Boeken

 over componisten

 

© Maarten Brandt, juni 2020

 

Cor van Diejen: Stravinsky uitgebaggerd

Drekwerk Publicaties, Cor van Diejen, Sliedrecht (2017) - Gedrukt op aanvraag

385 blz., gebonden
Verkoopprijs € 24,95

www.boekenbestellen.nl


Igor Stravinsky is in Nederland bepaald geen onbekende (wij waren er vroeg bij, immers ten tijde van Willem Mengelberg heeft hij met eigen werk voor het Concertgebouworkest gestaan), ook al lijkt zijn oeuvre – indien men de gemiddelde programmering van de orkesten anno tegenwoordig onder de loep neemt – zich vrijwel volledig te beperken tot de drie alom bekende balletten uit zijn Russische periode: 'L'oiseau de feu', 'Pétrouchka', en 'La sacre du printemps'. Een omstandigheid die ooit aan wijlen onze landgenoot, de componist Otto Ketting, een uitspraak ontlokte in de geest van dat als we de geruchten moeten geloven “Igor Stravinsky zijn compositorische arbeid na de voltooiing van zijn Sacre nog niet geheel [heeft] gestaakt.” Met dien verstande, dat het leeuwendeel van zijn oeuvre toen nog geschreven moest worden! O zeker, er is in Nederland veel en regelmatig ander werk van Stravinsky gespeeld. Neem de door de Notenkrakers tot conservatief gedoodverfde Bernard Haitink die bij het Concertgebouworkest onder meer alle geestelijke stukken, de twaalftoonscomposities ‘Threni' (vrijwel nooit uitgevoerd, ook mondiaal niet) en ‘Requiem canticles' incluis, heeft uitgevoerd of de toen nog Vara-matinee geheten ZaterdagMatinee die een imposant in het teken van zijn muziek staand seizoen programmeerde, waarop werken uit al Stravinsky's stijlperiodes tot klinken kwamen. Ook het Nederlands Kamer Koor heeft zich in deze allerminst onbetuigd gelaten, terwijl bijvoorbeeld Het Gelders Orkest ten tijde van het chef-dirigentschap van Roberto Benzi gedurende een zijn de seizoenen Haydn en Stravinsky (een mooie combinatie) tot het zwaartepunt van het aanbod maakte.

Geliktheid
Maar toegegeven, het merendeel van de orkesten en jetsetdirigenten houdt het in de regel doorgaans bij die drie balletten en sterker nog: de ‘Sacre' heeft zich van een van de belangrijkste beginselverklaringen van de moderne muziek inmiddels ontwikkeld tot een showpiece van een geliktheid waar geen liefhebber van de ‘Music for the millions' zich meer een buil aan kan vallen (nagenoeg elk conservatoriumorkest speelt het zo weg!), zulks in tegenstelling tot bijvoorbeeld ‘Orpheus' (een van de mooiste neoklassieke balletten ooit!), ‘Agon', ‘Perséphone', ‘The Flood', ‘Mavra', ‘Renard' en noem maar op. En ook dit is nog maar slechts het topje van de ijsberg, want de klinkende nalatenschap van de kosmopolitische rus en alter ego van de afgelopen 20 ste eeuw, is buitengewoon omvangrijk. Er is geen genre of het is er wel in vertegenwoordigd, nog afgezien van allerhande bewerkingen van delen uit grote composities voor diverse en al dan niet kamermuzikale bezettingen.

Meerdere Stravinsky's
Wie het allemaal encyclopedisch wil naslaan kon tot voor kort speciaal bij Eric Walter White terecht, wiens bij Faber verschenen boek als een voortreffelijk en degelijke becommentarieerde catalogus kan worden beschouwd en nog steeds onverkort als een soort Stravinsky Bijbel door het leven gaat. Maar dat is natuurlijk niet het enige dat er over Stravinsky is geschreven want de lijst met aan zijn oeuvre gewijde publicaties is onafzienbaar, waarbij – wanneer het om de Russische periode gaat – de beide en meer dan vuistdikke boeken van Richard Tarushkin eruit springen. En niet te vergeten uiteraard in ons land het fascinerende en apodictische ‘Het apollinische uurwerk' van de tandem Elmer Schönberg en Louis Andriessen. Trouwens, als Stravinsky op een totaal onvervreemdbaar eigen, zij het geabstraheerde wijze, in onze dreven voortleeft dan in de muziek van wat in de wandelgangen de ‘Haagse School' wordt genoemd en waarvan eerdergenoemde Andriessen de onverdachte schutspatroon is. Stravinsky's credo van dat muziek niets dan zichzelf kan uitdrukken gekoppeld aan het objectivistische karakter daarvan is iets dat volledig strookt met de esthetiek van het toenmalige, maar nu vrijwel geheel uitgestorven Haagse establishment. Fascinerend is echter dat er meerdere ‘Stravinsky's' zijn, getuige bijvoorbeeld die welke in de gesprekken met zijn ‘stand by' Robert Craft tevoorschijn treedt en waarin de meester niet schroomt te kennen te geven ten diepste onder de indruk te zijn van de ‘Altenberg-lieder' (“een van de belangrijkste sleutelwerken van de 20 ste eeuw”) en de Drei Orchesterstücke van Alban Berg, uitgerekend repertoire waarmee Andriessen en de zijnen niet veel ophadden, respectievelijk -hebben.

‘Stand der Dinge'
Maar dit thans even terzijde, want waar het nu om gaat is de Nederlandse tegenhanger van het – nog steeds gezaghebbende – boek van White, getiteld ‘Stravinsky uitgebaggerd' en geschreven door – als ik me niet vergis – een niet alleen spreekwoordelijke, maar ook in de letterlijke zin van het woord baggeraar in hart en nieren, een Stravinsky-kenner van immens formaat die weliswaar geen gediplomeerd musicoloog is, maar als een pietje precies te werk gaat waar menige muziekwetenschapper nog een puntje aan zou kunnen zuigen: Cor van Diejen.

Ziehier, een naam om duchtig te onthouden. Want, anders dan men zou verwachten (hij had het zich heel gemakkelijk kunnen maken door bijvoorbeeld gewoon het boek van White in het Nederlands te vertalen) gaat het hier om een publicatie die met niets is te vergelijken en die – zij het op een totaal andere wijze – even uniek is als ‘Het apollinische uurwerk', dat ook bij Van Diejen (en terecht) zeer hoog staat aangeschreven. Dat echter het boek van laatstgenoemde volstrekt onder de radar is gebleven, want er is bij mijn weten geen enkele recensie over verschenen, is hoogst raadselachtig, of het moet het feit zijn dat de auteur zijn leven in Sliedrecht slijt in niet in de Randstad. Want, zoveel is duidelijk, wie niet tot de bekende ‘scene' behoort doet bij ons niet of nauwelijks mee en wordt doorgaans doodgezwegen in de landelijke pers, waarin weliswaar veel bagger verschijnt, zij het dan meestal (een enkele uitzondering daargelaten) van de bedenkelijk muzikale soort.

Voor de registeraccountants onder u, dit is hét naslagwerk in onze moerstaal van de composities van Stravinsky. Een simpel en doeltreffend register op titel van om het even welk konterfeitsel van deze componist bewijst al meteen voortreffelijke diensten. Alle feiten, bezettingen, versies, jaren van ontstaan, eerste uitvoeringen (althans voor zover bekend bij de huidige ‘Stand der Dinge') en wat dies meer zij; men wordt gaande het boek op voorbeeldige wijze op zijn of haar wenken royaal bediend. Zo ontbreekt ook de nog niet zo lang geleden ontdekte en ter nagedachtenis van Stravinsky's leermeester Rimsky Korsakov geschreven ‘Chant funèbre' voor orkest niet waarvan de fonografische primeur voor rekening kwam van het Lucerne Festival Orchestra onder supervisie van Riccardo Chailly. Sof far so good, want hoe degelijk van opzet ook; hierin schuilt niet het bijzondere en onvergelijkbare van Van Diejens Stravinsky-exploraties, integendeel.

Nijlpaardenverblijf
Nee wat dit boek tot een hoogst begerend geheel maakt is de stijl die de auteur ten toon spreidt en die maakt dat het, eenmaal begonnen met lezen, schier onmogelijk is daarmee op te houden. Hoe die stijl te verwoorden, dat is niet een twee drie uit te leggen, maar wat het meest doel treft is zich de cartoons van Kamagurka en Gumbahh voor ogen te houden en die als metafoor te zien voor de woordkunst die Van Diejen met een enorme regelmaat, behendig- en originaliteit heid hanteert en waarbij extreem bonte vergelijkingen niet uit de weg worden gegaan. Dit met als onvermijdelijk gevolg dat het gevaar van het optreden van kaakfracturen door het lachen onverwijld op de loer ligt. Het gaat daarbij vooral om die gedeeltes van de beschouwingen waarin Van Diejen zijn persoonlijke voorkeuren ten beste geeft van de cd-opnames van de composities in kwestie. Ik geef een willekeurig voorbeeld van zo'n omschrijving. Namelijk die waar het gaat om een opname van het ballet ‘Agon' door het Leningrads Filharmonisch Orkest onder de in menig opzicht legendarisch te noemen dirigent Yevgeny Mravinsky, waarover Van Diejen het onderstaande opmerkt:

“Yevgeny Mravinsky – ongelikte beer met bef – dirigeerde in 1965 een concert van de Leningrad Philharmonic IJzergieterij. Als u op ruig valt dan is dit uw uitvoering. Voor het concert dronken de muzikanten energiedrank met verzwaarde decibellen in het koolzuur. Mravinsky huurde voor deze gelegenheid de kopersectie van het Stan Kenton Uitzendbureau. De linkse en rechtse directen knallen uit de hoeken, terwijl de gaten extra gevuld zijn met kopstoten onder de gordel. De hoeveelheid geschetter baarde opzien in het naburige nijlpaardenverblijf en het snarenspel was grover dan een breipatroon met vallende steken.”

Ik zou willen zeggen, hier zit geen woord Spaans bij. Nu waren de auteurs van ‘Het apollinische uurwerk' ook niet vies van stijlbloempjes, maar dit slaat alles werkelijk met vele paardenlengtes, zoveel is duidelijk.

Of wat dacht u van deze ontboezeming over een opname uit 1954 van ‘Jeu de Cartes' onder leiding van de componist met het Sinfonie-orchester des Südwestfunks Baden-Baden?

“Dit Duitse orkest troeft menige concurrent af. Je kunt volop lijnen snuiven in deze degelijke radioregistratie, die de last der jaren lichtvoetig draagt. Soms zijn er schrille of schetterende klanken te horen, met randjes schuurpapier afgebiesd, doch van de weeromstuit komen juist deze pokdalige samenscholingen ongeschonden langs de ballotagecommissie. Het spel wordt niet foutloos gespeeld, maar de spiritus beneemt de adem meer dan voldoende.”

Boevenengels
Geef toe, hiertegen steekt White als een droogzwemmer van de bovenste plank af, want dit is niet alleen musicologie, maar bovenal ook een soort literatuur waar de naam nog voor moet worden uitgevonden. Tel daarbij op dat Van Diejen alle handboeken Jan Soldaat waar het Stravinsky betreft, tot in de verste uithoeken kent. Dat blijkt uit iedere pagina van dit fenomenale boek, waarbij de schrijver niet schroomt met menige mythe af te rekenen – waaronder het nog steeds hardnekkig opgeld doende verhaal over het ontstaan van het Octet voor blazers, dat het resultaat zou zijn van een droom* - en daarenboven Stravinsky regelmatig aan het woord te laten. De citaten van laatstgenoemde zijn bovendien zo voorbeeldig gekozen dat men onwillekeurig dat uitgekiende stemgeluid van de meester aan zijn geestesoor voorbij hoort trekken. Dat wat lijzige boevenengels, met die ondefinieerbare mix van Franse en Russische ondertonen, voornaam en toch onderhuids geladen met een al dan niet humoristisch-cynische ‘suspense'. Mocht iemand op het idee komen ooit de hoofdrol te gaan spelen in een gedramatiseerde documentaire over Stravinsky, dan is hij alleen al wat dit facet aangaat, ondubbelzinnig op ‘Stravinsky uitgebaggerd' aangewezen. Om het kort samen te vatten, deze uitgave is een absolute ‘must have'. Daar veranderen enkele vrijpostige acties van de zetduivel geen jota aan. Rest tenslotte te melden dat ‘Stravinsky uitgebaggerd' is te bestellen via bovenstaande website.

__________________
*) Getuige de door Van Diejen aangehaalde uitspraak van Stravinsky: “I began to write this music without knowing what its sound medium would be – that is to say, what instrumental form it would take. I only decided that point after finishing the first part, when I saw clearly what ensemble was demanded by the contrapuntal material, the character and structure of what I had composed.” Waar Van Diejen nog voor alle duidelijkheid aan toevoegt dat “deze verklaring [wordt] bevestigd door de vroegste schetsen.”


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links