Boeken

 over componisten

 

© Emanuel Overbeeke, maart 2020

 

J. Heymans: Arabesk - Over Simeon ten Holt

Uitgeverij IJzer, Utrecht (2019)
ISBN 978-9086841868
428 blz., gebonden
Verkoopprijs € 39.95

 


Elke componist krijgt de aanpak die hij of zij met zijn of haar werk uitlokt, zeker iemand die geen componist, maar een fenomeen is. Zijn populariteit reikte tot ver buiten de wereld van de nieuwe ernstige muziek. Hij is een van de meest beschreven Nederlandse componisten en voor zover ik weet kunnen alleen Alphons Diepenbrock, Willem Pijper en Louis Andriessen zich beroemen op zoveel secundaire literatuur. Ook die literatuur past bij de aard van de muziek. Bij Diepenbrock overheerst een mix van wierook, emancipatie en nadrukkelijke behoefte aan erkenning, bij Pijper een afkeer van dierbaar sentiment en een nadruk op elementaire compositorische technieken en bij Andriessen een concentratie op de maatschappelijk gekleurde concepten achter de stilistische kwaliteiten. Ook bij Ten Holt is er een achterliggende agenda die veel verder gaat dan wetenschappelijke nieuwsgierigheid, al is die niet met een paar slogans te beschrijven. Enerzijds een hang naar het artistieke en het anarchistische, anderzijds zwabberen tussen expressie en vakmanschap; enerzijds de avant-garde met grote interesse volgen, anderzijds zich er soms weinig van aantrekken; zich de bewondering laten aanleunen maar ook de onwil zich door bewonderaars op sleeptouw te laten nemen. En bovenal: bij al deze polen een ietwat onduidelijke middenpositie innemen.

Die houding van de componist is ook in zekere zin de houding van de biograaf. Bij de omvang van zijn boek, het uitvoerigste over de componist tot nu toe, verwacht men een serieuze studie waarin leven en werk uitvoerig zijn beschreven en de relatie tussen beide goed aan bod komt. Daarmee zou het afwijken van eerdere publicaties: zachtaardige empathie domineert het boekje van Rita Verschuur; en anekdotische bewondering is sturend in het boek van Wilma de Rek en de film van Ramon Gieling Over Canto over de heftige reacties pro en contra en de excessieve vormen die de betekenis van Canto ostinato soms aannam. Ten Holts autobiografie tenslotte is een mix van duidelijkheid en onbestemdheid.

Simeon ten Holt thuis in Bergen

Heymans maakt van zijn boek een soort capita selecta. Het boek opent met wat een biografisch kader voor de volgende hoofdstukken lijkt, maar het eerste hoofdstuk is als zodanig incompleet en de latere zijn essentiële aanvullingen. Een soortgelijke ‘middenpositie' (als dat het juiste woord is) kiest Heymans bij de behandeling van de muziek. Terwijl Ten Holt het meest bekend is om zijn werken geschreven vanaf 1976-79, is Heymans opvallend uitvoerig over het oudere werk dat alleen de avant-gardefreaks kennen en dat nauwelijks nog verkrijgbaar is. Daarmee doet hij recht aan de componist die ondanks zijn stilistische ontwikkeling nooit afstand hiervan heeft gedaan. Dat voor zijn fans zijn oeuvre begint met Canto ostinato, lijkt de componist niet te deren. Tegelijk is Heymans' beschrijving van de muziek duidelijk niet die van een musicoloog. (De auteur, aldus het boek, studeerde wiskunde en filosofie en vertoefde als docent en onderzoeker jarenlang ‘in de grensgebieden tussen kunst, wetenschap en technologie.') In zijn beschrijvingen van de muziek aarzelt hij tussen globale analytische kwalificaties die niet altijd voor leken bestemd lijken, met name bij Ten Holts elektronische composities, en de behoefte de expressie voorop te zetten. Dat de compositietechniek geen doel op zichzelf mag worden, is wellicht niet alleen een commerciële afweging, maar ook een ideologische: muziek moet een belevenis zijn (zeker voor de liefhebbers van Ten Holt) en techniek is van belang voor zover het die belevenis kan versterken of opwekken.

Canto Ostinato door het Rondane Kwartet

Met die tweeslachtige houding inzake compositietechniek is de biograaf net de gebiografeerde. Hoewel Ten Holt les kreeg en les gaf, krijgt men telkens bij Heymans de indruk dat Ten Holt het vakmanschap zag als een bijkomstigheid waarover men bijkomstig kan doen. Terwijl Ten Holt uit een artistieke omgeving kwam (hij was geboren in 1923 in Bergen en groeide op te midden van vele kunstenaars) en zich om die reden beter waande dan de rest van de mensheid, ging hij niet studeren aan het Conservatorium van Amsterdam, ook omdat het hem volgens toenmalig conservatoriumdirecteur Willem Andriessen ontbrak aan diverse elementaire vaardigheden. Hoewel hij regels ergens onnodig vond, trok hij kort na de oorlog naar Frankrijk in de hoop zich daar verder te bekwamen en om uiting te geven aan zijn francofonie (hij verliet ervoor zelfs zijn vrouw en kinderen – ook latere vrienden verklaarden dat hij zich soms weinig bekommerde om zijn kroost). Hij leefde vooral voor zijn kunst, al wist hij lange tijd niet wat hij wilde. Wat het Franse avontuur hem leerde en hoe hij daar vorm aan gaf in zijn boek, steken zoals de biograaf als de gebiografeerde in tamelijk vage algemeenheden, die zelden concreet worden, omdat partituurfragmenten en opnamen van stukken vaak ontbreken. Zijn gedrag als bohémien of beter soms de poging daartoe krijgt wel ruime aandacht. Holts relatie met zijn leraar Jacob van Domselaer was problematisch: aanvankelijk was de oudere collega de grote held, daarna nam de leerling steeds meer afstand van diens inzichten en bekritiseerde Ten Holt diens pedante zelfingenomenheid. De losmaking van voorbeelden waarover Heymans zeer uitvoerig schrijft is natuurlijk niet uniek; interessanter is de zoektocht naar een eigen taal waarover Heymans ons bericht met een mix van dodelijke ernst en achteloosheid. Wat Ten Holts opus 1 zou zijn, blijft duister, zowel voor componist als biograaf. De auteur trapt gelukkig niet in de val om al het werk van Ten Holt van voor Canto ostinato te zien als een aanloop of als een uiting van een nog muzikaal onvolwassen componist (net zoals Louis Andriessen al heel veel had geschreven toen hij De Staat schreef). Tegelijk is Heymans nogal schetsmatig over de vroege werken, maar gelukkig zegt hij meer over Ten Holts electronische muziek, misschien ook vanwege Heymans' eigen interesse in technologie (geciteerde recensies van anderen zeggen vaak weinig over de muziek). De meest uitvoerige beschrijving van een pre- Canto compositie vond ik in het tekstboekje bij de dubbel cd Anthology of Dutch electronic tape music volume 2 (Basta 30-9183-2) die een heruitgave is van de gelijknamige dubbel-lp van Donemus (CV 7903). Op die dubbel-cd staat van Ten Holt I am Sylvia uit 1973, een stuk voor spreek/zangstem en electronica, wellicht naar het voorbeeld van Visage van Berio en Fontana mix van John Cage, ooit superieur uitgevoerd door Cathy Berberian. Ook de electronica in die stukken was grandioos, pakkend en ongrijpbaar. Daarbij vergeleken is Ten Holts werk eerder een zoekende verkenning, zonder al te veel humor, met een minder duidelijke lijn, met meer gewichtige woorden in de tekst en met een grote hang naar effecten en beleving. Als het al vooruitwijst naar zijn latere, veel bekendere werken voor één of meer piano's, dan in de poging veronderstelde diepgang te combineren met schijnbare achteloosheid en de poging om grote vormen te maken met een minimum aan materiaal. Die verwantschap in karakter vind ik belangrijker dan de thematische verwantschap van Canto ostinato met het oudere Aforisme 2 . Aan zulke karakteriseringen wil Heymans zich liever niet branden, vandaar dat hij amper ingaat op de vraag waarom de componist een fenomeen kon worden. Hij laat het bij uitspraken van anderen, maar schuwt een robuust oordeel.

Was de muziek vanaf Canto ostinato voor velen een breuk met zijn eerdere werk, Heymans maakt met zijn boek duidelijk dat er bij de persoon weinig veranderde. Hij verkeerde graag in artistieke kringen, al bekeek hij andere kunstenaars graag met een zekere afstandelijkheid. Misschien wilde hij iets van hen leren, maar wat hij leerde, laat Heymans vaak in het midden, misschien wel omdat Ten Holt zelf dat vaak ook niet wist. Eén ding was wel duidelijk: de kunst won het uiteindelijk van de mens; zijn kinderen waren niet de enigen die daar ervaring mee hadden. De dichter Adriaan Roland Holst was een bewonderde vriend, maar ook iemand op een zekere afstand. Ook zijn relaties met de schrijvers H.C. ten Berge en Gerrit Kouwenaar waren problematisch. Ten Berge bood Ten Holt de gelegenheid over hedendaagse muziek te schrijven voor diens literaire tijdschrift Raster, maar verwerkte ook persoonlijke informatie in zijn fictie. Dat laatste beviel Ten Holt niet goed, net zoals Ten Holt zich moeilijk kon voorstellen dat H.C. ten Berge moeite had met diens stukken over hedendaagse muziek. Een artikel van Ten Holt voor het blad Wolfsmond over de relatie tussen muziek en tijd verklaart die moeite. Het is filosofisch, tegelijk soms weinig uitgewerkt, wel met grote woorden, niet altijd duidelijk, maar ook af en toe verrassend en inspirerend. Men begrijpt al lezende waarom Joke Hermsen zo enthousiast is over zijn muziek: dit is muziek met een onklassieke omgang met tijd, beweging en rust.

Zo tegenstrijdig als de persoon soms was, zo veelzijdig is ook het boek. Qua structuur lijkt het enigszins een lappendeken, waardoor de lezer verplicht is het gehele boek te lezen om alle aspecten tegen te komen, maar dan heeft men wel een staalkaart van zijn karakter in leven en werk. Het boek lijkt daarmee qua opbouw op I am Sylvia, terwijl Ten Holts latere pianocomposities eerder zijn opgezet vanuit een vooraf gekozen structuur (iemand zag ooit in Canto ostinato zelfs sporen van de sonatevorm). Het boek geeft een goede inkijk in Ten Holts karakter, het milieu waaruit hij kwam en de manier waarop hij daar als persoon op reageerde. De mix van tegenstrijdige kanten, halfslachtigheid, duidelijke standpunten en wereldonthechting in Ten Holts karakter drong zelfs door in Heymans' schrijfstijl op het niveau van de alinea. Over de persoon en diens context is hij informatiever dan over de muziek. Zijn beschrijvingen van de muziek zijn niet alleen vaak basaal, Heymans volgt ook de clichés die heersen omtrent de stijl van componeren in Nederland vanaf 1920. Heymans wil zich niet wagen aan een verklaring voor Ten Holts populariteit vanaf 1980. Wel citeert hij meningen van anderen die graag de weerstanden schilderen die Ten Holts schijnbare simpele en on-moderne muziek opwekten bij uiteraard domme verdedigers van complexe avant-garde, totdat Ten Holt een zeer groot publiek bleek te bereiken en ook deze critici overstag gingen.

Bij het boek zit een cd met niet eerder uitgebrachte opnamen uit de huiselijke kring waarop Ten Holt eigen werk speelt. Ten Holt bewijst met zijn uitvoering van de oerversie van Canto Ostinato dat hij een goede pianist was die dacht in structuren en zich niet liet intimideren door bijzondere details. De overige fragmenten zijn veel ouder en tonen ons een componist die velen niet zullen kennen. Bij zijn muziek voor de film Kockyn (1966), zijn enige filmmuziek, had ik natuurlijk graag beelden willen zien, maar gelukkig is Heymans over deze film tamelijk uitvoerig. En Kompositie I en II uit 1942 (de componist was 19) klinken als verlate Proeven van stijlkunst van Jacob van Domselaer.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links