Actueel

Over muziekkritiek

 

© Bas van Putten, februari 2018

 

Het is een wrang moment voor de online publicatie van Matthijs Vermeulens magistrale muziekessays voor De Groene Amsterdammer. Van het métier dat hij naar grote hoogten tilde rest een halve eeuw na zijn dood zo goed als niets. De crisis van de Nederlandse muziekkritiek is totaal.

Matthijs Vermeulen

Door Bas van Putten

Matthijs Vermeulen (1888-1967) is de enige muziekschrijver tegen wie ik opkijk. Hij heeft mij normen ingeprent voor stijl en denken. Hij heeft mij aangespoord het schrijven op te vatten als de innerlijke dialoog met het kunstwerk. Hij wees me de weg naar het instinctieve, voor hem ‘waarlijk objectieve' horen van muziek als dynamische zielsbeweging. Vermeulen volgt in haar de sporen, schrijft hij, van de ‘innerlijke verlangens van den nu levenden mensch', ‘de levensstroom', ‘het oceanisch sentiment, de communicatie met een vitaliseerende oer-bron.' Die bron is een krachtbron, het contact een louteringsproces, muziek een genezende kracht, de levensnoodzaak die Bach, Beethoven en Mozart al sinds eeuwen zijn – en laat ons eerlijk zijn, dat zegt iets.

Luisteren is meebewegen met de retorisch-psychische contouren van het kunstwerk en zijn curven van geboorte en groei, intuïtieve reconstructie van hun al dan niet organische verloop dat Vermeulen het gereedschap aanreikt voor een eerste weging. Voor die kan plaatsvinden, moet hij zich door die nieuwe, onbekende taal als willoos instrument laten bespelen. Hij moet zich voorbereiden op zintuiglijke impulsen die harmonie en melodie, ritme en vorm in het transcendentale trekken en zich fenomenologisch kunnen isoleren van hun muzikale oorsprong. Hij kan een ruimte zien, het licht horen, buiten de tijd treden. Zo is muziek.
Het overkomt hem tijdens een uitvoering van Skrjabins Poème de l'extase . Vermeulen hoort ‘drie of vier fortissimo's' van een ‘fantastische, fysieke behaaglijkheid, voortvloeiend uit myriaden helle, maar verkwikkende lichtbronnen van onafzienbare duur.' Het zijn klankcomplexen ‘met hoogte noch laagte, breedte noch diepte; zij hieven alle begrip op van dimensie. Men voelde zich in de zuivere uitgestrektheid, zonder beperking en zonder richting.'
Hij wil begrijpen wat hem in de lichtsensaties heeft getroffen, die zijn veranderd in iets anders dan muziek. Hij hoort hoe ze als het ware opwellen uit een voorgrammaticaal bewustzijn en komt tot deze diagnose: “Het was louter energie, welke preëxisteert alvorens zij ergens zal gaan existeren door enige vorm of gedaante, de ongeformuleerde energie van iemand, die zich bevindt in een creatieve roes, maar die nog niet creëert.”
Wie het stuk hoort, ervaart het klinkende bewijs van zijn gelijk. Het is zoals hij zegt; hier gaat extase over. Vermeulen heeft verstaan met een helhorendheid die niemand na hem evenaarde. Hij heeft de tekens opgepikt die Ernst Jünger aanduidde als de verborgen zin van een ‘Geheimlehre, die sich in jeder Sprache von Rang verbirgt und sich hinter Worten verhüllt.' Daarvoor is een soort van innerlijke ruimte nodig die hun resonans vrij spel geeft, tot die donderslagen zich ‘in hun zuivere uitgestrektheid' laten kennen en in omtrekkende bewoordingen mededeelbaar worden voor een schrijver van zijn gaven.

Daar begint de kennis die Vermeulen door wil geven, het weten dat voorbij de noten ligt; daar is de terra incognita waar hij gids kan zijn van iedereen die voor dat ongekende niet de woorden vond. Want “het is juist de taak der kenners om aan hen die nog niet kennen hun kennis mede te deelen. Zóó alleen, en zonder bedrog, zonder huichelarij, geraakt men tot de werkelijke waarden, die een civilisatie stichten, waarop de mensch vertrouwen kan, en die hem bewust maken van zijn belangrijkheid, van zijn virtueele grootheid.”

Vermeulen schreef voor het intussen laatste Nederlandse medium dat de muziek de ruimte geeft: De Groene Amsterdammer. De dagbladen laten de muze sterven in recensies met de omvang van een nieuwsbericht en cd-besprekingen van postzegelformaat, gebrouwen uit liefdeloze routine en clichégepapegaai. Een stoet van dwergen doet verslag in meestal maximaal driehonderd woorden, de paar bekwame krachten kunnen bij gebrek aan adem geen kant op – voor wat ze hadden willen zeggen is geen ruimte. De meeste kranten hebben voor klassieke muziek niet eens meer een vaste muziekredacteur en de freelance medewerkers zie ik voor hun luttele vergoedingen niet op de tenen staan. Dan schrijven ze dit, over een strijkkwartet: “Hun aanpak is gespeend van de onbezorgde, maar soms wat oppervlakkige toon, die Mendelssohn aankleeft.” Of dit, over een opera: “Van der Aa (…) is de eerste operacomponist die écht begrijpt wat er mogelijk is met de kunstvorm.” Pardon, mevrouw? Zullen we de muziekgeschiedenis vanaf Wagner even doornemen? Of komt er nog uitleg? Sorry, slotzin. Deze week was in drie landelijke kranten te lezen dat het Hagen Kwartet in het Amsterdamse Muziekgebouw een concert opende met Weberns Langsamer Satz . Het was het Streichquartett . Driemaal was het niet gehoord, driemaal was men niet voorbereid, driemaal kende men de stukken niet waarover men geacht werd iets te zeggen. Een partituur doornemen? Tijdverlies.

Vrienden, ga naar huis.

Dit is het peil. In twee, drie decennia hebben mediapopulisme en argeloosheid alles afgebroken wat de levende verstandhouding tussen publiek en muze kon bevorderen, een kunst naderbij kon brengen die ik met Vermeulen als de hoogste zie, maar die ten bate van de brede doelgroep onbewoonbaar werd verklaard. Het is onvergeeflijk.

Maar jongen, roept u, hoe verklaar je dan de eensluidende lof voor Stockhausens hermetisch ontoegankelijke Mantra in het afgelopen Holland Festival? Uit precies de morsdode gemakzucht, de reactionaire reflex die in de concertzalen Dvoráks Negende en Sjostakovitsj' lamme Stalinlappen in het zadel houdt, en die eenmaal gecanoniseerde iconen bijzet in de trofeëenkast met afgehandelde ervaringen. Mantra van Stockhausen geldt als meesterwerk, dus is het een meesterwerk. Daar gaan we: “Gestaald modernistisch meesterwerk” (Volkskrant), ‘een bijna mystieke ervaring' (Trouw), ‘iconisch meesterwerk' (Cultureel Persbureau), ‘klapstuk van het jaar' (NRC). Na twintig jaar proberen steek ik er mijn hand voor in het vuur: dat stuk is niet te harden. Stiekem heeft iedereen zich net als ik kapot verveeld, die fenomenale broers Jussen inbegrepen. Maar dat is tegen de codes. Het voelt comfortabeler het eens te zijn. Men hoort bij Sjostakovitsj keurig het Stalinleed, in Mahlers Negende de dood, bij Messiaen de middeleeuwse vroomheid, bij Webern de ascese; alle pavlovreflexen werken naar behoren. De consensus tekent de verstarring van het oordeel.

Intussen lopen de zalen leeg en verzuipen de normen in een poel van middelmaat. Ik verwijt het Halbe Zijlstra, ik verwijt het het onderwijs, ik verwijt het de media. “Time for papers to review dying art of the critic”, kopte The Guardian vorige maand. Ik wil ze terug, de intelligente polemisten die weer zendingswerk bedrijven voor het grootste wat de mensheid voortbracht en campagne voeren tegen het verval dat het bedreigt. De structurele verwaarlozing van grote Nederlandse meesters, van Diepenbrock tot Keuris; de populisten die kunst uit een niet bestaande ivoren toren willen trekken en de vege resten van haar waardigheid op televisie voor de leeuwen gooien in de popi-shows van Maestro Jules Onthult en De Tiende van Tijl; de aartsconservatieve programmering van de Nederlandse symfonieorkesten; een cultuurbeleid dat kunst tot een maatschappelijke opdracht heeft gekortwiekt en bij subsidieronden topensembles afserveert op een ‘zwak omgevingsbewustzijn'. Ik wil een wereld waar de besten winnen en de beste schrijvers hun publiek geleiden naar de wonderen van morgen. Zoals Vermeulen schreef: “Wij moeten eveneens bedenken dat, wanneer het gemiddelde peil te laag zakt, ook het goede minder kansen heeft. Waar de mediocriteit overheerst, zal het geringste blijk van waarlijk talent reeds buitensporig schijnen, niet alleen voor het publiek dat gaarne bewondert, maar ook voor degene die talent ontving en te gemakkelijk vergeten zal er mee te woekeren.”

Met een gevoel van nostalgie en iets van rouw over het onherroepelijk verlorene verslond ik de meer dan 1100 pagina's Vermeulen-essays die door de Digitale Bibliotheek Nederlandse letteren online zijn gezet. Ze zijn de oogst van tien jaar schrijven voor De Groene Amsterdammer, dat Vermeulen na een onderbreking van 26 jaar in 1946 terugvroeg en hem tot 1956 aan boord wist te houden. Het torenhoge niveau is één, maar belangrijker is dat hij nog nooit zo dichtbij kwam, muziek- en menselijkerwijs. Ik zie ons met dezelfde schok Eschers Hymne du grand meaulnes bewonderen als het onwaarschijnlijke meesterwerk dat het is. Ik zie ons, na dezelfde eerste aarzeling, op dezelfde manier overstag gaan voor het dirigeergenie Leopold Stokowski, dat ons op dezelfde manier weet te winnen voor de componist die ons op dezelfde manier vreemd bleef: Brahms. Ik herken zijn innerlijke weerstand tegen de Messiaen van de Turangalîla-symfonie en zie hem afknappen op de vermolmde Sjostakovitsj, twee componisten die hij, voor hun reputaties de receptie à la Mantra zullen knevelen en stereotyperen, nog op eigen kracht de maat moet nemen. Maar ik zie hem ook genereus zijn mening bijstellen waar onbesuisde eerste indrukken het afleggen tegen een onvermoede overmacht. Ik zie, ook als we van opvatting verschillen, hoe hij zijn intuïtie munt uit degelijke analyse, zie hem de werkkritiek bedrijven die de muziek altijd voorop stelt. Muziek, die ik hem zie vereren als de rijkste bron van een geluksgevoel dat bij Vermeulen, na die ook voor hem verschrikkelijke Tweede Wereldoorlog, door alle armoede en alle pijn van menselijk verlies breekt. Terwijl het avondland ten onder ging heeft hij zijn vrouw verloren en zijn zoon Josquin, maar de natuur en dan die nieuwe liefde voor zijn tweede echtgenote Thea Diepenbrock laten hem zijn evenwicht hervinden. Nooit dooft het licht, nooit dooft het vuur van die brandende ziel voor wie in kunst, natuur en liefde alles radieert, vibreert en zindert.
Hij neemt de tijd, desnoods in meerdere artikelen over één onderwerp. Aan een recensie van Bergs Lulu gaat een separate, uitgebreide analyse van het stuk vooraf, compleet met notenvoorbeelden. Zelfbewust neemt hij de gidsrol op de schouders: “Want meer dan ooit hebben wij op dit kruispunt der geschiedenis een wegwijzer nodig (..).”

Dat was toen zo waar als het dat nu is.

Tegenwoordig zien we in die hoedanigheid de populaire educator, de laagdrempelige kenner of bekeerde ex-leek die met geruststellende anekdotiek onwetendheid over en koudwatervrees voor klassieke muziek tracht weg te nemen bij een Groot Publiek. Die ceremoniemeester drukt dan, met een hip jasje aan, voor de camera oningewijden op het hart dat Beethoven maar gewoon een slimme ZZP'er was en Bachs Matthäus-Passion een verbindende geloofsboodschap voor alle gezindten, dat de zware jongens ook maar mensen waren. Op tv leert Maestro Jules hun dat Rachmaninoff na de flop van zijn eerste symfonie in een diep dal raakte maar dankzij dokter Dahl weer uit de shit kroop en, na regen komt zonneschijn, als herboren zijn Tweede pianoconcert componeerde. Met de zaal neemt hij het eerste thema door. “U voelt meteen de wodka in uw lichaam, u zit meteen in Rusland, het sneeuwt, het is koud, het kozakkenkoor lijkt los te barsten.” Dan Beethoven. Waar komt het papapapam uit zijn Vijfde symfonie vandaan? Klopt daar het noodlot aan de poort? Nee, het is de zang van de geelgors die de meester in het Weense Prater opving. Het beest wordt in een vogelkooitje op het podium gebracht en hoor eens: Beethoven ten voeten uit! Tussen Kunst en Kitsch lijkt opeens heel academisch.
Volgt een zeer matige uitvoering van de Vijfde , karikatuur van het stuk, lauw Hollands als de vers bekeerde zielen in de zaal, die niets van Beethovens grootsheid zullen meekrijgen.

Bij Vermeulen geen knievallen. Voor hem zijn meesters goden. “(…) Kunst mag wel vermaak zijn, en moèt dat zelfs zijn; maar nimmer spel. Slechts onverstandigen en zinnelozen spelen met de ‘grote gevoelens' van leven en dood.” Muziek, bij Jules van Hessen Goede tijden slechte tijden , is voor hem nog die Homeriaanse levensreis. Hij is cultuurmens naar het woord van Huizinga, de woordvoerder van een gemeenschapsideaal: “Cultuur moet metafysisch gericht zijn, of zij zal niet zijn.” Hij wil geen nivellering maar verheffing tot het hoogste tot nut van het algemeen. En hij schrijft letterlijk de sterren van de hemel om je daar te krijgen in een proza dat geconcentreerde lezers vergt maar zonder vakkennis te volgen is. Het is literatuur; het is verleidingskunst.

In zijn essay ‘de radiërende vonk' schrijft Vermeulen: “Het onvergelijkelijk weldadige genoegen dat, onder alle kunsten, enkel de muziek ons kan doen ervaren in zo sterke intensiteit, als zo tastbare werkelijkheid, en met alle kenmerken van het geluk, d.w.z van de toestand waarin men het besef krijgt het meeste te vermogen, elk verlangen vervuld te zien, en waarin de herinnering aan die toestand nog een smaak heeft van geluk, van harmonie met alles. En is er hogere macht wenselijk, beschikbaar voor een mens dan om zijn medemensen te brengen, zonder enige schade, gedurende enkele uren in deze staat van edelste en verheugendste levensbewustwording?”
Daar begint muziek, schrijft hij in een beschouwing over Willem Pijper, die het volgens Vermeulen uit het zicht verloor: “Bij de psyche; die geen scepsis kent, geen ironie; bij de bron van alle leven en muziek.” Wee degene die zijn standaard schendt: “Wanneer de hoorder misleid wordt met een kakelbonte, klatergouden en verlokkelijke leugen, dan hebben wij daarmee niet in te stemmen.”

Hij zal het zwaar krijgen in het Nederland van na de oorlog, dat rust en evenwicht verkiest boven de hoge vluchten. Men speelt weer de Matthäus-Passion en weer Mahler, maar de componisten lijken terug te schrikken voor de grote greep. Vermeulen is omringd door brave borsten en de flauwte van een internationaal muziekklimaat dat zich herpakt met kritische distantie. Hij hoort de dode, koude Stravinsky het immense drama van zijn Orfeus in de vriezer bergen. Hij ontsteekt in blinde woede over de Symfonische Metamorfosen van Paul Hindemith. Hij haat de schrale neoclassicisten die ironisch oude wijn in nieuwe zakken gieten, worstelt met de late Bartók die hem nooit helemaal bevredigt; bewondert in Sjostakovitsj' Vijfde symfonie , even in de ban, de zwaluw die dan toch geen zomer maakt; de Zevende en Negende stellen teleur. Zijn panorama is ontstellend. “Alom ontwaart men niets dan miniatuur-Strawinsky's, kleine Schönbergjes, Hindemithjes in duodecimo-formaat, bleke neo-classicistjes, neo-romanticusjes, verwaterde copietjes van dit of van dat. Nergens, sinds meer dan twintig jaar, een markante figuur.” Hij snakt naar echte heroïek en subjectiviteit, naar het complexe, mateloze antwoord op de veilige simplificaties van de tijd. Het ‘extreem gekunstelde' lijkt hem eerder ‘een aanmoediging voor het bereiken der opperste schoonheid', waar de kunstenaar niet subjectief genoeg naar kan streven. “Hoe machtiger individu, hoe voller mens.” Die machtige, gehate Strauss toonde in zijn Heldenleben tenminste ballen.

Het moet gezegd, al is er moed voor nodig, schrijft hij in een brief aan Thea Diepenbrock. “Moed om – als je ziet dat je moederziel alleen bent – te zeggen tegen beter weten in: ik weet 't beter, en moed om nooit te twijfelen dat je 't beter weet.” Want, zegt hij elders: “Een cultuur is stervende zodra haar verantwoordelijke vertegenwoordigers weifelen in hun wederstand tegen de verhaspeling van echt en onecht, van waarachtigheid en bedriegelijke namaak.”
Ik geloof dat ook. Hebben wij die moed, de moed het grote te erkennen en het kleine te bestrijden? Zijn de critici van nu nog geloofwaardige gezagshandhavers? Hebben ze de wilskracht en de taalbeheersing voor de grote slagen? Kunnen ze het discours over de tijdgeest aan? Durven ze reputaties tegen het licht te houden? Meten ze omvang en gewicht van hun culturele opdracht?
Niets. Ze doen niets meer. Lusteloos schampschieten, voor een tot vijf ballen of sterren. Passief consumeren, en klagen over de spijsvertering als het gerecht zwaar op de maag ligt. Wat bij Vermeulen nog door wetenschap geleide intuïtie was, is intussen weinig meer dan intellectuele luiheid.

In het Concertgebouw vond dit jaar de Nederlandse première plaats van Babylon, Jörg Widmanns grote opera op een libretto van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Enorm stuk, enorme bezetting, enorm thema. De partituur, 469 bladzijden, bleek zo groot dat het digitale bestand niet op mijn computerscherm paste en ik hem uit arren moede maar in Hilversum ben gaan bestuderen. Het is een schatkamer van muziek, extatisch overvloedig als Vermeulens symfonieën, overdadig belegd met twee eeuwen Duitse muziekgeschiedenis en millennia van culturele evolutie. Ik had een maand nodig om me in te lezen. Is het een opera? Volgens welke criteria? Wat wil het libretto? Wat hebben die tekstuele verwijzingen naar de operatraditie te betekenen, die knappe pastiches van Schikaneders Zauberflöte-tongval? Wil dit een drama zijn over twee Zauberflöte-achtige geliefden, een diagnose van de tijd waarin we leven, een muzikale reconstructie van de toren van Babel, diagnose van een labiele, machtige cultuur die bezweek aan zijn hoogmoed? Hoe, met welke bedoelingen en met welke dramaturgische gevolgen, verwijst Babylon naar de Babylonische mythologie? Gaat het over de nu actuele botsing tussen godsdiensten, die van het voorchristelijke Babylonië en het vroege jodendom dat er geboren werd? Over die grote culturele aardverschuivingen heeft Sloterdijk veel geschreven. Was het niet Babylon waar, naar analogie met onze tijd en even ontregelend, een samenleving in een transitiefase werd geconfronteerd met de houdbaarheid van fundamentele geloofsvragen, met zijn collectieve identiteit en het per definitie illusoire van die eenheid? Wat heeft het in dit verband te betekenen, dat Widmann de muziek voor het eerste tafereel ontleende aan zijn Messe voor orkest, een tekstloze mis – maar met de mistekst in de partituur?
Op al deze vragen hebben wij beroepsluisteraars, ook na een eerste uitvoering, niet het begin van een antwoord. Wij kunnen het stuk nog niet kennen. Het is een taal die we nog moeten leren spreken. Recenseren is zinloos. Wat wij kunnen is de lezer voorlichten zoals Vermeulen met zijn Lulu -analyse in De Groene deed, door uit te leggen wat er staat en wat we weten. Het loont. Van alle levende componisten lijkt de Duitser Widmann nog het meest op het genie dat we hard nodig zullen hebben. Schrijft zo'n briljante componist een grote opera die voor het eerst in Nederland te horen is, dan doe je je huiswerk.

Jörg Widmann

Ik heb me zeer verbaasd over de luchtigheid waarmee de Nederlandse kranten deze gebeurtenis hebben afgedaan. Nergens een gedegen voorbeschouwing en uitsluitend besprekingen die de naam niet verdienen. Geen poging tot duiding, geen zinnig woord over de inhoud, louter gejamaar van matte onderbuikgevoelens. Want natuurlijk was het allemaal weer teveel van het goede – de maatstaven der matigheid zijn onvermurwbaar en het oor, nu ja, dat hoort in Holland niet zo veel.
NRC: “Widmanns notenmassa's werken te vaak een bombastisch zwelgen in de hand.” Uiteraard lijdt de tekst van Sloterdijk, want filosoof, aan ‘filosofische breedsprakigheid' en ‘overgewicht.' Maar de partituur is ‘onmiskenbaar virtuoos. Widmann schrijft vloeiend in een Babelse kakofonie aan stijlen, en ontlokt weelderige orkestraties aan de monsterbezetting waar de opera om vraagt.” Welke kakafonie? Hoe werkt en klinkt die virtuositeit? Hoe kan een kakafonie vloeiend zijn? Hoezo filosofische breedsprakigheid? Wie zich in de bedoelingen van de makers heeft verdiept, ziet hoe intelligent en doelmatig, hoe veelvoudig gelaagd maar elegant de tekst is opgebouwd, waarin door Sloterdijk nadrukkelijk naar eenvoud is gestreefd. En zwelgen? Hoor eens even: het stuk bouwt met constructieve middelen scène voor scène zelf de toren, het is de klinkende metafoor van het bouwwerk. Er zit een zondvloed in de opera, dat geeft ook wat reuring. Geen antwoord: 235 woorden.
Trouw hoort ‘iets megalomaans', wie had dat gedacht, maar respecteert de muziek en heeft zelfs ‘hemelse momenten' waargenomen. Waar ze zitten, hoe ze klinken – geen woord. De 469 pagina's gaan in één zin: “Soepel werd de rijke partituur, met reminiscenties aan de muziekgeschiedenis en een dot eigen citaten van Widmann incluis, geïnterpreteerd.” Hoe soepel? Als de auteur de partituur heeft ingezien, heeft zij een onwaarschijnlijk goed geheugen. 335 woorden.
Ook de Volkskrant weet: In zee gaan met een filosoof is vragen om ellende. De opera lijdt onder ‘filosofische woordwoeker' van ‘personages die veel vertellen, maar verzuimen hun drama invoelbaar te maken'. Invoelbaar is het sleutelwoord: de Volkskrant wil ontroering die Widmann niet op afroep levert. Wel ‘knipoogt hij zich suf' naar Mahler en Ben Hur. “In de gecombineerde vlamkracht van het Groot Omroepkoor, Nederlands Kamerkoor en Radio Filharmonisch Orkest stelt dirigent Markus Stenz menig detail veilig.” Welke details zoal? De schrijver heeft naar ik begrijp de partituur gezien, kuchkuch, maar hey; 280 woorden.

Afgeserveerd, klaar. Overal zie je de voor de evaluatie van de opera fatale uniformering van de hoorreflexen al beginnen: los van de graduele waarderingsverschillen heeft iedereen ongeveer dezelfde reserves, die zich uitsluitend richten op de corpulente buitenkant van de muziek. Het zijn bezwaren die zich onverkort in stelling laten brengen tegen Wagners Ring des Nibelungen , dat ondanks die excessen dat unieke kunstwerk blijft; groots ondanks of zelfs dankzij zijn bombast, zijn zwelgen en woordwoeker. Had men Vermeulen maar gelezen: “Het is onmogelijk om bij een enkel hooren van onbekende muziek een definitief oordeel te formuleeren over haar intrinsieke deugden, over de hernieuwbaarheid der impulsen welke zij wekt, over de wijze waarop wij ons een volgende maal tegenover die impulsen zullen gedragen, over haar innerlijke draagkracht en duurzaamheid, zelfs over de gebruikte scripturale en instrumentale middelen. Want zoodra muziek geklonken heeft, en reeds terwijl zij klinkt, ontsnappen den waarnemer, die tegelijk moet observeeren en tegelijk moet herinneren, alle positieve, reëele punten van contrôle en vergelijking. Hetgeen hij kan controleeren zijn vliegende, provisorische, meestal approximatieve indrukken, waarvan niets hem bevestiging kan geven.”

Na die gênante Babylon -liflafjes, dat demasqué van de verzamelde muziekkritiek, zou je met Vermeulen willen uitroepen: “Bestaat er geen kritiek meer? Geen enkele maatstaf? Nergens?”

Nee, die bestaat niet meer.

Zullen we weer eens iets over muziek gaan zeggen? Haar weer de plaats geven die haar als bron van troost, vervoering,  intellectuele stimuli en verwondering toekomt? Haar als vitale culturele factor recht doet? Haar in bescherming nemen tegen onkunde en onverschilligheid? Ik doe maar een voorstel.

www.matthijsvermeulen.nl


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links