Boeken

 over muziek (algemeen)

 

© Maarten Brandt, april 2008

 

 

Dick Raaijmakers: Monografie

Gebonden, 528 blz., geïllustreerd (kleur en zw/w), formaat 22 x 27 cm

ISBN 978-90-5662-599-3.

Normale editie: € 59,90
Speciale editie: € 89,00
(incl. verzendkosten en btw).

 

De omslagfoto is afkomstig uit de NPS-documentaire 'Op zoek naar een vergeten toepassing' (2000) van Jacqueline Oskamp

 

 


Informatie van de uitgever:

Dick Raaijmakers: kunstenaar en pionier

"Door buiten de muzikale kaders te denken heeft Raaijmakers als geen ander muziek, tehater en beeldende kunst weten te verenigen." (Reinbert de Leeuw)

Dick Raaijmakers (1930) wordt alom erkend als één van de grondleggers van de Nederlandse elektronische muziek in de jaren vijftig en is als ‘multimediakunstenaar’ zijn tijd ver vooruit geweest. De werken en installaties, muziek- en theaterperformances van Dick Raaijmakers zijn van een dusdanige originaliteit dat ze wereldwijd hun gelijke niet kennen. Zijn invloed op collega’s uit zijn eigen generatie, maar vooral ook op jongere generaties kunstenaars is enorm te noemen.

In december 2007 verscheent een complete monografie over deze markante kunstenaar, die de breedte en diepte van zijn werk in beeld brengt. Dit boek geeft inzicht in de werkmethoden, denkwijze en motivatie van Raaijmakers en fungeert daarnaast als onmisbaar naslagwerk. Het overzicht wordt begeleid door een aantal essays van experts uit de muziek- en theaterwereld als Elmer Schönberger, Frans Evers, Kees Tazelaar, Michael van Hoogenhuyze en Paul Slangen.

Met V2_, Instituut  voor de instabiele media heeft Dick Raaijmakers twee jaar lang zijn persoonlijke archieven doorgespit en ondersteboven gekeerd om van alle werken de eerste schetsen, de correspondentie, de uitgewerkte concepten en de vaak intense samenwerkingen en uitvoeringen in kaart te brengen. Hiermee wordt niet alleen het werk van Dick Raaijmakers inzichtelijk maar ook een belangrijk deel van de Nederlandse naoorlogse kunst.

Speciale editie

In een beperkte oplage van 250 exemplaren brengt V2_Publishing ook een speciale editie van de monografie uit. Deze unieke uitgave is genummerd en voorzien van een speciaal voor de monografie geschoten portret door Vincent Mentzel, gesigneerd door Dick Raaijmakers. De speciale editie is uitsluitend te verkrijgen bij V2_ en via deze website en zal niet in de winkel verschijnen.
De speciale editie kunt u bestellen voor de prijs van € 89,- inclusief verzendkosten.

Hoe te bestellen?

U kunt online bestellen en betalen via iDEAL of PayPal. Bestellen is ook mogelijk door overmaking van € 59,90 voor de gewone uitgave of € 89,- voor de speciale editie op giro 2453896 t.n.v. V2_, Instituut voor de instabiele media te Rotterdam, onder vermelding van resp. ‘Dick Raaijmakers, Monografie’ of ‘Dick Raaijmakers, Monografie – Speciale editie’.

De indeling van het boek

Voorwoord
Inleiding

Dick Raaijmakers — Het grote vlak(1992)     

Werken
The art of opening (1966)
Radioproject (1966–1967)
Balade Erlkönig (1967)

Kwartet-cyclus (1968–2000)
Grafisch kwartet (1968)
Kwartet (1971)     
Kwartet heiliger Dankgesang (2000)     

Nachtmuziek (1969)
Schaakmuziek (1969)

Drie Ideofonen (1970–1973)
Ideofoon 1
Ideofoon 2
Ideofoon 3

Drie Mao-stukken (1970–1977)
Chairman Mao Is Our Guide (1970)
De lange mars (1971)
Mao leve! (1977)

Kwintet (1972–1976)

Actio in distans (1977)

De grafische methode-cyclus (1976–1979)
De grafische methode tractor (1976)
De grafische methode fiets (1979)

De kunst van het machinelezen (1978)

Soundman-cyclus (1981–1990)
Shhh! (1981)
The Microman (1982)
Ow! (1983–1984)
Soundmen (1984)
Come On! (1984)
The Soundwall (1982–1984)
Hey-hey! (1990)
Ping-pong (1983–1996)
Extase (1984)
Acht labielen (1984–1985)


Scheuer-cyclus (1985–1995)
Scheuermachine (1985)
Der Stein (1995)
Scheuer im Haag (1995)


Tombeau de Glenn Gould (1989)

Dépons-cyclus (1991–1993)
Der Fall Leiermann (1991)
Dépons der Fall (1992)
Der Fall Dépons (1993)


Intona (1991)
Fortklank (1993)
Probe (1993)
De val van Mussolini (1995)
Hermans hand (1995)
Volta (1995)
Konzert für...
(1997–2000)
Proefneming met een tabakspijp (1998–1999)
De weergave (2000)
Ritueel moment (2005)

Essays
Elmer Schönberger
Frans Evers
Kees Tazelaar
Paul Slangen
Michael van Hoogenhuyze

Chronologie
Bibliografie
Medewerkers 


Boekrecensie

© Maarten Brandt, april 2008

Nederland is beslist geen kampioen als het om boeken over klassieke muziek gaat. Meestal laat de kwaliteit daarvan veel te wensen over. Middelmaat is dikwijls troef, allerlei goede bedoelingen ten spijt. Als de inhoud niet al dikwijls aan de oppervlakkige kant blijft, schort het nogal eens aan de afwerking, waaraan in menig geval weinig aandacht wordt geschonken. Sommige boeken zijn voor een keer best lezenswaardig, maar verder zo eendimensionaal dat men ze naar eenmaal doorgewerkt te hebben voor eens en voor altijd uitheeft. Maar gelukkig zijn er ook uitzonderingen al zijn er dat bepaald niet veel.

Een zo’n uitzondering is de gigantische en 528 royaal bedrukte pagina’s omvattende Monografie van de twintigste eeuwse reïncarnatie van de renaissancistische homo universalis in de persoon van Dick Raaijmakers. Een monumentale uitgave van zowel letterlijk als spreekwoordelijk immens gewicht, die ook internationaal veel opzien zou baren. Het is dan ook goed nieuws dat momenteel intensief aan een Engelse vertaling van deze in alle opzichten grandioze publicatie wordt gewerkt. Het leeuwendeel van dit lijvige en hoogst imposant ogende geheel betreft de door Raaijmakers zelf vervaardigde werkbeschrijvingen, hoewel het woord werkbeschrijving geen recht doet aan de inhoud van deze prikkelende, niet zelden ronduit provocerende en erudiete verslagen, die kunstwerken op zich zijn. Het boek als zodanig is een perfect sluitende belichaming van het in ons land en ook daarbuiten volstrekt unieke Grand oeuvre van Raaijmakers, dat echter – gelukkig! – meer vragen oproept dan beantwoordt, zonder dat de lezer ook maar bij benadering met een kluitje het riet wordt ingestuurd, integendeel.

Monografie als compositie

Want zoveel is duidelijk: Raaijmakers (de meeste kennen hem als pionier op het gebied van de elektronische muziek, maar dit is slechts een, hoewel belangrijk, facet van zijn extreem veelzijdige oriëntatie) is iemand wiens werk met geen mogelijkheid onder een noemer valt te schuiven. Hij componeert, hij schrijft, maakt theater, doet onderzoekingen. Maar is hij daarom componist, literator, theatermaker of wetenschapper? Ja en nee. Ja, indien men slechts aan de buitenkant blijft van Raaijmakers’ scheppingen en verkenningen. Nee, wanneer duidelijk wordt dat het een voortdurend naar het andere verwijst, dit via allerhande boven- en vooral ondergrondse verbindingen. Raaijmakers’ Monografie is dus op zijn beurt ook weer een compositie, zij het er een van de gestolde soort, waarvan de diverse onderdelen – teksten, illustraties, foto’s en noem maar op – even zovele parameters vormen. Het is niet slechts een boek dat je leest, maar sterker nog: intens ondergaat. Dit in de vorm van een gebeuren waarbij alle zinnen zijn betrokken, en dus niet alleen het rationele begripsvermogen, hoe belangrijk dit onderdeel op zich beschouwd ook moge zijn.

Er zijn hier zeker parallellen te trekken met het Livre van de grote Franse taalvernieuwer Stéphane Mallarmé voor wie immers het ‘boek’ een ‘papier geworden kosmos’ was. Kenmerkend voor het Livre is de mogelijkheid dat je als lezer of beter wellicht: ‘reiziger’ verschillende trajecten kan bewandelen. Door die verschillende trajecten ontstaan dienovereenkomstig uiteenlopende associaties en intrigerende verbanden die niet zouden zijn opgetreden indien slechts één traject – van A naar B en zo vervolgens – wordt gevolgd. Een vergelijkbare ervaring is het ‘reizen’ door deze Monografie, waarbij het beslist valt aan te raden iedere keer een ander parcours af te leggen. Natuurlijk zijn er allerhande lagen en lijnen in het boek aanwezig, die deels wel en deels niet worden uitgesproken, maar die voor hen die Raaijmakers’ persoonlijk goed kennen een extra diepe betekenis hebben.

Spanningsveld tussen realiteit en utopie

Een van de meest fascinerende aspecten van Raaijmakers’ werk is het spanningsveld tussen realiteit en utopie. Of het nu om muziek, wetenschap, theater, woord of beeld gaat, telkens draait het in meerdere of mindere mate om een deconstructie van het kunstwerk, om een voelbaar maken van het onvolmaakte in het licht van het onbereikbare ideaal van het volmaakte. Alsof de maker ons wil voorhouden dat het voldongen volmaakte kunstwerk minder beroep doet op ons kritische vermogen dan het streven daarnaar, of anders geformuleerd: fenomenale mislukkingen in onverschillig welke discipline zijn beduidend interessanter dan geoliede en gelikte kunstwerken. Het is op dit punt waarop er bijvoorbeeld duidelijk raakvlakken zijn te signaleren tussen Raaijmakers’ kritische bewondering voor Pierre Boulez – tot uiting komend in zijn magistrale Dépons-drieluik (1991-1993) – , het muziektheaterproject Intona (1994/2007), waarin een microfoon wordt gedemonteerd en in feite het vernietigen van dit apparaat als proces tot een esthetische ervaring wordt getransformeerd alsmede bijvoorbeeld zijn – in de Monografie uiterst verborgen aanwezig zijnde - geboeidheid door het oeuvre van Anton Bruckner. Bruckner bij wie Raaijmakers inderdaad het utopische streven naar volmaaktheid bewondert en die speciaal in de finale’s van zijn symfonieën de eenmaal geponeerde thematische statements volkomen deconstrueert, met als gevolg vaak een ‘retrograde’ en ontledende muziek.

Val

Kun je in muziek de noten die van A naar B lopen ook van B naar A laten bewegen, met de val van een fiets is dit laatste onmogelijk. Het resultaat is onherroepelijk, maar daarom juist een uitdaging bij uitnemendheid voor Raaijmakers die onherroepelijkheid ter discussie te stellen. Het is dan ook allerminst toevallig dat juist deze gebeurtenis in de het oeuvre van Raaijmakers een belangrijk ‘Leitmotiv’ is. Het verschijnsel val fungeert in vele werken van Raaijmakers als vertrekpunt. Zo onder meer in Extase (1984), dat is geïnspireerd op het dodelijke fietsongeluk van de Franse componist Ernest Chausson en het avondvullende immense spektakel De val van Mussoloni (1995). In eerstgenoemde productie is de tot het extreme aangescherpte vertraging ‘des Pudels Kern’. Dezelfde vertraging die tevens in de op de bewegingsonder-zoekingen van mens en dier door de fysioloog en fotograaf van het eerste uur, Etienne-Jules Marey (1830-1903) gebaseerde De grafische methode fiets (1979) manifest is en die maakt dat men de veranderingen – in dit geval die van het tot een half uur vertraagde afstappen van een fiets – pas enige tijd nadat ze zich hebben voorgedaan, opmerkt. Laatstgenoemde productie werd dan ook tijdens de presentatie van de Monografie op 27 januari jongstleden in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ‘t IJ van opnieuw opgevoerd door Bart Visser (performer), Edwin van der Heide (geluid) en Paul Beuk (fiets). Een presentatie van onmiskenbaar grootse allure die op website www.dickraaijmakers.nl integraal kan worden gadegeslagen, dezelfde site via welke de Monografie kan worden besteld.

Met De grafische methode fiets raken we overigens een van de kernen waarvan Raaijmakers’ bijkans volledige oeuvre is doordesemd: de totale reductie als instrument om gecompliceerde zaken aanschouwelijk te maken. Een uitgangspunt dat in muzikaal opzicht met een optimum aan indringendheid naar voren komt in de Vijf canons (1964-1967) waarover het nodige valt te lezen in de bijdrage van Elmer Schönberger in de Monografie, getiteld Dick Raaijmakers, componist van lichaamloze klanken

Ritueel

In overdrachtelijk-muzikale zin – men zou, Raaijmakeriaans geredeneerd, De grafische methode fiets als een verbeelding kunnen zien van een muzikaal proces zonder dat dit expliciet is vermeld – zijn hier tevens raakvlakken aanwijsbaar met de vertraging zoals deze is opgevoerd in Heiliger Dankgesang (2000) voor strijkkwartet. Het notenmateriaal daarvan is afkomstig uit het derde en langzame deel uit Beethovens Kwartet, opus 132 en is door Raaijmakers gegoten in de gedaante van een acht uur durend klinkend ritueel (op 24 juni 2000 in de Vondelkerk te Amsterdam uitgevoerd in het kader van het Holland Festival) voor vier strijkers. Deze worden, gezien de enorme lengte, op gezette tijden door andere strijkers afgewisseld. Achter hen staan luidsprekers. Door de draden waarmee snaren en strijkstokken met elkaar zijn verbonden geven de musici op uiterst subtiele en geraffineerde wijze de noten aan elkaar door. Het gevolg is dat men de samenhang van Beethovens noten net zo min waarneemt als de tot de extreemst denkbare vertraagde beweging van de val van de fiets, maar dat de tijdloosheid van – in dit geval Beethovens – noten tot realiteit wordt. En toeval of niet, net als Bruckner is ook Beethoven een componist in wiens werk in het algemeen en de strijkkwartetten in het bijzonder het procesmatige belangrijker is dan een afgerond resultaat. Het is een muziek die een voortdurend onderweg zijn articuleert, net zoals Raaijmakers in al zijn projecten in feite het proces van ontwikkeling ‘an sich’ tot kunstwerk verheft, waarvan het eindresultaat in diepste wezen slechts zeer voorlopig wordt bereikt. dit indachtig het credo dat de reis de bestemming is en de bestemming de reis.  

Visioen

Boekdelen zouden er kunnen worden volgeschreven over Raaijmakers Monografie. Zoals bijvoorbeeld over het boek in het boek. Dat is het uitgebreide poëtische, lexigrafische en rijkelijk geïllustreerde essay De kunst van het machinelezen uit 1978, dat compleet met handgeschreven doorhalingen, verbeteringen en aanvullingen van de auteur is gepubliceerd en dus in beeld en woord een perfecte reflectie biedt van het ‘work in progress’ waar het in Raaijmakers' schrift geworden kosmogonie steeds om draait: de suggestie van het volmaakte dat in het ongerepte en onvolmaakte besloten ligt. Kenmerkend in dit essay, maar ook elders in de Monografie, is de ernst waarmee de humor wordt bedreven en tegelijkertijd het feit dat die humor nooit vrijblijvend is maar altijd zinspeelt op een diepere betekenislaag.

Een verhaal apart is Het grote vlak dat haast kan doorgaan voor een volledig geslaagde abstractie van alle scheppingsverhalen, zonder dat er ook maar een seconde letterlijk aan onverschillig welk heilig boek wordt gerefereerd. Als ergens het visioen van het volmaakte wordt benaderd dan hier in dit meeslepende en in 1992 geschreven brok proza, dat zich bijna laat ondergaan als taal geworden muziek. Op een eigen onvervreemdbare wijze smeedt Raaijmakers in deze sublieme evocatie het aloude alchemistische adagium “Igne Natura Renovator Integra” in klinkende munt om: “Door het vuur wordt de gansche schepping in haar oorspronkelijke staat hersteld” en die oorspronkelijke staat, staande voor de ultieme reductie, is in de eerste zin van Raaijmakers geabstraheerde versie van Genesis dat enkele vlak waartoe de gecompliceerde wereld is teruggebracht. Het is een geloofsbelijdenis die in al het werk van deze kunstenaar de basis vormt, niet in de laatste plaats ook in zijn onder meer in het Koninklijk Conservatorium te Den Haag ten toon gespreide pedagogische activiteiten, tot voordeel van onnoemlijk veel compositiestudenten.

Monument zonder weerga

Niet alleen Dick Raaijmakers, maar ook de beide redacteuren hebben een waar monnikenwerk verricht en een vormgeving tot stand gebracht die zonder precedent is in de interdisciplinaire literatuur over muziek, theater en (kunst)-wetenschap. Hoe verleidelijk het ook is op een willekeurige plaats in het boek te beginnen – wat, zoals reeds gememoreerd, zeker aanbeveling verdient – wie in vogelvlucht wil weten hoe de ‘Werdegang’ van Dick Raaijmakers is verlopen kan zich wenden tot de bondige en toch uiterst volledige Chronologie achter in de Monografie, waarin bovendien tal van al dan niet uitvoerige citaten uit interviews met Raaijmakers zijn opgenomen. Daarnaast bevat het geheel een aantal hoogst intrigerende essayistische artikelen van Kees Tazelaar (met wie Dick Raaijmakers veel samenwerkt en heeft gewerkt), Michael van Hoogenhuyze, Frans Evers, Paul Slangen en de al genoemde Elmer Schönberger. In de bijdrage van Tazelaar Het stuk is grijs staat onder meer de tussen juni 1960 en oktober 1978 met het kunstenaarsechtpaar Miep en Henk Oddens gevoerde briefwisseling centraal en komt men zeer veel aan de weet over de essentie van Raaijmakers’ ontwikkeling als componist van elektronische muziek, maar ook over aspecten die in menig project daarna, al dan niet expliciet, een rol spelen.

Hoe men het ook wendt of keert, deze Monografie is een ‘Fundgrube’ voor iedereen die in de bijzondere persoonlijkheid van Raaijmakers is geïnteresseerd, en tegelijkertijd ook een honderd procent origineel kunstwerk op zich, een boek dat men nooit uitheeft en altijd nieuw blijft. Dit laatste is de intrinsieke eigenschap van alle kunst geschreven met een kapitale letter. Conclusie: V2 heeft een monument zonder weerga opgericht, dat hoog boven het polderland in zowel binnen- als buitenland uittorent.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links