Boeken

 over componisten

 

© Paul Korenhof , januari 2024

 

Willem Bruls: Georges Bizet - Les Pêcheurs de perles

Universitaire Pers, Leuven (2023)
ISBN 978-94-6166-543-0
88 blz., paperback, geïllustreerd


Tijden veranderen, normen veranderen en smaken veranderen, en de geschiedenis van weinig opera's illustreert dat zo duidelijk als die van Les Pêcheurs de perles. Na de première in het Parijse Théâtre Lyrique op 30 september 1863 werd het werk na 18 voostellingen van het repertoire gehaald omdat het voor die tijd 'te modern' was. Pas na het succes van Carmen (1875) en de dood van de componist twee maanden later keerde het werk terug op het repertoire, maar het zou nog tot 10 januari 1889 duren eer het Théâtre Français in Den Haag het op het repertoire nam. Daarna was er echter geen houden meer aan en de eveneens groeiende internationale belangstelling was zelfs niet te vergelijken met de populariteit die Bizet's opera in Nederland te wachten stond.

Meer dan met de voorstellingen van het Théâtre Français hing die populariteit overigens samen met die van de Opera Italiana in de eerste helft van de 19de eeuw, en met twee zangers in het bijzonder. Tijdens de crisisperiode in de jaren dertig beschikte de Italiaansche Opera over diverse solisten van wereldformaat en andere die in onze tijd eveneens wereldfaam zouden genieten. Twee van hen waren de tenore lirico-leggiero Luigi Fort en de bariton Leo Piccioli, en een 25cm-plaatje met hun opname van 'het duet uit De Parelvissers' werd in het vooroorlogse Nederland een ware tophit die tot in het begin van de jaren vijftig naast het 'slavenkoor' uit Nabucco stand hield in programma's als Moeders wil is wet en Arbeidsvitaminen. Dat zou pas veranderen na de verschijning van de in het Frans gezongen opname van Jussi Björling en Robert Merrill, maar de populariteit van de muziek zelf bleef nog lange tijd onaantastbaar.

Gedurende al die jaren was Les Pêcheurs de perles (bij de Italianen I pescatori di perle) een repertoirewerk en dat zou het blijven tot de opheffing van de Nederlandse Opera in het begin van de jaren zestig. Ook daarna is het werk nog enige tijd regelmatig in Nederland uitgevoerd, maar niet door de in 1964 opgerichte Nederlandse Operastichting, nu bekend als De Nationale Opera. Dat gezelschap heeft Bizet's Parelvissers nooit een blik waardig gekeurd. Het werk was daarvoor naar de mening van de diverse directies muzikaal en dramatisch kennelijk niet 'interessant' genoeg.

In België liggen de zaken gelukkig anders en daaraan danken we een uitgave in de reeks Operatheek die de Universitaire Pers Leuven publiceert in samenwerking met Opera Ballet Vlaanderen. De titel werd toevertrouwd aan Willem Bruls, auteur van Ontvoering, verleiding en bevrijding. De Oriënt in de opera en daarmee de aangewezen man voor een analyse van een opera die min of meer aan het begin stond van een reeks muziekdrama's die geïnspireerd waren door de 19de-eeuwse belangstelling voor alles wat Aziatisch, Oriëntaals of in ruimere zin exotisch was. (Waarmee overigens niet gezegd wil zijn dat Bizet hierbij ook wegbereider of inspirator is geweest; daarvoor heeft zijn opera toen wellicht te kort op het repertoire gestaan.)

Bruls analyse van de 'oosterse' elementen in deze opera beslaat met dertig pagina's bijna de helft van het boekje. Het is ook veruit het interessantste deel, omdat het inhoudelijk ver boven het onderwerp uitstijgt en een tamelijk breed beeld geeft van het Parijse culturele leven van die tijd. Zelfs had het nog wel iets (of veel) ruimer gekund met aandacht voor andere componisten en voor parallelle tendensen in onder meer de schilderkunst, en ik kan me voorstellen dat de auteur moeite heeft moeten doen om binnen de opzet van het boekje te blijven.

Conform de opzet van de serie geeft de uitgave vervolgens een schildering van het ontstaan van de opera en het muzikale klimaat waarin dat gebeurde, en een analyse van het werk waarbij de partituur op de voet wordt gevolgd. Terecht gaat Bruls daarbij uit van Bizet's originele partituur en niet van de versie die tot enkele decennia geleden algemeen gebruikelijk was. Dat betreft natuurlijk ook 'het duet' dat mede dankzij de grammofoonplaat populair is geworden in een verkorte versie met een soort 'Hollywood-einde'.

Echte operaliefhebbers zullen bij het lezen van het voorwoord waarschijnlijk even struikelen over het feit dat Bruls het duet daar aanduidt met de beginwoorden van het slotdeel 'Oui, c'est elle, c'est la déesse'. Iedereen kent dit fragment immers onder de beginwoorden 'Au fond du temple saint' die ook in de partituur van Choudens als titel worden gebruikt. Weliswaar vermeldt Bruls terecht dat de muziek van dit slotdeel regelmatig en in diverse vormen als leidmotief terugkeert, maar zoals zo vaak bij operaduetten is het in dialoogvorm opgezette begindeel het belangrijkste. Zodra beide stemmen zich verenigen in een melodische meedeiner, wordt zo'n duet muziekdramatisch meestal minder interessant. (Het duidelijkste voorbeeld van zo'n structuur biedt wellicht het duet van Carlos en Rodrigo in de eerste kloosterscène van Verdi's Don Carlos.)

Met slechts enkele taalkundige slordigheden (o.a. een keer het temporele voegwoord 'nadat' gevolgd door een onvoltooide tijd) lijkt deze uitgave van de Universitaire Pers Leuven zorgvuldiger geredigeerd dan sommige eerdere uitgaven. Ietwat onzorgvuldig in de door Bruls gebezigde formuleringen is echter de woordcombinatie 'coloraturen en fiorituren' bij de beschrijving van de sopraanpartij. Deze vooral uit de spreektaal afkomstige termen, beide ten onrechte een Italiaanse musicologische basis suggererend, zijn immers vrijwel synoniemen. Terecht stelt de zangdeskundige J.B. Steane in dit verband dat 'fioritura' - hoewel evenmin met een semantisch exacte inhoud - als term accurater is dan het veelvuldig als alternatief gebruikte 'coloratura' (dat voor het eerst opduikt als 'Koloratur' in 16de-eeuwse Duitse verhandelingen).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links