Actueel

Rotterdams Philharmonisch Orkest
met exotische Turangalîla-symfonie

 

© Aart van der Wal, oktober 2017

 

Messiaen: Turangalîla-symfonie
Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Olari Elts m.m.v. Cédric Tiberghien (piano) en Valérie Hartmann-Claverie (ondes-Martenot)
Gehoord: 27 oktober 2017, De Doelen


Serge Koussevitzky, de dirigent van het Boston Symphony Orchestra, komt de eer toe verantwoordelijk te zijn geweest voor het ontstaan van twee meesterwerken: Bartóks Concert voor orkest en Messiaens Turangalîla-symfonie. Bartók voltooide zijn vijfdelige meesterwerk in oktober 1943, Messiaen zijn maar liefst tiendelige symfonische ‘liefdeslied' in 1948. Het beleefde zijn première in Boston op 2 december 1949 door hetzelfde orkest, zij het niet onder leiding van Koussevitzky, maar onder de toen 31-jarige Leonard Bernstein (die het werk vreemd genoeg nooit in de studio heeft opgenomen).

De opdracht van Koussevitzky aan Messiaen luidde kort en krachtig: een ‘werk voor symfonieorkest', dat drie jaar later uitmondde in een vakkundig geconcipieerde symbiose van erotiek, vogelgeluiden, intense spiritualiteit en aardse monumentaliteit. Ik weet het niet helemaal zeker of het Pierre Boulez was die het werk bestempelde als de ‘Shéhérazade van de twintigste eeuw'. Maar ook exhibitionisme, Indiaas en Balinees exotisme, religieuze lofprijzing, meer dan een snuifje mystiek en in die tijd nog ongehoorde elektronische foefjes (ondes-Martenot) kregen een plek in dit overladen programma dat helaas deels ook door weinigzeggend instrumentaal klatergoud wordt gekenmerkt. Voor de een wordt de Turangalîla tot de belangrijkste twintigste-eeuwse meesterwerken gehouden, terwijl het voor de ander niet veel meer betekent dan platte filmisch gecomponeerde kitsch. Feit is wel dat uitgaande van een speelduur van gemiddeld zo'n 75 minuten, een componist inhoudelijk nogal wat van stal moet halen om zijn publiek te kunnen blijven boeien. Daarin is Messiaen deels niet geslaagd. De huwelijksmoraal zal er in ieder geval niet onder hebben geleden, want de complexe en merendeels uiterst virtuoze pianopartij had de componist voorbestemd voor zijn latere echtgenote, de pianiste Yvonne Loriod (zij was een van Messiaens eerste leerlingen in zijn compositieklas aan het Parijse conservatoriorium). En ook wat het bespelen van de ondes-Martenot betreft werd het een heuse familiekwestie: haar zus Jeanne was bij menige uitvoering van de partij. Sommigen van u herinneren zich wellicht nog de uitvoeringen in Den Haag onder Reinbert de Leeuw met een orkest bestaande uit conservatoriumstudenten, onder Messiaens goedkeurende oog (hij had alle repetities bijgewoond en De Leeuw daarbij op de huid gezetten, de nodige aanwijzingen aan hem gegeven) en met de onmisbare steun van Yvonne en Jeanne Loriod.

De titel van het werk verwijst naar een samentrekking van twee begrippen uit het Sanskriet: ‘turanga' geldt als het tijdselement, ‘'lîla' het spelelement. Eenvoudig gezegd de voortschrijdende tijd in relatie tot het spel van de liefde, de creatie, maar ook de vernietiging en de dood. Het zijn de sterk expressief getinte basisingrediënten waar een enorme kracht vanuit gaat en die de Tristan-mythe (Messiaen was eraan verslingerd geraakt) in een eigentijds perspectief plaatsen. Geen wonder dus dat in de Turangalîla de contrasten tot aan hun uiterste grenzen worden verkend (en zijn zelfs momenten waarin de hevigste uitbarstingen in Stravinsky's Sacre hiermee vergeleken kinderspel zijn) en dat zelfs in de tedere passages de pulserende onderhuidse oerkracht voelbaar wordt. Om de structuur van het werk een zekere mate van direct herkenbare identiteit mee te geven klinken er herhaaldelijk vier sterk geprofileerde thema's die het gehele werk de artistiek noodzakelijke ruggengraat verlenen. Ook in dit opzicht heeft Wagner tot voorbeeld gestrekt: ze fungeren als leidmotieven.

Voor de epische Turangalîla moeten ruim honderd musici in stelling worden gebracht, waaronder minstens acht (heel goede) slagwerkers. Om zijn compositorische bedoelingen zo helder mogelijk voor het voetlicht te krijgen heeft Messiaen de uitvoeringspartituur minutieus uitgewerkte instructies meegegeven. Wie ze aldus keurig-in-de-maat respecteert trakteert het publiek op een goed geoliede machine die voor de doorgewinterde messiaenaris (of turangalist) nog maar nauwelijks verrassingen kan opleveren. Zo verliepen de meeste studio-opnamen (waar Messiaen doorgaans bij aanwezig was), hoewel er voor iedere creatieve geest natuurlijk wel enige ruimte is te vinden voor een eigen interpretatie. Maar bij voorkeur dan wel zonder Messiaens indringende fysieke aanwezigheid. Een mogelijke ‘uitvlucht' is de ‘behandeling' van de ondes-Martenot: niet door deze keurig in te bedden in de orkestklank (wat vrijwel altijd het geval is), maar meer te behandelen als puur solo-instrument. De totale tijdsduur is ook zo'n thema: Messiaen ging in eerste instantie uit van maximaal 75 minuten, later, na zijn revisie van het werk in 1994 (deze wordt vrijwel altijd gespeeld, zoals vrijdagavond ook in Rotterdam), van maar liefst 85 minuten.

Vanaf het bombastische begin met zijn door trombones en tuba's gespeelde ‘standbeeldthema' tot de lang aangehouden slotnoot (inderdaad: Messiaen schreef hier ‘très long' voor) zorgde het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder ‘invaller' Olari Elts voor een zinderende vertolking, waarbij het vooral draaide om rijke kleurschakeringen, dynamische uitvergroting en orkestrale virtuositeit. Bijzonder knap, met volle overtuigingskracht en groot engagement pakte Elts het werk aan als een groots glamourstuk, waarin ook de vele door elkaar gehaspelde stijlelementen optimaal reliëf kregen en het discours met felle attaques werd verlicht. Veel vaart, veel passie, voortdurend gehuld in een warme instrumentale gloed mag deze uitvoering worden gerekend tot het beste wat live überhaupt mogelijk is. De incidentele oneffenheden in samenspel, ritmiek en balans deden daar niets aan af. Bovendien werd hier daadwerkelijk muziek gemaakt in ‘the heat of the moment'. Een apart compliment ook voor de intense strijkersklank in ‘Jardin du sommeil d'amour' (hoe betoverend daarin ook het samenspel tussen strijkers, ondes-Martenot, glockenspiel, vibrafoon en de kwinkelerende pianopartij!) Veel mag ook op het conto van de Franse pianist Cédric Tiberghien (in onze recensiekolommen veelvuldig geprezen) worden geschreven; en natuurlijk was daar de waardige opvolgster van Yvonne Loriod: Valérie Hartmann-Claverie die de ondes-Martenot ook als ‘volwassen' instrument aan het Parijse conservatorium doceert.

Dat de door een hardnekkige polsblessure gevelde Yannick Nézet-Séguin verstek moest laten gaan leverde ook voor het publiek een nadeel op: het voorprogramma was geschrapt, waardoor Rameau's 'Entrée de Polymnie' uit 'Les boréades' en de suite uit 'Les Indes galantes' buiten beeld bleven. Schitterende muziek die bovendien een fascinerend contrast zou hebben opgeleverd met de 'Turangalîla', nu echter het enige werk op het programma. Terwijl de beide stukken van Rameau voor ieder goed orkest – en dat geldt zeker voor dit RPhO in topvorm - geen bijzondere uitdaging zouden hoeven te vormen. Waar dan nog bijkomt dat de Estse dirigent de Turangîla op zijn repertoire heeft. Maar evengoed moet worden gezegd dat met de flonkerende en evocatieve uitvoering van de Turangalîla vrijdagavond veel werd goedgemaakt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links