Boeken

 over muziek

 

© Maarten Brandt, juli 2017

 

 

Etty Mulder: De diepte van kunst - Een beschouwing over de hermeneutiek van Anton Ehrenzweig

Paperback, 67 blz. - Verkoopprijs € 11,50

2017, Sjibbolet, Amsterdam

ISBN 978 94 9111 034 4

 www.uitgeverijsjibbolet.nl

 

 

 

 


 De omvang van dit essay is omgekeerd evenredig aan de rijkdom en diepgang ervan. Overdrachtelijk gesproken zou men deze verhandeling dan ook kunnen vergelijken met de muziek van Anton Webern, wiens composities bij oppervlakkige beschouwing voor aforistisch doorgaan, maar die in wezen hypergelaagd zijn en waarop men om het even hoe men het ook wendt of keert, nooit raakt uitgeluisterd en waarin men onvermoede details blijft ontdekken. Een muziek ook die van de toehoorder een op en top actieve luisterhouding vereist en wat méér is: ook de bereidheid de confrontatie met het gebodene telkens opnieuw aan te gaan. Zo en niet anders is het ook gesteld met dit - zeer passend bij het onderwerp! - ultiem gelaagde essay waarvan menige zin het verdient dikwijls te worden gelezen en vooral: te worden overdacht. Als er een boekwerk is - een soort in taal belichaamd miniuniversum - dat zich haaks verhoudt tot onze tijdgeest waarin alles aan de man wordt gebracht via sterke en vooral visuele prikkels die op hun beurt zij die deze ondergaan op een wijze conditioneren die louter afstompend werkt, dan is het De diepte van kunst wel. Staat kunst in ons land, dankzij de firma Zijlstra & Co, al geruime tijd in een hoge staat van verdenking en wordt zij op haar best gedoogd in termen van slagroom op de taart, met de diepte is het nog aanzienlijk beroerder gesteld om niet te zeggen dat er alles aan wordt gedaan bij het aan de man brengen van kunst om vooral te suggereren dat die diepte er niet toe doet of zelfs niet bestaat. Althans als het aan de nieuwe kunstmanagers ligt die tegenwoordig het hoogste woord hebben en in wier beleving geen noemenswaardig onderscheid bestaat tussen kunst en kunstjes.

Raakvlakken
Het uitgangspunt in Mulders filosofische overpeinzingen wordt gevormd door het boek van de psychoanalyticus en kunsthistoricus Anton Ehrenzweig (1908-1966), getiteld The Hidden Order of Art. In deze een jaar na de dood van laatstgenoemde verschenen en belangwekkende publicatie worden de raakvlakken onderzocht tussen de freudiaanse psychoanalyse, het ontstaansproces van kunstwerken en bepaalde mythologische thema's. Daarbij is de auteur onder meer te rade gegaan bij een van de grootste autoriteiten op dit gebied, te weten James George Frazer (1854-1941) wiens The Golden Bough ('De Gouden Tak', ontstaan tussen 1890 en 1922; de oorspronkelijke versie telde maar liefst 12.000 pagina's!) nog steeds geldt als een van de meest belangrijke standaardwerken op het gebied van een wereldwijd vergelijkend onderzoek naar magie en religie.

Een van de belangrijkste thema's waardoor Ehrenzweig was gefascineerd en dat dan ook in hoge mate centraal staat in Mulders verhandeling is dat van wat de psychoanalyticus Sigmund Freud 'Primär' en 'Sekundär Vorgang' heeft genoemd, dus het primaire en secundaire proces. Zo eenvoudig mogelijk geformuleerd komt dit op het volgende neer: tijdens het primaire proces staat het chaotische centraal, is sprake van een volstrekt open situatie waarin alles mogelijk is. Het is de ervaring van het vluchtige en fragmentarische, van de gelijktijdigheid van veelal strikt heterogene elementen, een staat kortom waarin een duidelijke analogie bestaat met het domein van de droom. In alchemistische termen geredeneerd - hoewel Mulder dit niet expliciteert, sluit ik bepaald niet uit dat zij hieraan heeft gedacht - zou men hier aan de zwarte fase kunnen denken, die van de fragmentatie, 'putrefactio' of verrotting. Het secundaire proces is dat van de reflectie, reiniging of catarsis (vergelijkbaar met wat de alchemisten de 'sublimatio' noemen), zijnde de fase die tot nieuwe inzichten kan leiden en daarmee ook tot helder uitzicht (alchemistisch: de 'illuminatio' of verlichting).

Traject
Mulder legt wat beide processen betreft ook een verband met Nietzsche en de door hem geintroduceerde relatie tussen het dionysische en het apollinische. Ehrenzweig - en in het verlengde daarvan Mulder - meent dat deze wetenschap van intrinsiek belang is voor een nader begrijpen van de essentie van de kunst en merkt terecht op dat de "psychoanalyse meer onthult over het wezen van de mens wanneer men zich richt op diens kunstuitingen dan door toepassing in de klinische praktijk." Het traject dat tussen het primaire en secundaire proces gaapt loopt van wat Mulder noemt de "ongearticuleerde structuren van het creatieve onbewuste" (die als het ware op een op een intuïtieve manier in kaart moeten worden gebracht door het geheel louter gevoelsmatig 'af te tasten) naar een bewuste conceptie van het geheel in de vorm van een heldere 'Gestalt'. Is dat laatste eenmaal een feit, dan is dat onbewuste aftasten niet meer mogelijk.

Hoe dan ook, ieder kunstwerk, of dit nu de creatieve scheppingsdaad van een componist, schrijver of beeldend kunstenaar is dan wel van het leven zelf door een gewoon mens, is een ongekende sprong in het diepe met een onzekere afloop, een in beginsel volledig openliggend parcours. Met als risico eventueel ook een catastrofale afloop en de kans om geheel verzwolgen te worden, te fragmenteren en in het niets op te gaan. Of om zich, integendeel, uiteindelijk te herpakken, met als gevolg: nieuwe kansen en het ontsluiten van een weidser verschiet.

Stervende godheid
Het zijn niet ontoevallig - en ook dit is een belangrijk onderwerp in Ehrenzweigs boek - de fundamentele leidmotieven in de mythen van alle volkeren om het even waar ook ter wereld. Iedere held - hier dus ook een symbool van de kunstenaar - zet zijn leven op het spel, want, aldus Mulder, "het kunstwerk wordt moeizaam bevochten op dreigende destructie", waarbij zij - mede refererende aan Ehrenzweig - verwijst naar de telkens opnieuw in tal van mythen terugkerende thema's als die van vernietiging en van de stervende godheid: "het is een vast wederkerende bestaansnoodzaak dat de verafgode persoon, godheid of koning gedood zal worden om plaats te maken voor een jonger en krachtiger personage. Een nieuweling die de vruchtbaarheid in de meest algemene zin des woords voor de komende tijden veilig zal stellen (.) Het gaat volgens Ehrenzweig in deze mythische typologie om een weergave van het creatieve proces zelf dat zich als het ware 'naar buiten keert'. Het beeld van de stervende god die te gronde gaat is de topos van de creatieve geest die in deze metafoor (opnieuw) controle verwerft over voortgang en scheppingskracht."

Ik wil in dit verband een uitspraak van Boulez aanhalen gedaan in zijn prikkelende en uit 1968 daterende essay Ou-en est-on? ('Waar staan wij?'): "In een ieder van ons schuilt in wezen de componist. Want in elke luisteraar is ook de scheppend kunstenaar in principe aanwezig, die zichzelf tot uitdrukking wil brengen, maar die, omdat hem daartoe de creatieve vaardigheden ontbreken, het niet kan stellen zonder een andere persoonlijkheid, die daartoe wel in staat is."

Hieruit volgt, wanneer we dit verbinden met de materie die Mulder in De diepte van de kunst aan de orde stelt , dat op een zeker niveau van een identificatie tussen de kunstenaar en de beschouwer van zijn kunst kan worden gesproken en dat dus elementen uit het primaire en secundaire proces evengoed bij laatstgenoemde als de kunstenaar een rol kunnen spelen. Zeker indien van de kant van de beschouwer sprake is van een open en actieve houding ten opzichte van het kunstwerk dat hij ondergaat, het kunstwerk dat hem in feite een spiegel voorhoudt en bij machte waarvan hij - om de Franse schrijver Marcel Proust te parafraseren - zichzelf in de singuliere zin van het woord kan leren kennen.

Ideaal
Kunst, en uiteraard gaat het hier om kunst met een kapitale letter, nadrukkelijk op te vatten als de meest existentiële uiting van de menselijke persoonlijkheid. Ook dit zien we terug in mythe en religie. Juist in onze tijd, waarin alles zich naar de waan van de dag dreigt te voegen, is het wellicht zinvol om , mede in de geest van Ehrenzweig, te verwijzen, zij het in strikt metaforieke termen, naar de Rooms katholieke liturgie. Deze belichaamt - wel te verstaan: vanuit een universeel en non-dogmatisch standpunt bezien - het ideaal waar het in de kunst en dus ook in de muziek om gaat, althans om zou moeten gaan. Namelijk het bewerkstelligen van een articulatie en begeleiding van de belangrijkste stadia des levens: geboorte en dood, vreugde en verdriet, melancholie en extase, eenzaamheid en niet in de laatste plaats: verbondenheid met de essentie van al het bestaande. En daar komt nog een aspect bij dat ook in Mulders bespiegelingen expliciet naar voren komt. Aan het eind van het essay schrijft zij namelijk: "Als de maker het werk eenmaal loslaat geeft hij het vrij aan interpretaties. Deze kunnen een integrale visie van het werk betreffen, maar ook afzonderlijke details. Een deelaspect kan in de gewaarwording dominant worden en een overheersende rol vervullen, zelfs zover dat het werk zich alsnog 'manifesteert' in een andere versie. Volgens deze dynamische opvatting (.) verschuift de nadruk in de benadering van kunst op het integrale, voltooide werk, naar het ontstaan van het werk en wel over de volle lengte van dat procedé: het is nooit af. Dusdanig dat deze totstandkoming waarin ook (de receptie van) de toeschouwer dynamisch opgenomen kan zijn, de ruimte van het kunstwerk gaat betekenen . (.) Het gaat erom bewust deel uit te maken van het werk, betekenissen te ondergaan, en te reageren, van moment tot moment."

Als samensteller van concertprogramma's zou men daar nog het volgende aan toe kunnen voegen: juist door een bepaalde compositie op een telkens andere wijze te ijken met ander en bij voorkeur nieuw repertoire, wordt het ook steeds opnieuw betekend en in die zin is het nooit af. Ook omdat de actieve luisteraar dankzij die ijking op zijn beurt aan het stuk een nieuwe zin en betekenis verleent. En sterker nog: daardoor au fond tot co-creator wordt gepromoveerd.

Delirium
Veel zou er nog zijn te zeggen over dit doorwrochte essay. Zoals bijvoorbeeld over de omstandigheid dat het ontstaansproces van het kunstwerk met terugwerkende kracht zijn beslag kan vinden in de uiteindelijke 'Gestalt' ervan. Mulder schrijft in dit verband over de fascinatie van Boulez voor de onvoltooid gebleven fuga uit Die Kunst der Fuge van Bach (C.Ph.E.Bach: "Ueber diese Fuge, wo der Name Bach in Contrasubjekt angebracht worden, ist der Verfasser gestorben"). Mulder: "Geheel in de lijn van Ehrenzweigs kwalificaties van de enorme dynamiek waarvan in het creatieve proces sprake is, beschrijft Boulez de buitensporige intensiteit van de muziek van Bach. Hij beschrijft de opbouw van de structuur van Die Kunst der Fuge als inwendige opeenhoping van energie, van gevoelskracht, tot een punt waar de componist en de luisteraar een verzadiging lijken te bereiken die veel weg heeft van een delirium. Boulez beschrijft zijn persoonlijke beleving van de fuga's van Die Kunst der Fuge als een roes-achtige ervaring." Toeval of niet, los van stijl en vocabulaire gaat deze karakteristiek onverkort op voor het sluitstuk van Boulez' Pli selon pli, het kolkende en obsederende Tombeau , maar ook het afsluitende deel, de Marsch van Bergs (en door Boulez intens gekoesterde) Drei Orchesterstücke. Hoewel Mulder deze werken niet noemt durf ik er bijna vergif op in te nemen dat zij er tijdens het schrijven van deze passage over Boulez' bewondering voor Bachs zwanenzang wel degelijk aan heeft gedacht.

Mozart
Last but not least is het in hoge mate interessant te kunnen vernemen wat Ehrenzweig over Mozart opmerkt. "Oog in oog met dit allergrootste genie", aldus Mulder, "stelt hij terloops dat deze muziek in excessieve mate door het 'fragmentarische' wordt gekenmerkt. Hij bedoelt daarmee de manisch-depressieve strekking van de veelgeroemde 'lichtvoetigheid' van de componist (.) Hij lijkt te willen zeggen: juist het fragmentarische, hoezeer ook verhuld, herbergt de meest omwoelende en verscheurende ervaringen (.) Zijn enorme ondergrondse onrust en razernij worden gewoonlijk terzijde gelaten." En vervolgens citeert zij Ehrenzweig: "Als de onverbiddelijke afwisseling van manische en depressieve episoden in [de uitvoering van] zijn werken meer geaccentueerd zou worden, in plaats van altijd maar weer geëgaliseerd, dan zou een diepere continuïteit zich aftekenen." Ehrenzweig zou waarschijnlijk hebben genoten van Mozarts Praagse en Jupiter symfonie in de superieure uitvoeringen door het Freiburger Barockorchester onder leiding van René Jacobs (Harmonia Mundi), waarover ik destijds in mijn voor deze site geschreven recensie onder meer het volgende opmerkte: "En dat brengt ons op het bijzondere van Jacobs Mozart-visie, die kan worden omschreven als zijnde gericht op het doorhoorbaar maken van de structuur in al haar gelaagdheid. Met andere woorden, dit zijn bij uitstek 'verticale' verklankingen, die duidelijk maken dat onder de - althans cosmetisch geredeneerd - liefelijke kant van de aardkorst van Mozarts landschap een ongelooflijke tektonische activiteit heerst. Zozeer zelfs dat het geheel zich laat beluisteren als een dikwijls genadeloze confrontatie tussen vlakken, blokken en lijnen. Door Jacobs bespeurt men opeens verbanden tussen enerzijds de finales van de Jupiter en Bruckners Vijfde symfonie en anderzijds de Orchestervariationen van Schönberg." Dat is de diepte van kunst in optima forma, dezelfde diepte waar Mulder in haar gelijknamige filosofische exposé op een niet mis te verstane en grandioze wijze een lans voor breekt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links