Audio-apparatuur

Toch wel dansen met de bruid?

Negen goedkopere cd-spelers:

Harman Kardon HD-710, Akai CD-19, Technics SL-PS670A, Rotel RCD-930AX, Denon DCD-625II, Kenwood DP-3080, Sherwood CD-3050R, Pioneer PD-S505 en Sony CDP-XE500

Met als after-dinner:

Musical Fidelity’s Missing Link X10-D (Extended)

 

© Aart van der Wal, november 1996

 

Wie niet al te diep in de buidel kan of wil tasten en niet over een hoogwaardige weergave-installatie beschikt zal allicht eerder op zoek gaan naar een goedkope(re) cd-speler in de prijsklasse van rond de vijfhonderd gulden. Zo een die naast bedieningsgemak ook muzikaal het nodige te bieden heeft. Was dat een paar jaar geleden een zoektocht naar het schaap met de vijf poten, inmiddels hebben ettelijke merken zich met een overtuigende weergavekwaliteit en veel bedieningssnufjes in de zogenaamde goedkope of low-budget klasse genesteld.


Het zal duidelijk zijn dat aan spelers in deze prijsklasse in mechanisch en elektronisch opzicht niet dezelfde eisen mogen worden gesteld als aan spelers die het dubbele en méér kosten. Ik weet het, dat lijkt op het intrappen van een open deur, maar daarmee is het verhaal nog niet uit. Want die goedkope spelers bieden inmiddels een klankkwaliteit waar niet zó lang geleden drie tot viermaal duurdere spelers nog niet van konden dromen. Dat danken we natuurlijk vooral aan de voortschrijdende technologische ontwikkeling en de massaal geproduceerde chips. Kwaliteitsverbetering en prijserosie gaan ook hier prima hand in hand! Dat zien we niet alleen in de audio-sector, maar bij voorbeeld ook in de computer-branche. Het is bovendien best leuk om de advertenties en recensies uit de begintijd van de cd er nog eens op na te slaan: in soms brallerige toon wordt het non-plus-ultra van de digitale techniek verkondigd en zijn er legio verwijzingen naar de ?digitale perfectie’. Dankzij de grote vlucht van de digitale opname- en weergavetechniek weten we ruim een decennium later dat het toen allemaal zo goed (nog) niet was en dat er zowel aan de opname- als aan de weergavekant nog veel mankeerde. We weten ook dat de oplossing van één probleem in de digitale verwerking weer tot weer nieuwe problemen kan leiden die om een oplossing vragen en dat nog niet die doorbraak is bereikt die ons in één klap van deze bekende paradox verlost. Geen wonder dus dat verdergaande verfijningen in de hogere regionen zo langzamerhand alleen nog uiterst moeizaam worden bereikt, terwijl we steeds meer zien dat de goedkope(re) spelers niet alleen van die verfijningsdrang profiteren, maar dientengevolge ook stapje voor stapje opschuiven op de promotieladder. De gapende kloof van weleer is duidelijk smaller geworden, wat eigenlijk automatisch betekent dat de muziekliefhebber nu voor een relatief zeer bescheiden bedrag echt klankkwaliteit van formaat in huis kan halen.

Loopwerk

De stabiliteit van het loopwerk heeft invloed op de geluidskwaliteit. Dat kan aan de hand van meet-cd’s en de scoop vrij eenvoudig worden geconstateerd. Een rigide loopwerk dat bovendien effectief is gedempt, vergemakkelijkt de laser-aftasting en ontlast het foutcorrectie-systeem. Het is sowieso altijd beter om mogelijke stoorinvloeden in de kern te beheersen, omdat alle opeenvolgende schakels daarvan altijd profiteren. Het is mooi meegenomen dat het lade-mechanisme en de servo-schakelingen niet luidruchtig zijn, maar daaraan mag niet als vanzelfsprekend worden ontleend dat het met dat loopwerk dan wel goed zit. Ik heb luidruchtige spelers onder handen gehad die een zeer stabiel gedrag vertoonden; en muisstille exemplaren die de vréselijkste scoopbeelden produceerden. Ik heb alle spelers met de repeat-functie eerst twee weken zonder onderbreking aan een cd van 76 minuten ?blootgesteld’ en vervolgens het mogelijke effect van slijtage onderzocht. Het is slechts een momentopname, maar de uitkomsten stemden tot tevredenheid. Al vond ik het loopwerk van deze Akai en Sherwood t.o.v. de overige deelnemers in dit testveld van mindere kwaliteit.

Foutcorrectie

hoewel de produktietechnieken voor cd’s in de afgelopen jaren óók aanzienlijk verbeterd zijn en het aantal kruidje-roer-mij-niet exemplaren drastisch is verminderd heb ik de foutcorrectie van deze spelers met een meet-cd weer eens op de proef gesteld. Een kras van 1,5 mm in de lengterichting heeft méér effect op de aftasting dan een oneffenheid van 2 mm van de binnen- naar de buitenkant van de cd. Ook de interactie tussen loopwerk en laser-aftasting valt niet weg te cijferen en bovendien is de ene foutcorrectie de andere niet. Zelfs twee identieke correctie-systemen in twee identieke spelers kunnen door bij voorbeeld de onvermijdelijke toleranties in het loopwerk en in het laser-blok toch verschillende uitkomsten geven: speler A produceert bij 2 mm slechts een tik, terwijl speler B er de brui aan geeft, hapert of er plotsklaps de sokken inzet. Mechanische slijtage, stof en vuil, nicotine-aanslag, enz. kunnen op den duur de prestaties aantasten en dan worden op zich goede cd’s langzamerhand kruidje-roer-mij-niet exemplaren! Alle spelers scoorden in dit opzicht van ruim voldoende tot zelfs uitmuntend (Denon).

Vervorming

Er zijn vele soorten en ze kunnen ook nog op verschillende manieren worden gemeten. De blokgolf zeg veel, maar niet àlles. Ik heb de vervorming bij 0 dB (het maximale niveau in het digitale domein) en -30 dB met ingesteld meetfilter bekeken. Je kunt nog wel verdergaan tot -50 dB e.v., maar dan verschijnen er waarden die misschien wel voor lichte paniek kunnen zorgen, maar toch al niets meer te maken hebben met de bestemming van deze spelers: om te worden opgenomen in een modale weergaveketen. In de kolommen ziet u dat er behoorlijke verschillen zijn en met name op het -30 dB niveau, maar op normaal weergaveniveau binnen de audioband is de betekenis ervan beperkt. Bij 0 dB passen Rotel, Sherwood en Akai vrijwel in dezelfde vervormingscategorie, maar het is Rotel die mij qua klank (en daar gaat het toch om) dan het meest overtuigt. Pioneer komt met relatief hoge vervormingscijfers uit de bus, maar wint het als het op pure klank aankomt ondanks de gesignaleerde beperkingen van Akai en Sherwood. Let dus vooral niet tè veel op die cijfertjes.

Stereobeeld

Ik wil in een (goede!) opname graag goed gedoseerde breedte en diepte ?zien’ en de musici niet krampachtig op een kluitje. Vervelend is ook als het met het stereobeeld niet helemaal snor zit. Het is dan uitermate storend wanneer de violist van stoel lijkt te wisselen en de pianist over meerdere klavieren beschikt. Geen enkele onderzochte speler haalt hier bij voorbeeld het niveau van de Meridian 508 HR (een willekeurig voorbeeld uit de dure klasse), maar door de bank genomen en de prijs van het gebodene niet uit het oog verliezende viel het beeld mij niet tegen. Technics, Rotel, Denon en Sony waren in dit opzicht het meest overtuigend.

Uitgangsspanning

De aperte waanzin van ca. 2 V en méér uitgangsspanning op het maximale (0 dB) niveau blijft verbazen. De meeste fabrikanten houden deze misaanpassing ongetwijfeld bewust in stand. Blijkbaar moet het koperspubliek onder de indruk zijn van een versterker die met de volumeregelaar op kwart voor negen al een geluidslawine weet te produceren. En misschien zijn er dan ook nog knullige verkopers te vinden die er dan aan toevoegen ?dat er nog véél meer power inzit’. Bah! Thuis is het bijregelen van het volume dan irritant millimeterwerk. Wat wil je bij 100 of 150 mV gevoeligheid op de cd-ingang van de versterker en 2 V aan de uitgang van de cd-speler: brei dat maar eens op verantwoorde wijze aan elkaar! Het beste is dan een verzwakker ertussen of ook op dit punt selectief zijn bij de keuze van versterker of cd-speler. Anders dat leed in arren moede maar accepteren!

Afwerking

De buitenafmetingen van deze spelers worden zeker niet door het binnenwerk gerechtvaardigd. Dat zagen we al eerder bij o.a. tuner-concepten: dus veel lege, nutteloze ruimte. Maar omdat ze gemakkelijk een plaatsje moeten kunnen vinden in een reeds bestaande ?stereo-toren’ moeten de afmetingen natuurlijk navenant zijn (Sherwood is daar blijkbaar nog niet achter). Met de nadruk op in, want op een dergelijke toren raad ik niet aan. Met een gewicht van pakweg 4 kg. is zo’n cd-speler bepaald geen rots in de branding: een lichte aanraking is al genoeg om het apparaat te verplaatsen. De Denon duwde ik al naar achteren toen ik de lade-knop bediende.. De lichte kastconstructie zorgt bij alle spelers bovendien voor resonanties. Het is dus zonder meer noodzakelijk dat zo’n speler een redelijk zware bewoner (bij voorbeeld versterker of cassettedeck) boven zich krijgt! Met de Sherwood lukt dat niet best of helemaal niet: de ondiepe kast verhindert dat en is een plankje nodig om deze lacune op te vullen.

Cijfertjes

Ik vind het altijd weer een moeizame affaire: muziekweergave in cijfertjes. De correlatie tussen meetuitkomsten en hetgeen we hóren is soms ver te zoeken en om dan ook nog klankindrukken in getallen te vangen... De cijfers in de beoordelingscategorieën hebben uitsluitend betrekking op deze test en dienen dan ook als verhoudingscijfers te worden gelezen. En hoewel de totaalindruk van het klankbeeld niet is gestoeld op het gewogen gemiddelde op basis van de voorafgaande cijfers, maar op mijn perceptie van de algehele weergavekwaliteit als zodanig, blijkt het toch - en dat is eigenlijk wel zo logisch - vrijwel daarop neer te komen.

Conclusie

Voor weinig geld zijn uitstekende spelers te koop. Er zijn twee duidelijke achterblijvers in dit testveld: Akai en Sherwood. Dit danken zij vooral aan de korrelige, zanderige weergave van het middengebied, sss-klanken en de wat gedrongen en bitse strijkersklank. De speler van Pioneer is mij iets te zachtmoedig, neigt naar fletsheid en dat heb ik in de waardering ook tot uitdrukking laten komen: metalen percussie is niet voldoende sprankelend, het middengebied wordt afgerond en de bas is wel warm, maar aan de wollige kant. Het trio Rotel, Denon en Sony komt met overigens niet meer dan de bekende haarlengte vóór Harman Kardon, Technics en Kenwood. Met een behoorlijk aantal cd’s was het verschil zelfs precies nul komma nul. Hanteer de beoordeling met omzichtigheid, want als het op de klank aankomt kan bijv. de ingangsimpedantie van de versterker óók een rol spelen. Ook interlinks kunnen nog weleens voor een verrasing zorgen.

Musical Fidelity’s Missing Link

Musical Fidelity’s Missing Link X10-D (f. 395,-) lijkt mij als actieve opwaarderingsschakel tussen cd-speler en (voor)versterker voorbestemd om een kassucces te worden. Importeur Viertron uit Barendrecht is er dan ook terecht zéér trots op. Met uitzondering van de Pioneer ging de klankkwaliteit van de cd-spelers er na tussenschakeling van deze cylindervormige buffertrap behóórlijk op vooruit. Zozeer zelfs dat in deze test niet meer dan voldoende presterende spelers pardoes minstens een klasse naar boven konden opschuiven. High-End (ik krijg dit woord bijna niet meer uit mijn strot..) wordt het niet, maar overtuigend is het wel! U leest er meer over in de recensie van de X10-D elders in dit nummer.

______________________________________
Beluisterd met:
NAD 306, 312, Philips FA951, Van Medevoort MA222 en Luxman LV-122 geïntegreerde versterkers, Quad ESL-63, Audiolab Minax S, TAF Cadans 5 en B&W CDM-2 luidsprekers, Sennheiser HD-475, Sony CD-3000 en Stax-Lambda hoofdtelefoons, Musical Fidelity Missing Link X10-D klasse-A buffertrap.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links