwaliteit in wezen onbewijsbaar is en daarom voor wetenschappers geen bruikbaar begrip is, ten tweede omdat hij dondersgoed beseft dat besef van kwaliteit tastbaar is voor iedereen en de bijl aan de wortel van het contextgerichte denken. Bijzondere eenlingen zijn in staat ons anders te laten luisteren en kijken naar de wereld. De weerstanden die zij opwekken duiden inderdaad op de macht van de context, de invloed die ze op hun omgeving hebben duidt op hun kracht en hun veelzijdigheid. Deze eenlingen beginnen vaak als kinderen van hun tijd en maken soms de tijd tot hun kind. Zij kunnen de tijd trotseren, anderen verdwijnen in de geschiedenis. Taruskins nadruk op de context is een begrijpelijke reactie op een klimaat waarin de esthetische autonomie zowat heilig was. Het wordt hoog tijd voor een synthese.

Taruskin is in dit boek, alle wetenschappelijkheid ten spijt, meer een missionaris dan een debater. In theorie heeft hij een anti-utopische kijk op de geschiedenis (de geschiedenis als discussie zonder eind), in de praktijk gedraagt de gelovige zich tegenover andersdenkenden als een pitbull (en daarmee als een onverdraaglijke Messias). Ik zie uit naar de volgende denker over deze kwesties.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links