Boeken

 over componisten

 

© Emanuel Overbeeke, december 2013

 

 

Robert Craft: Stravinsky - Discoveries and Memories

Naxos Books, 360 blz.. ISBN: 978-1-84379-753-1 (2013)

 

 


Het nieuwe boek van Robert Craft is in veel opzichten vertrouwde kost. Niet alleen het onderwerp (Stravinsky, de componist van wie hij van 1948 tot 1971 de vertrouweling was), maar ook de aanpak. Hij strooit constant met nieuwtjes die vaak eerder pikant dan relevant zijn. Zijn gevoel voor structuur van teksten is Stravinskyaans: logica is op zijn best verrassend, vaak afwezig; elke wending is mogelijk, moraal is maar moraal en niets lijkt het onderwerp en de auteur vreemd. Belangwekkende aanzetten worden vaak niet uitgewerkt (met als uitzondering een groot stuk over de muziek van Webern en over Stravinsky's Scènes de ballet ), waarmee zich meteen het verschil wreekt tussen een verbaal en een niet-verbaal betoog. In een muziekstuk kan één akkoord iedereen overtuigen, in de tekst is een oneliner, zelfs indien briljant opgeschreven, vaak niet meer dan een kreet. Ook de onuitgesproken agenda's zijn herkenbaar, zoals een weerwoord op de niet met name genoemde Taruskin die met behulp van een omgevallen boekenkast Stravinsky een laakbare opstelling verweet inzake totalitaire regimes in de jaren dertig - Craft spreekt, gesteund door een paar voorbeelden, van een nauwelijks voorstelbare politieke naïviteit', wat al een stuk minder sterk klinkt. Even obligaat zijn de katten richting Pierre Boulez, waaronder een onthulling waarmee de maître niet blij zal zijn. Het enige gezelschap dat Craft zich lijkt toe te staan, zijn de rich and famous in de muziek en de letteren. Voor individuele alledaagse gevoelens kiest hij bij voorkeur niet alledaagse bewoordingen maar dichtregels, bij voorkeur van auteurs die met genegenheid spraken over ene Robert Craft. Zonder uitzondering is hij telkens op de place to be, een deelnemer en toeschouwer tegelijk die mag delen in de wederwaardigheden en de erkenning van de mensen aan de knoppen van het artistieke establishment. De eigenaardigheden van deze individuen krijgen ruime aandacht; over hun werk leren we weinig, zeker als het om personen buiten de muziek gaat, ook al suggereert Craft nog zo'n grote intimiteit in de omgang. Volgens Craft horen wij precies te weten wat deze heren (zelden dames) dachten. Craft schrijft voor mede-wandelende encyclopedieën. Daarom is het opmerkelijk dat sommige figuren überhaupt worden geïntroduceerd. Dit is geen boek voor Stravinsky-beginners, wel voor mensen die precies weten wat in de zee aan informatie echt nieuw is.

Hoe graag Craft ook reageert op anderen en hoeveel voetnoten hij ook geeft, Craft is geen wetenschapper en systematiek is hem in wezen vreemd. We moeten vertrouwen op het geheugen van de nu 90-jarige, die, precies zoals Stravinsky nooit langer dan een halve zin in één taal kon blijven spreken, zelden langer dan één mededeling bij het hoofdonderwerp kan blijven. Volkomen representatief is de mededeling in een passage bij Stavinsky's opnamen in Canada dat één van de aanwezigen daarbij een oude kennis was die ooit bij Alban Berg had gestudeerd en Craft van alles over Berg vertelde. Einde zijstraat. Voor zijn passages geldt wat Schönberg zei over Stravinsky's Babel : 'It lacks an ending; it simply stops.' Bescheidenheid is nooit Crafts dierbaarste eigenschap. Twee van de illustraties zijn van composities van Stravinsky en Schönberg, de eerste in manuscript, de tweede in druk en beide met een opdracht aan de auteur. Bij Stravinsky's dood bedankte Balanchine Craft 'for all you did for him' (dat we het maar weten). Hij schroomt niet anderen stevig de les te lessen (het grootste deel van Stravinsky's familie wordt rigoureus weggezet) en beheerst net als 'zijn vader' de kunst van het gevoel voor proportie wat hem in staat stelt zijn teksten volstrekt onklassiek te ordenen.

In een boek van een pietje precies die niet aarzelt anderen te wijzen op hun fouten (ooit wijdde hij een artikel aan de taalfouten in het werk van T.S. Eliot) zijn diverse fouten opmerkelijk. Artur Rubinstein gaf, anders dan Craft beweert, vele uitvoeringen van Stravinsky's pianoversie van Pétrouchka (de opname van een daarvan is vorig jaar eindelijk op cd uitgebracht, een opname waarover ik graag Crafts mening had gehoord) en diverse jaartallen kloppen niet.

Nieuwe informatie betekent lang niet altijd nieuwe onderwerpen. Veel onderwerpen zijn al uitgebreid aan bod geweest in eerdere publicaties, maar bevatten nieuwe kruimels. We weten meer over zijn verhouding met zijn kinderen, zijn buitenechtelijke avonturen, zijn omgang met geld. En net als in eerdere publicaties heeft hij eigenlijk alleen ontzag voor mensen die niet slechts dezelfde artistieke en intellectuele kwaliteiten hebben als hij, maar die in woord, geschrift en spel meer greep hebben op het geheel, alles in de best denkbare stijl. Charles Rosen, Elliott Carter, Luciano Berio en Umberto Eco worden daarom nog relatief ontzien.

Niettemin, zet men alle belangwekkende nieuwigheden op een rij, dan ontstaat een intrigerend verhaal, al is het veelzeggend dat de meeste informatie de periode betreft vanaf 1922, oftewel het jaar waarin Taruskins magistrale boek Igor Stravinsky and the Russian traditions (1997) stopt. Ongetwijfeld bedoeld als tegenhanger van Stravinsky's vermeende antisemitisme is het hoofdstuk waarin Craft Stravinsky's wortels probeert bloot te leggen en waarin enkele joden opduiken. Daarna maakt Craft een uitstapje naar Stravinsky's Bijbelse composities en zijn bezoeken aan Israel, alsof het betoog een extra weerwoord moet zijn op de bovengenoemde aanvallen van Taruskin. De informatie over de periode voor 1922 betreft vooral biografische zaken (die Taruskin minder boeiden en waarin Craft bij zijn 'vaders' beschrijving als een biseksueel wezen opnieuw veel ongedocumenteerd laat). Een voorbeeld van het ongedocumenteerd laten van een mededeling is de uitspraak dat de interessantste uitspraken van Stravinsky over zijn wijze van componeren te vinden zijn in oude kranteninterviews. Vervolgens maakt Craft ons lekker met enkele krenten uit de pap (inderdaad, zeer de moeite waard), maar geeft hij geen lijst van gesprekken (hopelijk wil iemand die ooit samenstellen op basis van het archief Stravinsky of Craft). We lezen over een onvoltooid gebleven werk, Liturgie, waaraan Stravinsky werkte tussen 1915 en 1917 en waarin vele factoren samenkomen, maar het onvoltooide manuscript krijgen we niet te zien, zelfs niet een deel ervan. We lezen ook meer over de invloed van musicologen, die zich verdiepten in oude muziek, op de structuur van Stravinsky's Mis. De techniek van de afwisseling van a cappella en instrumentale passages, ontleend aan Matheus van Perugia, heeft hij geïntegreerd in het Agnus Dei van zijn Mis, uiteraard met andere harmonische middelen. Vervolgens komen we op dezelfde bladzijde (69) de namen tegen van Byrd, Tallis, Dunstable en Ockeghem. Op de laatste was Stravinsky attent gemaakt door Krenek die in de jaren veertig over Ockeghem een boekje schreef, kwesties waarover men graag meer had willen weten. Dat Stravinsky een anti-calvinist was, wist ik niet maar verbaasde mij absoluut niet. Rechtlijnig en compromisloos was de componist alleen in de zeggingskracht van zijn kunst. Wat dat betreft leek hij op Wagner, de centrale componist van de voorgaande eeuw die net als Stravinsky ervoor zorgde dat het componeren en alles daaromheen aan het einde ervan wezenlijk anders was dan aan het begin.

De flaptekst belooft ons a balanced view' van iemand die jarenlang te dicht bij het vuur zat om afstand te kunnen nemen. De afstand is echter niet nieuw want al bekend van eerdere teksten. Dat er in dit boek geen balans is tussen alle aspecten van leven en werk is evident (de muziek komt duidelijk op de tweede plaats), het geeft in ieder geval een visie op een man die nergens van op keek. En om hem te begrijpen is ruimdenkendheid en vanzelfsprekende tegenstrijdigheid cruciaal. Daarover deed de componist niet ambivalent of schizofreen.

Om het boek goed te kunnen pareren, moet men eigenlijk elke snipper kennen die de componist heeft nagelaten. Kent men die (en Taruskin komt heel ver, ook in zijn verspreide artikelen over de Stravinsky van na 1922), moet men een ander gevoel voor logica hanteren. Niet de overdosis aan irrelevante weetjes waarmee dit boek vol staat, maar een overdosis aan relevante analyses die de creatieve wisselwerking tussen werk en context voorop stellen. Taruskin kwam daarmee heel ver, en een onderzoeker die dat veld wil onderzoeken aangaande de periode 1922-1971, zal aan Crafts jongste boek veel hebben. Het is veelzeggend dat Taruskin een van de weinigen is met wie Craft niet de vloer aanveegde (zijn recensie van Taruskins boek bevatte weliswaar een lijstje van Taruskins fouten, maar die hadden vrijwel allemaal betrekking op de periode na 1922). En als iemand die wisselwerking voorop stelt, moet hij anders dan Taruskin geen vijand van het modernisme zijn, maar duidelijk maken hoezeer het modernisme niet alleen een breuk is met de traditie, maar die traditie heeft verrijkt met nieuwe middelen, iets dat vooral is ingezien door de grootste componisten na hem (Berio, Carter, Boulez) die allen hoog opgaven van Stravinsky en andersom, alle biografische vetes met Craft in de hoofdrol ten spijt. Crafts boek is zowel inspirerend als irriterend. Men moet het pedante van Crafts boek maar voor lief nemen en van zijn aanpak vooral het associatieve op de goede manier benutten. Vooral de beste kunstenaars zijn gebaat met die aanpak.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links