Boeken

 over musici

 

© Aart van der Wal, oktober 2021

 

Michel Krielaars: De klank van de heilstaat - Musici in de tijd van Stalin

Uitgeverij Pluim, Amsterdam/Antwerpen 2021
ISBN 978-90-831-1228-2
368 blz., paperback, geïllustreerd
Verkoopprijs € 25,--

 


Menigeen zal Michel Krielaars kennen van zijn bijdragen in het literatuurkatern van NRC Handelsblad of anders wel als oud-Ruslandcorrespondent van diezelfde krant. Hij is tevens de auteur van o.a. Het brilletje van Tsjechov, Alles voor het moederland, En het dansen gaat door en Het kleine koude front.

Tien fascinerende portretten
Nu dan zijn laatste boek, De klank van de heilstaat, een kloek exposé over componisten en musici in de tijd van Stalin. Tien fascinerende portretten, zij het nogal willekeurig gekozen al naar gelang de belangstelling of kennis van de schrijver (met de aantekening datniet alles en iedereen ‘behandeld' kan worden). Zo krijgen we in volgorde van opkomst de levensloop aangereikt van Svjatoslav Richter (‘Het geheim van Richter'), Sergej Prokofjev (‘Gele schoenen, dure Engelse kleding en snelle auto's), Visevolod Zaderatski (‘De verloren noten'), Klavdia Sjoelzjenko (‘De ‘Russische Vera Lynn'), Moisej Vajnberg (‘Gestraft om zijn Joodse afkomst'), Vadim Kozin (‘De verdwenen zanger'), Maria Joedina (‘Een dichterlijke non aan het klavier'), Alexander (Aleksandr) Mosolov (‘De zoekgeraakte erfenis'), Tichon Chrennikov (‘Muziekmeester in oorlogstijd') en Mstislav Rostropovitsj (‘Solidair met de dissidenten').

De klank van de heilstaat is een boek dat ertoe doet om het niet zomaar wat sluiers oplicht omtrent die door Stalin en zijn net zo misdadige trawanten als ‘vijanden van het volk' gedoodverfde toondichters en musici, een overigens lot dat zoveel andere kunstenaars en niet alleen zij moesten ondergaan. Er was immers maar weinig voor nodig om door wat je artistiek had voortgebracht, door je geaardheid (de homoseksuele Kozin werd er het slachtoffer van), je afkomst of om geen enkele naspeurbare reden jarenlang te worden opgesloten in gevangenissen of te worden uitgeput in de werkkampen van de Goelag (waar sommigen ondanks alle ontberingen toch nog in staat bleken om te musiceren of te componeren). Of zelfs nog erger: de kogel.

Voor de muziek gold dat zij die erin actief waren, als componist of als uitvoerend musicus, extra pech hadden omdat de grote dictator Iosif Stalin uitgerekend grote belangstelling had voor deze kunstuiting, hij als muziekliefhebber bekend stond. Hij was niet alleen gek op muziek, maar bemoeide zich ook actief met het muziekleven. Zo liet hij geen enkele nieuwe opname aan zich voorbijgaan en placht dan na beluistering op de plaathoezen woorden te krabbelen als ‘goed', ‘matig', ‘rommel'. O wee wie het lot trof in de laatste categorie te belanden! Het lijkt wat overdreven wat Krielaars daarover opmerkt: in het slechtste geval de kogel, maar geduchte strafmaatregelen waren dan zeker niet denkbeeldig. Men was vogelvrij en kon dat letterlijk aan den lijve ondervinden.

Wat wilde Stalin eigenlijk met de kunstsector? In de meest eenvoudige termen het dienen van het socialisme, de verheffing van en hernieuwde energie voor het volk. Schoonheid deed er niet toe, artistieke betekenis evenmin, als de boodschap maar luid en duidelijk overkwam. De kunsten werden zo mede belangrijke wegbereiders voor de verdere ontwikkeling van de betere Sovjetmens, zo luidde de gedachte in het Kremlin en binnen de verschillende staatsorganen, waaronder de door Tichon Chrennikov geleide, roemruchte Compoinistenbond. Dat betekende uiteraard ook dat de muziek, onverschillig het genre, in dat systeem moest passen. Alle muziek die er niet in paste? Er was een term voor bedacht: formalisme. Kortom, wie niet aan dit profiel voldeed werd op zijn minst geëxcommuniceerd of in het slechtste geval voor lange tijd opgesloten in een werkkamp of zelfs geëxecuteerd. Wie in het openbaar spijt betuigde kon wellicht nog op een tweede kans rekenen. En dan waren er natuurlijk degenen die handig tussen de regels door probeerden te laveren, zij het met wisselend of geen succes.

Ik schreef al dat de door Krielaars gekozen personages gestoeld zijn op zijn eigen voorkeuren. Het is gemakkelijk om een lijstje met namen op te dreunen die node worden gemist: Alfred Schnittke, David Oistrach, Dmitri Sjostakovitsj (terwijl van hem voorin het boek wel een citaat wordt aangehaald uit een brief aan de echtgenote van Rostropovitsj, de sopraan Galina Visjnevskaja), Leonid Kogan, Sofia Goebaidoelina, Galina Oestvolskaja, enz. Als verzachtende omstandigheid mag gelden dat sommigen van hen in de levensloop van andere personages terugkeren.

Uit tweede hand
Strikt biografisch is het boek niet geworden: de auteur bedient zich herhaaldelijk van allerlei uitweidingen die vooral hemzelf betreffen, als kenner van het moderne Rusland, met zijn vele boeiende contacten in en buiten het cultuurwereldje, maar ook met zijn eigen kijk op wat zich met name in de jaren dertig in het stalinistische Rusland heeft afgespeeld. Nadelig is ook de voortdurende opsomming van feiten en feitjes zonder dat dieper wordt ingegaan op wat daarachter schuilgaat. Zoals het boek ook geen antwoord geeft op de vraag (en Krielaars stelt die nota bene zelf!) waarom al die componisten en musici nu juist werden vervolgd (in literaire kringen lag dit veel meer voor de hand). Dat hun werk werd verboden of zelfs ingenomen, er van optredens geen sprake meer mocht zijn: het levert evenzovele vragen op die onbeantwoord blijven. Zoals dat ook geldt voor die componisten en musici die bereid waren zich aan te passen aan de regelzucht en aldus - zij het vaak niet meer dan tijdelijk - de dans wisten te ontspringen. Een diepere duik in de archieven of anderszins (Krielaars kan met de Russische taal uitstekend overweg) had op die prangende vragen mogelijk wel een antwoord opgeleverd. Bovendien komt veel informatie die Krielaars aandraagt uit tweede hand, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de opgenomen vraaggesprekken (onder meer met de zoon van Visevolod Zaderatski en met Lev Markiz, medeoprichter van het Amsterdamse Nieuw Sinfonietta), maar ook uit de in het boek opgenomen literatuuropgave.

Tegen dit wel of niet bewust tamelijk beperkt gebleven perspectief steken de geboekstaafde memoires van Nadjezjda Mandelstam, de echtgenote van de grote dichter Osip Mandelstam, nog indrukwekkender af, vervuld van een veel dieper en ook aangrijpender inzicht in de vreselijke mores van de Sovjet Heilstaat in met name de jaren dertig, maar ook in de vele belangrijke zijsprongen die ze maakt naar de daarop volgende oorlogsjaren en wat tot ruim na de dood van de dictator in 1953 zich niet alleen op artistiek gebied zoal in de Sovjet-Unie afspeelde, met inbegrip van de periode van ‘dooi', en de Ruslands relatie tot het Westen. De door uitgeverij van Oorschot in 1972 uitgegeven twee delen zijn, voor zover ik heb kunnen nagaan, nog antiquarisch verkrijgbaar. Haast u, zou ik willen zeggen!

Toespraak van de politicus Andrej Zjdanov, lid van het Politburo en partij-ideoloog, tijdens een bijeenkomst van componisten (1948). In het midden, met bril Dmitri Sjostakovitsj (schilderij van Lev Sjipovski).

Onzorgvuldigheden
In de eerste druk van De klank van de heilstaat is helaas een aantal onzorgvuldigheden of anders wel vraagtekens geslopen. Ze lezen we op blz. 34 dat Svjatoslav Richter zijn moeder nooit heeft vergeven dat zij zijn vader Teofil had verraden. Verraad is in dit geval evenwel van een geheel andere dimensie. Vader Richter wilde met zijn overspelige echtgenote Anna Moskaljova (ze was met medeweten van haar man een liefdesrelatie aangegaan met Sergej Kondratjev, van goede komaf en compositieleraar op het plaatselijk conservatororium) en zoon Svjatoslav in 1941, toen de oorlogsdreiging wel zeer manifest was geworden, hun woonplaats Odessa ontvluchten, maar zij weigerde om Kondratjev achter te laten. Met als gevolg dat ze gedrieën in de stad bleven, tot ze op een gegeven moment niet meer weg konden komen. Omdat Teofil een Duitse achternaam had werd hij in de nacht van 6 op 7 oktober 1941, tien dagen voordat de Duitsers de stad binnentrokken, samen met nog vierentwintig anderen met een nekschot geëxecuteerd. De beschuldiging die tegen hen allen was ingebracht: spionage, samenspannen met de vijand. Kort na Teofils terechtstelling had Kondratjev de naam van Richter aangenomen om daarmee zijn ware identiteit te verhullen. Hij had na de revolutie voortdurend al zijn naam moeten veranderen omdat hij tegenover de bolsjewieken rechtstreeks gevaar liep, als hoge ambtenaar ten tijde van het bewind van Nicolaas II, met bovendien zijn familie die in hofkringen verkeerde. Toen de Duitse bezetting in 1944 ten einde liep, vluchtten Anna Moskaljova en Kondratjev naar Duitsland om nooit meer naar Rusland terug te keren.

Op blz. 100 wordt gewag gemaakt van de moord op ongeveer 15 miljoen onschuldige mensen tijdens het bewind van Stalin. De werkelijkheid is helaas dat het aantal veel hoger ligt: de schattingen bewegen zich tussen 20 en 50 miljoen.

Op blz. 110 verwart Krielaars Prokofjevs De vurige engel (het is niet Vuurengel, zoals ik zo vaak lees) met Stravinsky's De vuurvogel.

Op blz. 156 komt Klavdia Sjoelzjenko's optredens voor de Russische troepen uitvoerig ter sprake. Vanaf de zomer tot eind 1941 zou ze maar liefst 3800 keer voor de troepen hebben gezongen. Haar standplaats was toen Leningrad, waar het Rode Leger voor haar een eigen repetitieruimte en onderkomen had geregeld: zo belangrijk was ze in de ogen van de machthebbers, die het eromging om het moreel van de soldaten zoveel mogelijk op te vijzelen. Om de gelegerde soldaten te bereiken moest ze per autobus of pantsertrein langs het front reizen. Onderweg werd overal gestopt om een kort concert van zo'n dertig minuten te geven, maar zelfs dan is het fysiek schier onmogelijk om in minder dan een halfjaar zoveel optredens te verzorgen. En dan in de laatste maanden van het jaar ook nog de barre winter, het reizen over nauwelijks begaanbare wegen, herhaaldelijk opgehouden door het geschut en de troepenverplaatsingen. Dat zou dan zijn neergekomen op gemiddeld 20 optredens per dag! Als het zo ergens genoteerd staat had Krielaars zich best eerst even achter de oren mogen krabbelen.

Dat aan Sjostakovitsj geen apart hoofdstuk is gewijd mag verbazing wekken, maar gezegd moet worden dat er over deze componist al heel veel is gepubliceerd. In het boek van Krielaars komt Sjostakovitsj echter wel degelijk ter sprake – zij het meer zijdelings – in de beschrijving van de verschillende personages.

Maar juist dan gaat het behoorlijk mis, als uit Volkovs Getuigenis wordt geciteerd. In het hoofdstuk over Maria Joedina, de ‘dichterlijke non aan het klavier', wordt weer eens de overbekende anekdote van stal gehaald van de pianiste die samen met het orkest in maart 1953 Mozarts Pianoconcert KV 488 zou hebben uitgevoerd. Het concert wordt rechtstreeks door de radio uitgezonden. Stalin heeft er wel of niet naar geluisterd en eist dat de opname ervan direct naar hem wordt toegebracht. Maar helaas, die is niet gemaakt. Wat te doen? Na veel vijven en zessen wil Joedina het concert nogmaals spelen, maar grote pech: de dirigent krijgt geheel onverwacht een fatale hartaanval en valt dood neer. Een nieuwe dirigent, er moet een nieuwe dirigent en subiet! Die wordt al snel gevonden en in allerijl naar de concertzaal gereden. Daar staat hij op de bok, gehuld in zijn kamerjas, deze nog enige in Moskou wonende dirigent. Het publiek is deels al weggestroomd, maar NKVD-agenten weten er iets op: ze plukken willekeurig voorbijgangers van de straat, of die nu wel of niet van muziek houden. De opname kan alsnog worden gemaakt, met voor Joedina dankzij de vrijgevige Stalin 20.000 roebel in het verschiet. Als de plaat eindelijk van de pers rolt stopt Joedina heimelijk een briefje in de hoes. Stalin ontvangt de plaat, zet ‘m op de draaitafel, maar ergert zich eraan dat het zolang heeft moeten duren. Tot overmaat van ramp staan de eerste maten er door de haast tweemaal op. Dan ontdekt hij dat briefje van Joedina. Hij leest: ‘Jozef Vissarionovitsj Stalin. Je hebt ons land verraden en het volk vernietigd. Ik bid voor je einde en vraag de Heer om je te vergeven. Tiran'. Stalin zou in lachen zijn uitgebarsten door zoveel betoonde moed, maar dan verstijfd hij en krijgt een beroerte. Kort daarop overlijdt de 'man met de kakkerlakken snor' (Mandelstam). Tsja…

Het is de sleutelscène uit The Death of Stalin, de speelfilm van Armando Iannucci uit 2017. Krielaars wijst er terecht op (blz. 241) dat er van het verhaal weinig klopt. Volgens hem speelde het zich af in 1947, maar waarom op blz. 252 verwijzen naar naar het gemankeerde Getuigenis van Solomon Volkov, het boek waarin de herinneringen van Sjostakovitsj zijn opgetekend? Over die vraaggesprekken is veel te doen geweest en niet in positieve zin: de meeste historici hebben het waarheidsgehalte ervan sterk in twijfel getrokken, menigeen er zelfs regelrecht gehakt van gemaakt.

Iannucci heeft het verhaal niet uit eigen duim gezogen, maar zich gebaseerd op wat in Getuigenis daarover is opgetekend. Dat volgens Sjostakovitsj Joedina inderdaad Mozarts KV 488 speelde lijkt aan geen twijfel onderhevig, maar dat was niet in 1953 maar in het laatste oorlogsjaar, 1944 (volgens Krielaars vond de opname in 1943 plaats) met Alexander Gauk als dirigent. Dan volgen in Getuigenis de gebeurtenissen zoals die in grove lijnen eerder zijn beschreven.

Het probleem is echter dat dit verhaal verder nergens valt terug te vinden, niemand behoudens Sjostakovitsj erover zou hebben bericht en Volkov er in de loop der jaren werkelijk alles aan heeft gedaan om wetenschappelijk onderzoek naar het waarheidsgehalte van Getuigenis uit de weg te gaan. Dat maakt het des te vreemder dat uitgerekend Krielaars grote historische waarde aan deze anekdote blijkt te hebben gehecht. Hij schrijft zelfs (op blz. 252) dat, om een indruk te krijgen van wat er toen echt is gebeurd, je toch het beste terecht kunt bij Getuigenis.

Krielaars heeft, ik gaf het reeds aan, geruime tijd als NRC-correspondent in Rusland gewerkt en het merendeel van wat hij in het boek beschrijft komt zeker betrouwbaar over, al ontbreken voetnoten (het boek heeft ook niet de pretentie van een wetenschappelijke uitgave). De doorgaans van een grote tragiek vervulde verhalen zijn dus niet op eigen historisch onderzoek gestoeld als wel op recente en minder recente literatuur (een opgave daarvan is keurig in het boek opgenomen). Blijft staan dat, afgezien van hier en daar een geduchte misser (ik heb ze niet allemaal opgesomd), de grens tussen werkelijkheid en mythe vrij gemakkelijk kan vervagen.

Vlotte schrijfstijl
Krielaars is uiteraard geen Anne Applebaum die zich wel aan minutieus bronnenonderzoek heeft gewaagd en daarvan ook verantwoording aflegt. Dat ik van deze Rusland-kenner meer had verwacht betekent gelukkig niet dat het boek onvoldoende aantrekkelijke kanten zou hebben. Hij beschikt over voldoende persoonlijke contacten in Rusland om de verhalen meer dan slechts een biografisch gezicht te geven. De vlotte schrijfstijl stimuleert tot verder lezen. Hij is niet blind voor wat niet alleen de daders, maar ook de slachtoffers in die tijd bewoog en weet de spanning goed voelbaar te maken die menigeen in die tijd zal hebben ondergaan als er 's nachts onverwacht op de deur werd geklopt of anderszins vervolging dreigde.

Playlist
Voor wie minder goed thuis is in de muziek uit die zo donkere periode is er een overzicht van de in de verschillende hoofdstukken besproken muziekwerken opgenomen. Het eerste werk op die lijst: Life with an idiot van Alfred Schnittke. Het zal voor menigeen in die tijd een meer dan passende gedachte zijn geweest: te (moeten) leven met een idioot als Stalin...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links