Boeken

 over componisten

 

© Emanuel Overbeeke, december 2022

 

Pieter Bergé: Kurt Weill - Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny

Leuven University Press (2022)
ISBN 978-94-6270-334-6
86 blz., paperback
Verkoopprijs € 9,50


Dit boek is onderdeel van een serie monografieën van de Leuven Universitaire Pers, getiteld Operatheek en gewijd aan theatrale composities. Eerder verschenen delen over Schumanns Faust-Szenen, Verdi's Ernani en Mozarts Così fan tutte. De delen zijn geschreven door Belgische musicologen ‘naar aanleiding van nieuwe producties door Opera Ballet Vlaanderen. (…) Operatheek is onmisbare lectuur voor de operaliefhebber, de cultuurminnaar en de professionele muzikant', aldus de uitgever op zijn website.

Het nieuwste deel handelt over Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny van Kurt Weill en is geschreven door Pieter Bergé die eerder onder meer een goed boek schreef over het Requiem en zijn proefschrift wijdde aan de Zeitoper in de jaren twintig (een vorm van opera waarin de makers bewust inspeelden op de actualiteit binnen en buiten het muziekleven). Net als het deel over Schumann (de delen over Mozart en Verdi ken ik niet) is dit boekje een prachtig midden tussen een korte concerttoelichting en een lange wetenschappelijke tekst. Enerzijds wordt jargon zoveel mogelijk gemeden en ontbreken zeer minutieuze analyses, anderzijds doet de auteur een poging veel verder te kijken dan de grote lijnen van het werk. Bergé ziet het stuk van Weill, in première gegaan in maart 1930, in wezen als een Zeitoper. Bergé gaat, voor een programmatoelichting ongewoon lang, uitvoerig in op het Duitsland van de jaren twintig en vooral op de culturele malaise waarin het land verkeerde na het verlies van de Eerste Wereldoorlog waardoor het niet alleen politiek maar ook cultureel aan gezag inboette. De vooroorlogse cultuur met als een van de boegbeelden Richard Wagner had afgedaan, maar een alternatief was nog niet uitgekristalliseerd, laat staan aanvaard door een breed publiek. (Bij die gisting kwamen in 1933 de nazi's als voorlopige ‘winnaars' uit de bus – de roep om nostalgie en de hang naar ‘de rust van de goede oude tijd' speelde daarbij een zeer grote rol. Dat die rust meer idealisering dan feit was, vergat men gemakshalve.) Weill en zijn librettist Bertolt Brecht waren in de jaren twintig niet alleen artistieke avant-gardisten maar wilden ook sociaal betekenisvol zijn. Dat deden zij onder meer door een duidelijk verhaal te presenteren met een muziek die ver afstond van die van Wagner.

Bij dit deel van het boekje wreekt zich vrees ik het format van de serie. Een cruciaal aspect van de muziek ontbreekt, vanwege de lengte van het boekje? of denkt Bergé over dit aspect (Weills link met muzikale traditie) anders dan ik? De beschrijving van de maatschappelijke context is uitstekend. Bergé haalt er veel bij dat hij ook relevant weet te maken. De beschrijving van de tekst is goed, maar hij verzwijgt (of heb ik eroverheen gelezen?) dat Weill & Brecht met Mahagonny en de Dreigroschenoper zo'n succes hadden omdat Mahagonny een zeer geslaagde combinatie is van een oud verhaal in een modern jasje (wat hij wel noemt) plus oude muziek in een modern jasje (wat hij gedeeltelijk verzwijgt). Ik hoor in beide werken, vooral de Dreigroschenoper, elementen uit de taal van Schubert, met name zijn liederen. Schuberts liederen zijn ‘kunstliederen' voor wie weinig oor heeft voor het populaire karakter ervan dat in Duitsland veel sterker werd erkend dan daarbuiten. De eenvoudige structuren met refreinen en coupletten, de verstaanbaarheid, de balans tussen zang en theater, de keuze voor intensiteit door bondigheid, de veranderende betekenis door de tekst wel te veranderen en de muziek niet, de populaire melodiestijl, dit alles moet de vakman Weill hebben opgemerkt bij zijn oudere collega en leefde hij ook uit in zijn liederen die hij schreef na zijn vertrek uit Duitsland naar de VS. (Tussen zijn Duitse en Amerikaanse muziek hoor ik meer de overeenkomsten dan de verschillen. Het verschil tussen enerzijds deze liederen en anderzijds zijn kwartetten en symfonieën is veel fundamenteler.) Die Dreigroschenoper had mede zo'n succes kunnen worden omdat Weill inspeelde op algemeen bekende muziek van met name Schubert. Hoezeer dat bijdroeg aan de betekenis van de tekst, beseften de nazi's evengoed als Brecht & Weill. Hun populaire muziek is gedeeltelijk op dezelfde principes gebaseerd als die van Weill. De link tussen Mahagonny met Die Zauberflöte en Der Freischütz bespreekt Bergé wel. Misschien is wat ik de populaire kant van Schubert noem in wezen hetzelfde als wat Bergé de invloed noemt van ‘het wufte bar- en schlagerleven'.

Dat Weill kortom een groot vermogen tot aanpassen had, blijkt niet alleen uit onder meer de Schubert-invloeden. Bergé gaat uitvoerig in op protestantse elementen in de muziek van Mahagonny . Dat is interessant bij een componist die geboren werd als zoon van een cantor. Weill verliet Duitsland omdat hij wist wat hem als jood onder de nazi's te wachten stond, maar in zijn populairste werken uit de jaren twintig hoor althans ik geen joodse elementen. Dat Weill zich in Mahagonny ook concentreerde op muziek van Bach en daarmee succes had, zegt veel over de toenmalige worteling van Bach in de brede cultuur, ook al was veel van zijn muziek destijds veel minder bekend dan nu.

Mahagonny heeft mij altijd iets minder geraakt dan de Dreigroschenoper. De oorzaak is niet dat Weill hierin minder modern of minder traditioneel was dan in het andere werk. De creatieve uitgangspunten zijn in wezen dezelfde. Na het lezen van Bergé's boekje ga ik mijn oordeel heroverwegen. Ondanks enkele aantekeningen heb ik zijn boekje met plezier gelezen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links