Boeken

 over musici

 

© Aart van der Wal, augustus 2017

 

 

Herbert Blomstedt Mission Musik - Gespräche mit Julia Spinola
Gebonden, 183 blz., met afbeeldingen, tijdtafel, discografie, onderscheidingen en personenregister
Henschel ISBN 978-3-89487-950-1
Bärenreiter ISBN 978-3-7618-2417-7
Verkoopprijs € 24,95
www.henschelverlag.de
www.baerenreiter.com

 

 

 

 

 


‘Mission Musik' is niet het eerste boek met en over de in 1927 in Springfield, Massachuchetts (VS) geboren dirigent Herbert (Thorson) Blomstedt. In 2007 verscheen ‘Herbert Blomstedt, Eine Annäherung in Text und Bild' van de hand van Martin Lengemann, een hommage in woord en beeld aan deze Zweeds-Amerikaanse dirigent van wereldfaam. De fotoreportage ontstond aan het Vierwoudstedenmeer, waar Blomstedt de fotograaf en daarmee de lezer bovendien een inkijkje gunde in zijn eigen fotoarchief. In het boek zijn tevens de gesprekken opgenomen die Lengemann met Blomstedt toen over diens leven en werk voerde. Mocht u geïnteresseerd zijn: mogelijk kunt u nog een exemplaar bemachtigen (B & S Siebenhaar Verlag, Berlijn, 2007).

De opzet van ‘Mission Musik' heeft zeker sterke raakvlakken met het boek van Lengemann, zij het dat Julia Spinola met Blomstedt, is meegereisd, concerten bijwoonde en op uiteenlopende locaties tijdens de spaarzame vrije uurtjes gesprekken met hem voerde. De in het boek opgenomen foto's zijn zowel uit het familiearchief als uit andere bronnen afkomstig.

Als je de negentig nadert heb je wel wat te vertellen en zeker als je het grootste deel van je leven hebt doorgebracht op alle bekende wereldpodia en in opnamestudio's. Dat maakt het dubbel jammer dat in het boek weliswaar een tijdtafel is opgenomen die de lezer direct inzicht biedt in Blomstedts belangrijkste ‘Lebensstationen', maar dat een - desnoods bescheiden - overzicht van zijn concertprogramma's ontbreekt. Als variant op 'laat mij uw boekenkast zien en ik zal zeggen wie u bent'.

Repetitie met de Sächsische Staatskapelle Dresden

Doopceel in vogelvlucht
Herbert is nog pas twee als het gezin in 1929 terugkeert naar Zweden. Zijn eerste muzieklessen krijgt hij van zijn moeder (een professioneel pianiste). Na zijn studies aan de universiteit van Uppsala en het conservatorium in Stockholm gaat Blomstedt naar Parijs om daar bij Igor Markevitch directielessen te nemen. Hij leert er veel en brengt dat zelfs nu nog in de praktijk. Verdere studies volgen bij Jean Morel in New York (Juilliard School) en Leonard Bernstein in Tanglewood, waar hij in 1953 de Koussevitzky-prijs voor dirigeren in de wacht sleept. In 1954 volgt zijn officiële debuut als dirigent bij het filharmonisch orkest van Stockholm, waarna hij kort daarop daarop wordt benoemd tot chefdirigent van het symfonieorkest van Norrköping (toen al bepaald geen provinciaals orkestje). Het dirigentenconcours in Salzburg leverde hem in 1955 de eerste prijs op. Blomstedts grote dirigeertalent is dan al onmiskenbaar en belangrijker nog, het valt ook op bij degenen die in het muziekbedrijf de lakens uitdelen. Na Norrköping werd het met ingang van het concertseizoen 1962/63 Oslo dat over een nog beter orkest beschikte dan Norrköping. Hij zou er tot 1968 blijven. Tussendoor maakt hij meerdere uitstapjes naar Kopenhagen om daar het Koninklijk Deens Symfonieorkest te leiden. Ook in de Deense hoofdstad klikt klikt het, zozeer zelfs dat hij in 1967 tot chefdirigent werd benoemd, een positie die hij tot het eind van het concertseizoen 1976/77 bekleedt. Dat de democraat Blomstedt zich in 1975 toch laat verleiden tot een post in de toenmalige DDR is op het eerste gezicht misschien niet zo gemakkelijk verklaren, maar wie zou niet de chef willen worden van de wereldberoemde Sächsische Staatskapelle Dresden, een orkest met een roemrijke geschiedenis die nauwelijks een pendant had en waarbij het nu eens niet de leiding, maar de musici zelf zijn die hem dolgraag willen hebben. Hij geeft er talloze concerten, maakt veel opnamen (zowel voor DDR- als voor westerse labels) en neemt het orkest – met groot succes – mee op internationale tournees. En natuurlijk zet hij zich volop in voor de muziek van Scandinavische componisten als Nielsen, Sibelius, Stenhammar en Berwald. In 1985 lonkt San Francisco, waar hij een decennium lang aan het hoofd staat van het San Francisco Symphony Orchestra. Die benoeming komt heel wat sneller tot stand dan het oplossen van een al vrijwel direct opdoemende logistieke puzzel, zo niet een nachtmerrie voor iedere dirigent. We hebben het ook in ons land van zeer nabij meegemaakt: een orkest dat van hogerhand in rap tempo moet worden opgesplitst om daaruit dn weer nieuwe ensembles te vormen. Dat overkomt Blomstedt in San Francisco. Desondanks of juist daardoor groeit het orkest in snel tempo uit tot een van de beste in Amerika. Tien jaar lang geeft Blomstedt daar het beste van zichzelf, resulterend in onder meer een aantal schitterende opnamen op Decca's London-label. Ook vandaag wordt hij daar op handen gedragen en is hij nog steeds ‘laureaatdirigent'. Daarna komt de overstap naar het NDR (nu Elbephilharmonie) Orchester in Hamburg. Twee jaar later, in 1998, wordt hij aangesteld als chefdirigent van het fameuze Gewandhausorchester in Leipzig. In 2005 komt het afscheid en sindsdien reist hij als gelauwerde en veelgevraagde gastdirigent de wereld rond.

Te gast bij het Gewandhaus in Leipzig

Analyse
Als dirigent huldigt Blomstedt een vrij eenvoudig maar in de weerbarstige praktijk niet bepaald gemakkelijk te realiseren principe: dat de componist de eerste en de laatste autoriteit is en blijft. Blomstedt ziet de partituur primair als baken en bron van diepgravende analyses, waarbij het hem er vooral om gaat om zoveel mogelijk van het onder handen zijnde werk te weten te komen. Dat die kennis zich niet alleen tot het notenbeeld uitstrekt, spreekt welhaast vanzelf. Het gaat immers ook om het werk in de context van zijn tijd.
Hoe Blomstedt precies analyseert komen we niet te weten, maar wel dat Markevitch hem daarin als een belangrijk voorbeeld heeft gediend. En dat het erom gaat de gehele organische bouw en de samenhang te ontdekken tussen melodiek, harmoniek, ritme en tempo. Dat zijn voor Blomstedt de elementen die hem na gedegen studie ervan in staat stellen zich het werk als het ware toe te eigenen. De periodebouw in al zijn geledingen, daar gaat het hem uiteindelijk om. Daarbij maakt het niet uit wat onder handen is: Bachs Hohe Messe, Beethovens Missa Solemnis, Brahms' Ein deutsches Requiem, Haydns ‘Militaire' symfonie of Schönbergs Pelleas und Melissande. Vanuit de vorm gebeurt het allemaal en dat draagt Blomstedt ook met grote overtuigingskracht uit.Dan is er de bekentenis dat het toch uiteindelijk de muziek is die de mens meer direct ontroert dan beelden, gebouwen of literatuur. Het is immers de muziek en zij alleen die onmiddellijk emoties losmaakt. Terwijl het anderzijds de wetmatigheden in de muziek zijn die de verhouding tussen gevoel en verstand bepaalt. Het moet helder zijn: het is niet de emotie zonder begrenzing die Blomstedt in zijn dirigeerpraktijk nastreeft. Hij weet en voelt dat grenzen gesteld moeten worden, dat het de vorm is waarin de emotie haar begrenzing moet vinden. Dat het intellect uiteindelijk de emotionele lavastroom moet aansturen (“zwelgen in de muziek brengt niets”). En à propos: ongecontroleerde emotie heeft het mensdom ook heel veel ellende gebracht. Terwijl “de geschiedenis heeft aangetoond dat men zowel een sensibele muziekliefhebber als een massamoordenaar kan zijn.” De voorbeelden liggen voor het oprapen, jawohl!

Met András Schiff en de Berliner Philharmoniker in de Berlijnse Philharmonie

Geen analyse voor de lezer
Wie verwacht dat in het boek uitvoerig wordt stilgestaan bij uiteenlopende composities wacht een teleurstelling. Geen diepgravende analyses met notenvoorbeelden, maar slechts incidenteel en dan alleen rudimentair beschrijvend. Wie bijvoorbeeld ‘The composer's advocate'van Erich Leinsdorf kent weet daarmee wat hij met ‘Mission Musik' niet krijgt. Terwijl het juist zo interessant kan zijn om als het ware over de schouder van de dirigent mee te kijken. Niet alleen kan dit tot meerwaarde leiden wat betreft de (diepere) appreciatie van de muziek maar ook meer inzicht verschaffen in hoe bij een bepaalde dirigent het analyseproces verloopt. Dat Blomstedt een lans breekt voor Beethovens metronoomcijfers is misschien een verrassing, maar ook bij hem is sprake van voortschrijdend inzicht. Niet dat hij die slaafs navolgt (dan wordt het trouwens een mechanische ‘Ablauf'), maar zeker in zijn jongste opname van Beethovens negen symfonieën (de uitgave ligt momenteel in de winkels) klinkt zijn opvatting door dat de metronoomcijfers absolute geldigheid hebben en dat de daaruit volgende, soms uiterst snelle tempi wel degelijk speelbaar zijn en dat de componist het zo heeft gewild. Wat eveneens duidelijk wordt is dat het karakter van het stuk mede wordt bepaald door het opzoeken van de grens van het nog net speelbare (wat op zich overigens een aardig tegenwicht vormt van het huidige ‘luxe' instrumentarium in vergelijking met de gebrekkige instrumenten uit Beethovens tijd). Blomstedt is er helder over: “Als alles gemakkelijk speelbaar is verliest de muziek iets van haar stormachtige karakter.” Dat zou hij zo twintig jaar geleden zeker niet hebben gezegd. En hoewel ook Blomstedt de nieuwe uitgave van Jonathan del Mar gebruikt blijven er desondanks toch vragen die verschillend en dus arbitrair moeten worden opgelost. Zoals de vraag of Beethoven een accent dan wel een diminuendo voorschreef, op zich al een wereld van verschil. De keus is aan de dirigent, goed of fout. Hij veroorlooft zich soms ook een uitstapje, zoals in de Zesde symfonie, waar ergens in het scherzo de eerste fluit door het aandeel van de strijkers volledig wordt weggedrukt, hoewel die partij fortissimo moet worden gespeeld. Daar de tweede fluit in diezelfde passage slechts enige harmonienoten krijgt voorgezet laat Blomstedt die meespelen met de eerste fluit en geeft hij de karige harmonienoten aan de derde fluit.

Repetitie met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks in München

Zwemmen boven de afgrond
Dat is Blomstedts dirigeren: het zoeken naar en het vinden van de balans tussen gevoel en verstand. Men kan tegenwerpen dat dit voor een musicus als zodanig geen bijzondere eigenschap is, maar daarin huist wel het raffinement en de finesse die het verschil uitmaken tussen het gewone en het bijzondere. Wat dus niet betekent dat Blomstedt zich in repetities en uitvoeringen al bij voorbaat met zekere hand door een partituur beweegt. Meestal studeert in de pauze van een repetitie nog net zo intensief als eerder thuis. Dat de analyse het beeld dat straks tot klinken komt min of meer al onwrikbaar heeft vastgelegd en dat het orkest hem alleen maar hoeft te volgen? Nee, Blomstedt ziet duidelijk het gevaar van (wel of niet vermeende) zekerheid: in de muziek is die dodelijk. Wat geldt voor de gebalanceerde verhouding tussen intellect en emotie geldt niet minder voor die tussen zekerheid en twijfel. Blomstedt verwijst naar Tolstoj die van mening was dat de echte kunstenaar altijd zoekende is en alleen dan kan overtuigen. Wie alles denkt te weten, zijn mening in beton heeft gegoten, is of een charlatan of een propagandist. De erkenning ook dat er in de kunsten nooit sprake kan zijn van slechts één waarheid brengt de (zelf)twijfel al bij voorbaat dichterbij. Als er iets in absolute zin bestaat, dan is het God, vindt deze met hart en ziel overtuigde zevendedagsadventist.

Voor Blomstedt is het zijn lange loopbaan lang een waar mirakel geweest dat hij na een uitvoering nooit diep ongelukkig het podium verliet. En bescheiden of realist als hij is wijst hij daarbij niet alleen naar zichzelf: “Ik denk altijd, dat kan niet alleen aan mij liggen. Ik ben op het orkest aangewezen, ervan afhankelijk en men kan tijdens de uitvoering slechts hopen dat ook God in de zaal is.” Symbolisch uitgedrukt, maar toch. Zwemmen boven de afgrond, daar komt volgens Blomstedt het dirigeren op neer.

Wat is waarheid?
De dirigent Blomstedt kent niet slechts één waarheid. Interpretatie is evenmin zoiets als ‘in deze passage zou het mooi zijn als we hier een diminuendo zouden maken'. Wat in de muziek zelf (nog) verborgen is, nog niet openligt, daar gaat het hem om. Om de sensibiliteit vanuit dat verborgene te ontdekken en met de eigen beschikbare kennis en ervaring uiteindelijk voor het voetlicht te brengen. Het is een missie die er zijn mag. We stuiten daarbij onvermijdelijk op het organische karakter van de muziek, en wat wel en wat niet vanzelfsprekend daaruit voortvloeit. Dat wat vorm heeft, structurele eigenschappen kent, vraagt niet om iets wat zich alleen daarbuiten bevindt. Wie anders handelt tast de vorm aan, wendt zich af van wat de componist heeft bedoeld. Dat het belangrijkste niet in de noten staat (Mahlers beroemde uitspraak) krijgt pas waarde als het voorwerk goed wordt gedaan. Men zou ook kunnen zeggen dat wie dat respecteert, gemakkelijker het beeld áchter de noten weet op te roepen; of in ieder geval met meer overtuiging. Zonder dat daarbij van de waarheid sprake kan zijn. Trouwens, stel dat de gedachte heeft postgevat dat die waarheid er wel is? Hoe eenvormig, hoe saai zou de muziek dan tot klinken komen. Er zou geen ontwikkeling meer zijn, het zou aan nieuwe ideeën ontbreken, kunst zou uitmonden in een herhalingsoefening zonder perspectief. Muziek lééft immers bij de gratie van zowel traditie als vernieuwing. Hoe organisch op zich ook ingericht, roept zij bij de luisteraar datgene op dat in evocatief opzicht daarvan onverbrekelijk deel uitmaakt. De vorm is niet het doel, maar een van de onmisbare middelen om tot ultieme expressie te komen.

Na Bachs Johannes-Passion in München

Standaardrepertoire
Het geleidelijk aan ouder worden schept enerzijds nieuwe ervaringen en creëert anderzijds fysieke en misschien ook mentale gebreken. Dat geldt althans voor de doorsnee mens. Ook musici ontkomen daar niet aan. Wie beroepsmatig musiceert kent maar al te goed de fysieke beperkingen die er langzamerhand insluipen, variërende van een arm die niet meer wil tot tinnitus. Dirigenten kennen de achteruitgang van de concentratie, de zich geleidelijk aan ontwikkelende gehoorproblemen of het gebrek aan lust om (nog) nieuwe stukken in te studeren. Men voelt zich binnen de psychologische beperkingen van het beroep althans zekerder op het terrein van het vertrouwde. De consequentie is zowel helder als onontkoombaar: de dirigent wordt door het grote publiek voortaan geassocieerd met een specifiek repertoire. Het hangt van de kwaliteiten van de dirigent en de perceptie van de luisteraar af in hoeverre dat nog nieuwe perspectieven biedt. Blomstedts concertagenda laat het ook duidelijk zien. Wat overigens niet wegneemt dat zijn fysieke gesteldheid ondanks zijn hoge leeftijd uitstekend zo niet opzienbarend is: een negentigjarige die ruim negentig concerten per jaar dirigeert en dan ook nog op meerdere continenten.

Het ‘standaardrepertoire' dus, een mengeling van Weense Klassiek en muziek uit de Romantiek en Laatromantiek, waarvan Blomstedt zelf zegt dat het moet aanspreken bij het publiek maar ook wat goed is voor het orkest. Een behoudend en zeker ook aanvechtbaar standpunt. Anderzijds staat Blomstedt erom bekend dat hij wel degelijk – zij het in een ander tijdperk – zijn horizon verlegde en de nieuwe muziek in het hart sloot (al in 1949 en 1956 nam hij deel aan de ‘Ferienkurse' in Darmstadt). Maar hoewel conservatief, er staat wel iets tegenover: meer diepte in de vertolkingen, naast het exploreren van kleine nuanceverschillen. Soms was het ondanks de conventie of misschien wel juist daardoor zijn gevecht tegen diep gewortelde vooroordelen, zoals tegen de muziek van Sibelius, maar ook die van Nielsen en Stenhammar. Blomstedt heeft ook niet geschroomd om bij sommige ‘moeilijke' of relatief onbekende stukken een inleiding te houden, opdat het publiek met andere oren naar de muziek ging luisteren.

Blomstedt erkent ook het probleem van programma's die hem min of meer worden opgedrongen en dat ook hij de les moest leren om er nee tegen te zeggen. Of omgekeerd dat zijn programmavoorstel werd afgewezen. Natuurlijk, het kan een kwestie van geven en nemen zijn, maar niet te ontkennen valt dat met het groeien van de reputatie de mogelijkheden op dit terrein eveneens toenemen. Zo kon de immens populaire Leonard Bernstein in New York maar ook daarbuiten vrijwel alles dirigeren.

Blomstedt heeft het grootste deel van zijn kostbare boekenverzameling overgedragen aan de bibliotheek van de universiteit in Gothenburg

Kaalslag
Ook Blomstedt herkent de sterke achteruitgang of zelfs het verdwijnen van het muziekonderwijs op kleuter- en basisscholen. Hij ziet dat als een aanslag op de cultuur. Terwijl er juist zoveel mogelijkheden zijn om goede muziek op een pedagogisch verantwoorde manier bij de jeugd ingang te doen vinden. Hij roept het Venezolaanse ‘El Sistema' in herinnering, en verwijst naar Japan, waar de belangstelling voor klassieke muziek sterk wordt aangewakkeerd door allerlei discussies, lezingen, inleidingen en nagesprekken. Musici die zowel publiek als critici uitnodigen om over de uitgevoerde muziek met elkaar in gesprek te gaan. De muziekbeleving als echt levend organisme, stevig ingebed in de samenleving, zo zou het volgens Blomstedt moeten zijn. Door de zich alom om zich heen grijpende kaalslag wordt het echter steeds lastiger om een jonge generatie voor klassieke muziek te interesseren. “De tragiek van onze tijd is dat kinderen door ouders noch door leerkrachten worden aangemoedigd hun muzikale vaardigheden te ontwikkelen. Terwijl de popcultuur zo luidruchtig dat de zachtere stemmen in onze innerlijke ziel daardoor worden overstemd. In een extreme crisissituatie merkt men dan misschien dat het leven in deze luidruchtige oppervlaktecultuur niet opgaat. Dan is men in grote moeilijkheden.” En “als ik de aanbidding van de popmuziek zie, maak ik mij zorgen over hoe het met onze cultuur verder moet. Ik onderga deze muziek als destructief en natuurlijk beschouw ik het als mijn missie om daar iets tegenover te stellen. Maar niet om de mensen ervan te overtuigen hoe slecht die (muziek) is, maar om hen te laten zien hoeveel rijkdom ze in plaats daarvan zouden kunnen ontdekken. Er ontgaat hen toch zoveel. Maar eenieder moet dat zelf maar uitvinden. Ik ben ermee opgehouden om ertegen te strijden. In plaats daarvan probeer ik slechts om proselieten te winnen voor het goede.”

In een interview met de New York Times zei Blomstedt onlangs over zijn druk bezette agenda: “I love music. How could you deny being together with your loved one? Some journalists want me, of course, to say it's because I never smoked, or because I'm a vegetarian, or because I keep the Sabbath. But that's not the reason. It's a gift.” ‘Mission Musik' is van dat geschenk van de eerste tot de laatste bladzijde van doortrokken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links