Boeken

 over componisten

 

© Kees Weggelaar, april 2019

 

Bas van Putten: Hoog spel - Het levensverhaal van componist Hans Kox

Uitgeverij Contact (2005)
ISBN 978-9-0254-2702-3, 207 blz.

 


In juni gaan het Groot Omroepkoor en het Radio Filharmonisch Orkest Kox’ zesde symfonie op de cd zetten. Kox wordt immers tegenwoordig weer gezien als een grootmeester. Maar hij heeft zowel in zijn persoonlijk leven als in de muziekmaatschappij barre tijden moeten doormaken.

Kox werd in 1930 geboren als de oudste zoon uit een gezin van zes kinderen. Vader Frits sr. was afkomstig uit het horecamilieu, maar gaf daar de brui aan omwille van de muziek. Hij was weliswaar autodidact, maar verwierf een goede reputatie als musicus en hield de ontwikkeling van Hans nauwlettend in de gaten, zonder hem tyranniek te pushen. Ooit hoorde zoon Kox Beethovens 15de sonate, de ‘Pastorale’, maar Vader Frits verbood hem eenvoudig dit werk in te studeren; hij was daar naar zijn mening nog niet aan toe. Wel ontwaakte Hans’ muzikaliteit bij het horen van dit werk. Evenzo bleek hij verder een ongewoon begaafde jongen te zijn, die fantastisch als kerkorganist kon improviseren. Voorts was hij ‘te handig’ (Hans Kox tegen Bas van Putten) in het pianospelen. Zijn à vue spel moet fabelachtig zijn geweest. Ook componeerde hij al.
Vader Kox werkte keihard, maar was ook weinig thuis. Ruzies waren niet aan de orde, mits er maar niet aan de muziek werd getornd. Vader leidde zijn zoon vlijtig en gedisciplineerd op in stukken met een Duits karakter. Een nieuwe pianoleraar opende de oren van zijn pupil voor Debussy. Vroeg verstaat Kox om verschillende muzikale idiomen spelend te beheersen.

De slag om Arnhem in 1944 laat diepe sporen in hem na. De Arnhemse burgers, ook de Kox-familie, moesten vluchten. In 1947 werd de jonge muzikant voor piano toegelaten op het Utrechts Conservatorium. Hij bleef componeren, en liet zijn stukken aan Hendrik Andriessen zien. Deze ontmoeting bevredigde de jonge Kox helaas niet. Na twee jaar verliet hij het conservatorium. Kox werd privé-leerling van Henk Badings, die hem graag aannam. Veel later in zijn leven kreeg hij van zijn oud-leermeester te horen, dat hij diens beste leerling was geweest. En inderdaad: Badings heeft Kox grondig het métier bijgebracht. Op die verworven ambachtelijkheid was Kox zijn hele leven zeer trots. Pianolessen kreeg hij van Jaap Spaanderman, bij wie hij in 1951 met hoge cijfers slaagde voor een MO-piano-examen.

Hans Kox (Arnhem, 1930 - Haarlem, 2019)

En zo stapte de jonge pianist-componist het muziekleven in. De relatie tussen Badings en Kox was nogal onpersoonlijk. Laconiek reageerde Kox, dat Badings hem heeft opgeleid en dat was de hoofdzaak. Daar kwam nog een gevoelig punt bij: zowel Badings als Spaanderman waren ‘fout’ in de oorlog. Vooral het leermeesterschap van Badings werkte vanuit de moraalridders in de samenleving stigmatiserend op Kox. Niettemin begon hij een voorspoedige en vooral flitsende carrière, vooral bij het establishment: Het Concertgebouworkest met daarbij de oudere componisten van die generatie, die over de jonge Kox sprak als ‘na ons de beste’. Als 26 jarige jongeman kreeg hij al een opdracht van het Concertgebouworkest ter gelegenheid van het 25 jarig jubileum van Eduard van Beinum: de Concertante muziek voor hoorn, trombone. trompet en orkest. Première 6 oktober 1956. Het kon voor de jonge Kox in zijn flitsende carrièretijd niet op, maar er ontbrak kennelijk iets belangrijks in zijn componeren, namelijk zijn onbekendheid met de 12 toonscomponisten en later de serialisten: op advies van Badings bezocht Kox soms Huize Gaudeamus te Bilthoven, centrum voor moderne muziek, geleid door de excentrieke Walter Maas. Kox maakte daar o.a. kennis met Karlheinz Stockhausen. Het bleef bij een formele handdruk. Kox had geen affiniteit met de radicale muziekstromingen uit Duitsland en Frankrijk. Toch bestudeerde hij wel degelijk de technische middelen, die hij vond bij Ligeti en Penderecki. Ook was hij in elektronische muziek geïnteresseerd, evenals in het 31-toonsysteem, gepraktiseerd op het Pels-orgel, toen nog in het Teylersmuseum te Haarlem. Kox was een omnivoor in het adopteren van technieken in zijn oeuvre, maar in de steeds radicaler wordende stromingen, ook in Nederland, voelde hij zich niet thuis. Zijn eenlingschap was, naar het toen leek, definitief geboren. Wat in die dagen Kox staande houdt? Bruckner’s muziek, en zijn eigen vakmanschap. Jaren ging die droomloopbaan op die gronden goed. Hij kreeg een directeursbaan van de muziekschool in Doetinchem. Na een poos kreeg hij, na artistiek adviseur bij het Noordhollands Philharmonisch orkest te Haarlem te zijn geweest, diezelfde baan bij het Concertgebouworkest in Amsterdam. Bovendien ging spoedig, na 15 jaar noeste arbeid, zijn eerste opera, Dorian Gray, in première. Voor Kox was deze opera als het verdedigen van zijn dissertatie, het opnieuw doen van een examen.

Helaas! Ondanks waardering van zowel collega’s als het publiek werd in 1974 Kox’s eerste uitvoering daarvan door de recensenten van de Volkskrant en NRC Handelsblad finaal de grond ingestampt. Dit trof de componist zo verschrikkelijk, dat hij zijn pas begonnen adviseurschap in Amsterdam opzegde.
De verbanning naar de marge is helaas begonnen, en zou tot de negentiger jaren duren. Ook een herziening en heruitvoering van dit werk kon de critici niet bekoren. Kox werd uitgemaakt voor een handige plunderaar van stijlen en technieken. Hij trok zich geleidelijk aan steeds meer terug uit de maatschappij. Gelukkig kreeg hij een goede baan aan het Utrechts Conservatorium. Zijn naam als directeur begon al rond te zingen na het pensioen van Johan van der Boogert. Maar Ton Hartsuiker volgde Johan als directeur op, en dit gaf weer moeilijkheden met Hans, die na een aantal intriges overspannen opstapte.

In 1980 lag Kox’s pen geheel stil. Daarna keerde bij stukjes en beetje het tij en zien we Hans Kox opkrabbelen en geleidelijk aan terugkeren op het succesvolle pad van weleer.
Het is lastig om in kort bestek uitvoerig in te gaan op al de feiten uit die tijd, laat staan op alle beschreven achtergronden, drijfveren en verdere verbanden. Bas van Putten behandelt die zaken op een indrukwekkende en zeer leesbare wijze. Niet minder belangrijk is zijn heldere uiteenzetting over een stuk Nederlandse muziekgeschiedenis. Lees wat hij schrijft over de ‘Notenkrakers’ Peter Schat, Jan van Vlijmen, Reinbert de Leeuw en hun leraar Kees van Baaren.
Het beeld van de ideale, componerende schoonzoon en de lieveling van het toenmalige establishment is indertijd beschadigd geraakt. Maar hij wordt nu in binnen- en buitenland serieus genomen als componist. De prachtige, intelligente manier waarover Van Putten hierover heeft geschreven verdient alle aandacht en respect.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links