Boeken

 over muziek (algemeen)

 

© Kees de Leeuw, december 2018

 

Rudolf Rasch: Muziek in de Republiek - Muziek en Maatschappij in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1572-1795

Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis 2018

ISBN 978-9063 752 316
384 blz., gebonden en rijk geïllustreerd
Verkoopprijs € 39,-- (excl. verzendkosten)

www.kvnm.nl/nl/Webshop/Muziek-in-de-Republiek

Webshop KVNM


De Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis (KVNM) , opgericht in 1868, is de oudste musicologische vereniging ter wereld. In 2018 werd het jubileum uitgebreid gevierd met onder meer symposia, een tentoonstelling en de publicatie van het boek Muziek in de Republiek.

Op maandag 19 november 2018 was het precies 150 jaar gelden dat de Amsterdamse arts en muziekliefhebber Jan Pieter Heije (onder meer tekstdichter van Zie, de maan schijnt door de boomen en Ferme jongens, stoere knapen) de vereniging oprichtte. Op deze gedenkwaardige dag in 2018 vond de boekpresentatie van Muziek in de Republiek op het KVNM plaats in het kader van het jubileumfeest in het paushuis in Utrecht. De auteur, dr. Rudolf Rasch, doceerde tot zijn pensionering aan de universiteit van Utrecht, met de Nederlandse muziekgeschiedenis als een van zijn specialisaties. Al eerder was er sprake van dat hij zijn studie zou uitgeven bij de KVNM, maar om diverse redenen was dat niet gelukt. Mooi dat het project nu wel gerealiseerd kon worden en op zo'n belangrijk moment werd gepresenteerd. De conservator muziekinstrumenten van het Rijksmuseum, dr. Giovanni Paolo Di Stefano, kreeg het eerste exemplaar uitgereikt omdat in het boeke talrijke illustraties afkomstig uit de collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam, zijn opgenomen.

De vele afbeeldingen zijn best bijzonder voor een boekuitgave van de KVNM. Waar de vereniging zich vroeger op een select gezelschap richtte, is het beleid duidelijk gewijzigd en staat de vereniging inmiddels open voor een veel grotere groep geïnteresseerden. Muziek in de Republiek is dan ook duidelijk gericht op een relatief groot publiek. Muziektheoretische kennis of het kunnen lezen van noten is absoluut niet nodig om van dit boek te kunnen genieten. Het is bovendien fraai uitgegeven en voorzien van talrijke informatieve illustraties, die groot en mooi zijn afgedrukt. Tegelijkertijd blijft het een boek dat gebaseerd is op colleges van Rasch, die naar volledigheid streefde. Dit valt met name op in de schier eindeloze opsommingen van vooral persoonsnamen.

Rasch gebruikte uiteraard allerhande bronnen, waarbij het opvallend is dat oude kranten daarin een grote rol speelden. Voor het vinden van informatie over concertprogramma's blijkt dit trouwens vaak de enige bron. De periode die hij beschrijft begint in 1572 “toen de Staten van Holland en Zeeland voor het eerst niet meer het gezag van de Spaanse landvoogd erkenden en een eigen koers gingen varen, die niet meer zou worden onderbroken.” Het jaar 1795 is het eindpunt, met de inval van de Fransen en het uitroepen van de Bataafse Republiek.

Na een mijns inziens minder goed geredigeerde en hierdoor niet zo prettig leesbare inleiding volgen gelukkig wel goed leesbare hoofdstukken, die keurig thematisch zijn ingedeeld. Het zijn de volgende elf thema's: Het stadhouderlijk hof; De steden; De kerken; De theaters; Muziekcolleges; Concerten; Het onderwijs; De strijdkrachten; Musici; Amateurs; Liedcultuur. Veel hoofdstukken sluiten af met een conclusie en daarbij valt op dat het niet consequent overal is gebeurd. De twee grootste hoofdstukken zijn De kerken en De theaters, die elk ongeveer 50 pagina's beslaan. Dat andere thema's minder uitgebreid aan bod komen heeft vooral te maken met het gebrek aan meer gegevens. Elk hoofdstuk kan probleemloos afzonderlijk gelezen worden, zodat je als lezer desgewenst een hoofdstuk kunt overslaan of kunt 'zappen'.

Voor praktisch de hele beschreven periode geldt dat het overgrote deel van de Republiek sterk calvinistisch was, maar tegelijkertijd tamelijk tolerant, wat pluriformiteit mogelijk maakte. Ondanks een weinig buizame stadhouder was er veel decentralisatie en veel spreiding van macht. Bovendien was het land internationaal georiënteerd. Geen wonder dus dat de Nederlandse muziek sterk werd beïnvloed door de Fransen en Italianen, terwijl er nogal wat Duitsers een baan vonden als kerkorganist. Het muziekleven was in de steden Amsterdam en Den Haag, de laatste met het stadhouderlijke hof, het levendigst. Gelukkig besteedt Rudolf Rasch echter ook veel aandacht aan andere plaatsen die een min of meer belangrijke rol hebben gespeeld.
In de calvinistische kerkdienst was er niet veel ruimte voor muziek. Het bleef beperkt tot gemeentezang en uiteindelijk werd, zij het niet zonder slag of stoot, het orgel als begeleidend instrument geaccepteerd. Talloze pogingen werden gedaan om de Psalmberijmingen te vergemakkelijken , opdat er in de kerkdienst beter werd gezongen. Veel hielpen de verbeterde berijmingen overigens niet: de gemeentezang bleef slecht. De kerken boden ook geen opleidingen aan musici, wat in omringende landen wel gebeurde.
De calvinistische overtuiging en levensstijl bood in principe weinig kansen voor muzikale ontplooiing. Er was voor de professionele musicus dan ook weinig emplooi op de arbeidsmarkt. Zelfs tegen het einde van de beschreven periode waren er weinig min of meer vaste banen te vergeven. Eigenlijk alleen aan het hof in Den Haag en door gemeentelijke overheden, schouwburgen en (in hoeverre er sprake van was) concertzalen: zij gaven kans op een redelijk gegarandeerd bestaan. Lesgeven kon natuurlijk wel, want veel beter gesitueerde burgers wilden graag wel leren musiceren, al waren de potentiële leerlingen kritisch in de keuze van hun instrument. Een klavecimbel was vooral voorbestemd voor vrouwen en de meeste blaasinstrumenten waren zelfs taboe. Geleidelijk aan kwam hier wel verandering in. Musici konden ongeregeld optreden bij officiële festiviteiten, zoals de feestdagen rond de Oranjes of wanneer de (schaarse) universiteiten een plechtigheid hadden.
De vluchtigheid van muziek en de levenswijze van diverse musici werden geassocieerd met vergankelijkheid en ijdelheid. Veel musici, ook zij die hoger in het vaandel stonden, hadden nogal wat problemen met de drank. Rasch noemt onder meer namen van stadsorganisten uit bekende families als Groneman en Van Noordt. Minder begaafde musici, waaronder zij die bij voorbeeld speelden in herbergen waar ook prostitutie plaats vond, zullen het aanzien van hun beroep, toentertijd toch al met een lage status, allerminst hebben verhoogd.
Er zijn gelukkig ook veel positieve zaken te noemen. In enkele steden werden voor de grote kerken door de lokale overheden stadsorganisten aangesteld. Zij speelden voor of na de preek en gaven daarnaast veel openbare concerten. Ze traden ook op bij officiële ontvangsten, maaltijden en andere plechtigheden in het stadhuis of op speciaal verzoek van de burgemeester. Van de 18de-eeuwse stadsorganist in Hoorn werd gevraagd om ook te spelen op Goede Vrijdag, maar evengooed als er kermis in de stad was. De stadsorganisten werden wel gerespecteerd en ontvingen bovendien een redelijk salaris. Sommige gemeenten hadden ook een (bescheiden) aantal andere musici in dienst. Zij werden ook ingezet bij banketten en ontvangsten en soms zelfs voor een dagelijks optreden bij het stadhuis.
Buitenlandse musici bezochten ons land of vestigden zich hier, zoals Pietro Locatelli. Muziekuitgeverijen floreerden, waarbij vooral de uitgever Estienne Roger genoemd moet worden. Hij gaf onder meer muziek uit van Albicastro, Albinoni, Bonporti, Bustijn, Caldara, Corelli, Lully, Marais, Pepusch, Torelli, Valentini, Veracini, Vivaldi en Zani.
Geleidelijk aan kwamn er ook meer publieke concerten en zelfs opera's. In zowel adellijke als niet-adellijke maar altijd wel beter gefortuneerde kringen was het een gewoonte om een instrument te leren bespelen, wat overigens meestal wel tot de eigen huiselijke kring beperkt bleef.

Er is een enorme schat aan informatie te vinden in dit overzichtswerk. Ik noem er nog slechts enkele om enigszins daarvan een indruk te geven. Rasch schrijft over de bezoeken van onder meer Händel, Mozart, Beethoven, Hummel, Carl Stamitz en Vogler aan Nederland. Maar ook over de afgrijselijke brand in de Amsterdamse schouwburg in 1772, die aan achttien mensen het leven kostte. En over de muziekcolleges (over de grens meestal als musicum collegium aangeduid), waar goede amateurs uit bepaalde sociale klassen musiceerden, soms voor publiek en vaak zelf gehouden aan strenge disciplinaire regels, met name aan het verbod op drinken en roken. Als laatste noem ik de eerste concerten waarvoor betaald moest worden en waar losse kaartjes naar verhouding beduidend duurder waren dan de aankoop van een heel abonnement en waar voor evenementen met diva's en andere beroemdheden bovendien extra betaald moesten worden. Nog steeds heel herkenbaar! Wat wel afweek was dat in veel gevallen het tweede toegangskaartje (voor een heer met dame) aanzienlijk voordeliger was.
Het laatste hoofdstuk gaat over de liedcultuur: “Het lied was te vinden in alle sectoren van het Nederlands muziekleven: bij amateur en beroepsmusici (..).” En zingen kan in principe iedereen, zonder dat er enige scholing nodig is. Het lied in Nederland in de beschreven periode kon zich probleemloos meten met het niveau van de ons omringende landen, aldus Rudolf Rasch.

Gelukkig eindigt het boek met onder meer een goed register en een uitgebreide literatuuropgave. Het is alles bijeen genomen voor elke geïnteresseerde echt aan te raden om deze fraaie uitgave aan te schaffen.

Jammer alleen dat voor zover ik dit kan beoordelen er tot nu toe alleen in het Reformatorisch Dagblad serieus aandacht aan is geschonken. Ik mag toch hopen dat andere kranten nog zullen volgen?


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links