Boeken

 over muziek (algemeen)

 

© Aart van der Wal, december 2017

 

Karl-Heinz Göttert: Die Orgel - Kulturgeschichte eines monumentalen Instruments

Bärenreiter-Verlag, Kassel 2017
ISBN 978-3-7618-2411-5 (ook als eBook)
408 blz., gebonden en rijk geïllustreerd
Verkoopprijs € 34,95

www.baerenreiter.com


Karl-Heinz Göttert (74) is bij onze oosterburen niet alleen bekend om zijn boeken over het orgel, maar ook als (inmiddels emeritus) hoogleraar germanistiek aan de universiteit van Keulen. Hij schreef een groot aantal boeken over beide onderwerpen. Zo verscheen wat het orgel betreft – eveneens bij Bärenreiter - de tweedelige ‘Orgelführer Deutschland', de ‘Orgelführer Europa' en ‘Orgeln! Orgeln!' En nu dan zijn laatste boek op dit gebied: ‘Die Orgel, Kulturgeschichte eines monumentalen Instruments'. Het begon allemaal zo'n twintig jaar geleden, toen Göttert als kerkorganist werkzaam was in de omgeving van Keulen en daar in contact kwam met Eckhard Isenberg, organist in een naburige stad. Ze waren beiden naast organist ook dirigent van een plaatselijk gemengd koor. Ze besloten niet alleen tot samenwerking op dit gebied, maar ook om een boek over orgels te schrijven, waarbij een derde 'im Bunde', Jutta Schmoll-Barthel, als lector fungeerde. Dat leidde uiteindelijk tot een reeks van boeken, waarvan de samenstelling volgens een beproefd recept verliep: Isenberg maakte de voorselectie en zorgde voor de daarbij passende richtlijnen, Göttert zorgde voor de tekst en Schmoll-Barthel overzag het geheel. Natuurlijk werden er bezoeken gebracht aan de geselecteerde orgels, hetzij gemeenschappelijk, hetzij ieder voor zich. Niet alleen om de instrumenten van binnen en van buiten uitvoerig te bekijken, maar ook om ze speltechnisch danig aan de tand te voelen!

Hert was de lector die op het idee kwam om het toch al zeer gevarieerde blikveld nog verder te verruimen en een boek te schrijven over de geschiedenis van het orgel in de meest brede zin, en daarbij dan tevens in te gaan op de algehele ontwikkeling, de plaats en betekenis van het instrument binnen onze westerse cultuur. Dat mondde uit in een waar standaardwerk: ‘Die Orgel', een kloek boekwerk van ruim 400 bladzijden met veel aanschouwelijke illustraties, zij het ditmaal bij uitzondering zonder de medewerking van Isenberg. Dat het orgel in het bijzonder in de Europese cultuur niet weg te denken viel en valt wordt in het boek met veel kennis van zaken en op verfrissende toon tot in detail uit de doeken gedaan.

Er komt dus in 'Die Orgel' heel veel voorbij, maar dankzij de logische indeling en de soepele verhaaltrant leest het vlot, al geldt dit - ik vermeld het misschien ten overvloede - alleen voor degenen die tenminste redelijk met de Duitse taal overweg kunnen (al voeg ik er gelijk aan toe dat Göttert niet heeft gekozen voor het echt literaire Duits; en dat voor een gerenommeerde taalkundige!) Het is daardoor eerder ‘Unterhaltung' dan wetenschappelijke ballast geworden, hoewel - het wordt met nadruk vermeld - er van een oppervlakkige benadering van het onderwerp geen enkele sprake is. Wat daarbij zeker zal hebben geholpen is Götterts grote schrijfervaring (zeker op orgelgebied laat hij zich wat dit betreft met bijvoorbeeld onze Geert Mak vergelijken). Dit is een boek dat zonder voorbehoud uitstekend toegankelijk is voor de orgelliefhebber, maar ook zowel de organist als de muziekwetenschapper goede diensten zal bewijzen. En natuurlijk voor degenen die geïnteresseerd zijn in de westerse (muziek)cultuur.

De geschiedenis van het orgel zoals we het nu kennen begint al in de Middeleeuwen en kon vooral dankzij de kerken enorm aan betekenis winnen. Het was immers in de kerk dat men ten behoeve van het gezang een daarvoor geschikt instrument zocht. Een orkest, of zelfs een klein ensemble was zowel te kostbaar als onpraktisch. Terwijl het orgel in zekere zin best wel kan worden vergeleken met een orkest, maar dan slechts bediend door één persoon (of twee, in het geval van een aan de organist toegevoegde registrant). Daardoor kon het orgel en daarmee de orgelbouw zich sterk ontwikkelen, met alle innovaties die daarvan het gevolg waren. Dat gaat tot vandaag door: denk maar aan de vergevorderde elektronica en de daarmee verband houdende chiptechniek. Niet alleen in kerken en concertzalen, maar ook - vooral dankzij de digitale techniek enorm uitgebreide akoestische mogelijkheden - thuis. Of dat voor het orgel alleen positief moet worden uitgelegd is echter nog maar de vraag. De nieuwe ontwikkelingen kunnen immers ook negatieve gevolgen hebben voor de uitvoering van de muziek die er oorspronkelijk voor bedoeld is geweest. Wat niet wegneemt of wat er tegenoverstaat is dat tegenwoordig op het orgel vrijwel alles kan worden gespeeld wat maar denkbaar is, van pop tot jazz, van ‘crossover' tot barok en klassiek. En dan is er uiteraard het internet dat zijn invloed ook in dit domein stevig doet gelden. Ook dit aspect komt in het boek aan de orde. Het is deze ‘veelkleurigheid' die een ander publiek naar het orgel kan trekken, de aantrekkingskracht van het instrument in het algemeen kan verhogen, al zal de rechtgeaarde orgelliefhebber ongetwijfeld vastgenageld blijven aan het traditionele, aan ‘zijn' Bach, Franck, Vierne of Widor.

Toch komen ook in dit boek de zorgen aan bod, en niet alleen wat betreft de toekomst van het orgel. Göttert maakt er geen geheim van: hij plaatst het voortbestaan van het orgel, maar ook van orkesten en operahuizen in de context van een jonge generatie waarvan het allerminst zeker is dat die zich daaraan zal willen verbinden. Een generatie die (ook) andere vormen van luisteren (maar ook spelen) tot het zijne heeft gemaakt en die zich meer richt op onder meer rock en pop, dit dan ten nadele van de klassieke muziek. Dat veel in het werk moet worden gesteld om het tij nog te kunnen keren. Zoals Siumon Rattle dat in Berlijn met de Berliner Philharmoniker heeft geprobeerd, met onder meer het project ‘Rhythm Is It!', speciaal bedoeld voor kinderen op ‘probleemscholen'. Maar ook orkestmusici die individueel of in groepjes scholen bezoeken om kinderen in contact te brengen met de klassieke muziek. Dat het (concert)orgel zich uiteraard niet naar de school laat verplaatsen is helder, maar toch zijn er ook wat het pedagogische aspect betreft in dit opzicht mogelijkheden: zo gaf de organist Cameron Carpenter in de Berlijnse Philharmonie voor schoolkinderen een uitgebreide introductie van het orgel en zijn vele mogelijkheden, waarbij hij er niet voor terugschrok om de kinderen ook praktisch kennis te laten maken met het orgel: ze mochten op de manualen aan de slag.

Maar een feit is ook dat zelfs menige orgelliefhebber wel veel van orgelmuziek, maar weinig van de herkomst, de ontwikkeling en de culturele betekenis van zijn lievelingsinstrument weet. Ook voor hem fungeert Götterts ‘Kulturgeschichte' min of meer als een soort bijbel. Wat komt er zoal niet aan bod (en het is daaruit slechts een greep): byzantijnse en Arabische automaten, kloosters, kathedralen en stadskerken, de orgels in Italië, Spanje, Frankrijk, Engeland, Duitsland en ons land, de bouw en restauratie, de gevolgen van het confessionalisme, componisten, specifieke orgelbouwers als Schnitger, Silbermann, Hildebrandt, Walcker en Cavaillé-Col, maar ook het orgel in het Derde Rijk, het orgel in de VS en het orgel van de toekomst, naast de vele organisten uit heden en verleden die in het bestaan en de ontwikkeling van het orgel een belangrijke rol hebben gespeeld (waaronder coryfeeën als Max Reger en Albert Schweitzer). In het vijfde en tevens laatste hoofdstuk komen de verschillende media uitvoerig aan de orde. Een uitgebreid literatuuroverzicht, een (heel handig!) naam- en plaatsregister en de bronvermelding van de vele afbeeldingen (helaas alleen in zwart-wit) zijn belangrijke hekkensluiters.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links