Boeken

 over musici

 

© Emanuel Overbeeke, november 2017

 

 

Harvey Sachs: Toscanini - Musician of conscience (a new biography)

Liveright Publishing Corporation, New York 2017

Gebonden, 923 blz. $ 39,95
ISBN 978-1-63149-271-6

http://books.wwnorton.com/books/978-1-63149-271-6/

 

 


Het nieuwste boek over Arturo Toscanini (1867-1957) is het tweede boek over deze dirigent van Harvey Sachs. Wat de verschillen tussen het eerste en tweede zijn, legt Sachs niet precies uit, maar een aantal kan men opmaken uit de tekst. Van de nazaten van de dirigenten zijn niet alleen alle kinderen, maar nu ook bijna alle kleinkinderen dood. Dat bood de biograaf de mogelijkheid veel materiaal te presenteren dat tot nu toe alleen in de familie bekend was, materiaal dat de zijnbiograaf overigens ter inzage heeft gekregen van het laatst nog levende kleinkind. Eerdere biografen wisten minder of zwegen uit beleefdheid en discretie. De 'winst' is meer interessant wat betreft het leven dan inzake zijn werk. De dirigent was verre van monogaam, maar piekerde niet over scheiden (en vond het verwerpelijk wanneer weduwen of weduwnaren na zeer korte tijd hertrouwden). In een enkel geval, zoals zijn relatie met de vrouw van de cellist Enrico Mainardi, is zo'n buitenechtelijke affaire echter interessant omdat we daardoor veel leren over zijn maatschappelijke en muzikale inzichten.

De tweede winst is dat Sachs tussen zijn eerste en tweede biografie uitvoerig heef gepubliceerd over het muziekleven in fascistisch Italië. Die ervaring komt hem zeer van pas in het tweede deel van het boek, vanaf 1914, wanneer Italië vrijwel constant in staat van oorlog verkeert, niet alleen met het buitenland, maar ook intern. Het eerste deel lijkt een inmiddels clichématig levensverhaal met een inmiddels clichématige aanpak. Hier lijkt de winst het kleinst. We komen iets meer te weten over het grote talent dat al snel in Italië en Latijns-Amerika furore maakte als dirigent van vooral opera's. Dit deel is interessant om diverse redenen. Zijn repertoire was veel breder dan zijn discografie doet vermoeden; hij dirigeerde veel nieuwe muziek, al had hij bij diverse componisten gemengde gevoelens, met name Strauss. Mahler en Bruckner dirigeerde hij zelden. Zijn relatie met Puccini ging niet van een leien dakje, maar in zijn inzet voor zijn werk was hij onverbiddelijk. Zijn niveau, dat al zeer snel werd geroemd, was alleen mogelijk doordat hij de hoogste eisen stelde, ook aan zichzelf, en niet schroomde hardhandig de les te lezen, al moest hij, vooral op zijn oudere dag, weinig hebben van autoriteit om de autoriteit (waarschijnlijk kon hij het zich toen ook veroorloven; George Szell moest hem om die reden bij hem ontgelden, waarop Szell onmiddellijk van gedrag veranderde). Vanaf het moment dat Toscanini op de bok staat, citeert Sachs gelukkig uitvoerig uit recensies, die zeer boeiend zijn als men ze zet naast de bewaard gebleven die bijna allemaal dateren van na zijn 65ste . De critici huldigen de vloeiende lijn, de dwingende ritmische energie zonder dat de uitvoering vervalt tot iets mechanisch of metronomisch. Hij was geen klankfetisjist, maar zag de waarde van klankkleur als structuurbepalend element; binnen de eisen van het ritme en een heldere frasering kon de klank zeer gevarieerd zijn. Hoewel hij van solisten en zangers het uiterste vergde, was hij uitstekend in staat met de solisten mee te ademen zonder dat dit ten koste ging van zijn greep op het werk.

Deze berichten staan enigszins haaks op het beeld dat ontstaat als men naar zijn opnamen luistert: de ritmische energie domineert, de dynamische contrasten zijn soms erg groot en de structuur heeft duidelijk de boventoon op de klank. (Willem Mengelberg had niet helemaal ongelijk toen hij in 1930 verklaarde dat Toscanini alles dirigeerde alsof het Il trovatore was.) Toscanini was als musicus geen ideoloog die met veel tam-tam à la Igor Stravinsky of Nikolaus Harnoncourt verklaarde hoe men muziek moet maken. Het huidige beeld van Toscanini als de objectieve dirigent is voor een groot deel gebaseerd op zijn opnamen uit late jaren die volgens Sachs zijn dirigeerstijl uit jongere jaren niet helemaal weergeven. Bovendien, al hechtte Toscanini nog zo aan precisie, hij hechtte nog meer aan passie. In de opnamen van hem die ik vanwege dit boek (opnieuw) beluisterde, zoals de symfonieën van Brahms (uitgevoerd met de Philharmonia Orchestra) en het Requiem van Verdi (met het NBC Symphony Orchestra), hoort men vooral energie, alsof hij eigenlijk opera dirigeert en dat passie destijds nog geen gedevalueerd modewoord was. Toen het Philharmonia Orchestra Toscanini probeerde te strikken voor zijn Brahms-project, probeerde Malcolm Sargent hem te strikken met de zin 'een zittende Toscanini [de maestro was destijds 85!] is altijd beter dan een staande collega.' Taruskins opmerking dat objectiviteit gepaard gaat met 'dehumanisering' (gelukkig niet mijn woord) is alleen juist als Toscanini niet zijn dag had. En als dat zo was, dan zegt Sachs dat ook.

Toscanini's relatie met het fascisme neemt in het boek vele pagina's in beslag. Aanvankelijk waren de twee bondgenoten, maar de verwijdering begon toen Mussolini rond 1920 meer en meer naar rechts opschoof. Nadat Il Duce aan de macht was gekomen, zag Toscanini het eerst aan, ook omdat de dictator de Scala in Milaan waar Toscanini destijds diende als chefdirigent, goed gezind was. Bovendien wilde Mussolini Toscanini enigszins te vriend omdat de grootst levende dirigent (een status die hij al had in de jaren twintig) een geweldige troef was voor het regime. Toscanini maakte er gebruik van en kon zo allerlei vrienden uit benarde posities redden, al maakte het regime het hem wel steeds moeilijker. Eind jaren dertig had hij nog wel een huis in Milaan, maar trad hij er niet meer op - pas na de oorlog zou hij er weer dirigeren.

Toscanini was een politiek dier, maar hield politiek en kunst bij voorkeur gecheiden. Zijn stellingname tegen fascisme en nationaal-socialisme was even resoluut als zijn stelling dat muziek in principe niets met politiek te maken had. In 1930 was hij de eerste niet-Duitse dirigent die mocht dirigeren in Bayreuth, wat hij als Wagner-liefhebber als een geweldige eer beschouwde. In 1933 weigerde hij om er terug te keren, maar in 1937 dirigeerde hij Die Meistersinger in het kader van de Salzburger Festspiele, waarop de vrijwel voltallige Wagner-familie naar Oostenrijk trok en na afloop de dirigent uitgebreid complimenteerde. 'Precies zoals mijn opa het wilde.' (De uitvoering, helaas slecht opgenomen, is inderdaad geweldig, ook omdat ze overloopt van italianata!) De grootste antinazi van de familie, Friedelind, hielp hij eind jaren dertig naar New York te komen, waar zij, gedeeltelijk op kosten van de maestro, met haar opa structureel boven haar stand leefde. Ook andere musici profiteerden van Toscanini's generositeit.

Toscanini had veel mee. Hij leefde in een tijd waarin 'de hoge kunst' een bijna heilige status had die ook morele dimensies had en die nu ver weg lijkt, benutte de kracht van kunst om zijn niet-muzikale doelen kracht bij te zetten, hij koos duidelijk partij wanneer dat moest gebeuren en was velen zeer behulpzaam wanneer zij dat nodig hadden. Die activiteiten 'voor de schermen' lezen nu enigszins als een excuus voor minder sympathieke kanten daarachter. Hij kon hard zijn jegens medemusici, was soms meer direct dan tactvol, leefde zeker in zijn jonge jaren meer voor de muziek dan voor zijn familie. Hoe verder men er vanaf staat en hoe ouder men is, hoe meer men dit gedrag ziet als een patroon dat men ook ziet bij veel musici die lang niet zo goed zijn. Een minpunt dat meer het boek betreft, is de afwezigheid van bronnen. Bij vele citaten wilde ik graag een bron weten (is het gevaarlijk?); de illustraties wekken de indruk van doen te hebben met een aardige opa, wat getuige het boek maar één kant van de dirigent was. Zijn kleinkinderen adoreerden hem duidelijk meer dan zijn kinderen. Bijna elke pagina bevat een nieuw gezichtspunt, even passend bij het onderwerp als de andere. Het boek leest ondanks de omvang enigszins als een samenvatting en kaleidoscoop.

De grootste verdienste van het boek is dat het uitnodigt (opnieuw) te luisteren naar zijn opnamen die veel meer te bieden hebben dan de clichés daaromtrent (Sachs is hierover zeer informatief). Dat die opnamen een cultuur in herinnering roepen waarin superieure kunst meer was dan status en zijn morele kracht bewees op een moment waarop dat ertoe deed, biedt stof tot nadenken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links